Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:233

Zaaknummer

25-312/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over aangewezen advocaat, die positief over de zaak zou hebben geadviseerd. Kantoorgenoot heeft vervolgens aan klager laten weten dat het starten van een kort geding onvoldoende kansrijk achtte.  Niet gebleken is dat het advies van de kantoorgenoot onjuist was. Voor zover de klacht ook ziet op het door verweerder inschakelen van zijn kantoorgenoot, is de klacht eveneens ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 november 2025 in de zaak 25-312/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 7 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 9 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K222 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager is niet verschenen. De griffier van de raad heeft in verband daarmee telefonisch contact met klager opgenomen. In dit telefoongesprek gaf klager aan de zitting verkeerd in zijn agenda te hebben genoteerd.  1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 08 (inhoudelijk) en 1. tot en met 12. (procedureel).

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager heeft zich op 17 mei 2024 tot de deken gewend met een verzoek tot aanwijzing van een advocaat voor het starten van een aansprakelijkheidsprocedure tegen de Staat. 2.3    Bij brief van 15 juli 2024 heeft de deken verweerder aangewezen om klager te adviseren over het starten van een aansprakelijkheidsprocedure tegen de Staat en om – in het geval van een positief advies – klager in die procedure bij te staan. In deze brief heeft de deken – voor zover van belang – het volgende vermeld: “De gang van zaken is dat [verweerder] eerst een procesadvies zal uitbrengen. Wanneer [verweerder] aanknopingspunten ziet voor een geslaagde procedure zal hij u verder bijstaan in die procedure. Wanneer [verweerder] geen kansen ziet voor een geslaagde procedure, zal hij u niet verder bijstaan. Hij zal in dat geval geen procedure voor u starten. Ik merk nog het volgende op. Ook als aangewezen advocaat is [verweerder] ‘dominus litis’. Dat betekent dat hij – in overleg met u – de strategie bepaalt in de zaak. [Verweerder] mag geen handelingen verrichten tegen uw wil, maar wanneer hij en u van mening verschillen over wat er in de procedure naar voren moet worden gebracht, kunt u [verweerder] niet dwingen bepaalde argumenten aan te voeren of om bepaalde incidenten op te werpen. Wanneer u het niet eens kunt worden over de strategie van de zaak, mag [verweerder] zich onttrekken. Dit zal geen reden zijn om een nieuwe advocaat aan te wijzen.” 2.4    Na bestudering van de stukken heeft verweerder op 30 oktober 2024 uitvoerig telefonisch met klager over zijn zaak gesproken. In dit telefoongesprek heeft hij klager laten weten dat zijn kantoorgenoot mr. V. de zaak inhoudelijk zal behandelen en dat hij daarover contact met klager zal opnemen. 2.5    Op 5 november 2024 heeft mr. V. telefonisch met klager gesproken. 2.6    Per e-mail van 6 november 2024 te 16.41 uur heeft mr. V. klager negatief geadviseerd over de haalbaarheid van de zaak. In deze e-mail heeft hij onder meer geschreven: “Ik heb inmiddels uw zaak grondig kunnen bestuderen. Nog bedankt voor het toezenden van alle relevante stukken. Die geven mij een beter beeld van de zaak, die op het eerste oog een betrekkelijk eenvoudige kwestie leek. Na nadere bestudering van de stukken moet ik u berichten dat de kwestie niet zo eenvoudig ligt en dat procederen tegen de Staat in kort geding onverstandig zou zijn. De redenen daartoe zet ik in het volgende kort uiteen. (…) Met een kort geding zou ik u op kosten jagen zonder dat ik een redelijke kans op succes zie, want het spoedeisende belang bij een voorlopige voorziening jegens de Nederlandse fiscus is er niet. Die ligt in Frankrijk. U loopt het risico dat met een dergelijk kort geding u daarbovenop in de reële proceskosten aan de zijde van de staat wordt veroordeeld wegens het feit dat de rechter van oordeel zal zijn dat u in Frankrijk moet zijn. Ik kan u als advocaat niet adviseren hieraan te beginnen omdat het risico ten opzichte van de verwachte opbrengst, astronomisch hoog is. Voorts ga ik u niet nodeloos op kosten jagen.”  2.7    Klager heeft per e-mail van diezelfde dag te 19.13 uur, in cc aan de deken gezonden, op deze mail gereageerd. De strekking van die mail is dat klager zich in het negatieve advies en de daaraan ten grondslag gelegde argumenten niet kan vinden. In deze mail kondigt klager aan de Orde van Advocaten over de houding en het optreden van de heer V. te informeren. Klager besluit de mail als volgt: “Conclusie is dat u met deze e-mail en uw optreden ons in zeer grote problemen heeft gebracht, waarvoor wij u aansprakelijk houden, wetende dat de zaak zeer uitvoerig met uw collega [verweerder] is doorgesproken en hij het tegenovergestelde heeft geadviseerd als wat u in uw e-mail schrijft en beweert.” 2.8    Per e-mail van 7 november 2024 te 11.01 uur heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. In deze e-mail, die hij in kopie aan verweerder, mr. V. en twee andere kantoorgenoten van verweerder heeft gezonden, heeft klager verweerder (en zijn kantoorgenoot) aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. 2.9    Vervolgens heeft verweerder per e-mail van dezelfde dag te 11.06 uur - met cc aan de deken - als volgt gereageerd: “Omdat het mij aan tijd ontbreekt om u op korte termijn in een kort geding te vertegenwoordigen heb ik mijn collega mr. V. over uw zaak geïnformeerd en hem gevraagd hierover met u contact op te nemen. In tegenstelling tot ondergetekende ziet hij daar minder in, en ter duidelijkheid meen ik ook niet dat er een 100%-kans is dat een rechter uw vordering zal toewijzen, maar een kans. Voor de visie van mijn collega valt echter veel te zeggen. Het is bovendien ook helemaal niet zeker dat, indien de Belastingdienst direct met de Franse fiscus communiceert dat zij in het verleden een fout hebben gemaakt, dat de beoordeling door de Franse fiscus dan wijzigt en dat zij op hun schreden zullen terugkeren. Dit mede gelet op dat zij al op papier hebben gezet dat u in 2010 en 2011 geen ingezetene van Nederland was en daar niets mee hebben gedaan. Hier had misschien nog overleg over kunnen plaatsvinden. Uw reactie om op mijn collega te reageren met het twee uur later indienen van een klacht bij de Orde en het aansprakelijk stellen van ons kantoor, in plaats van het overleg (met mijn collega of met mij) te zoeken, acht ik echter compleet onacceptabel. Ook het dreigement ons op uw website te zetten is grensoverschrijdend. In ons appverkeer heb ik aangegeven dat ik wederzijds respect een voorwaarde acht om u bij te kunnen staan. U heeft daarop gereageerd dat ik dat zou moeten verdienen. Dat is echter niet hoe ik in de wedstrijd sta. Ik kan u hierbij definitief berichten dat ons kantoor u niet bij zal staan. (…).” 2.10    De stafjurist van de deken heeft klager naar aanleiding van zijn e-mail van 7 november 2024 te 11.01 uur verzocht zijn klacht door middel van een webformulier in te dienen, hetgeen hij diezelfde dag om 23.06 uur heeft gedaan. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij klager onrechtmatig en op abjecte wijze heeft behandeld en hem in zeer grote en acute problemen heeft gebracht. Meer concreet verwijt klager verweerder dat hij een positief advies over de haalbaarheid van de procedure heeft uitgebracht maar de zaak vervolgens bij zijn kantoorgenoot heeft neergelegd die er niets in zag.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.  Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Inhoudelijk 5.2    De raad stelt vast dat een schriftelijke vastlegging van de tussen klager en verweerder gemaakte afspraken ontbreekt. Indien daardoor onduidelijkheid tussen hen zou zijn ontstaan, komt dat voor rekening en risico van verweerder. Hij is als advocaat immers gehouden belangrijke zaken schriftelijk vast te leggen.  5.3    Naar het oordeel van de raad had schriftelijke vastlegging op voorhand duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of verweerder de zaak al dan niet (volledig) zelf zou (moeten) behandelen. Onder de gegeven omstandigheden is het ontbreken van deze vastlegging echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager stelt immers zelf in zijn klacht dat verweerder hem van de inschakeling van zijn kantoorgenoot op de hoogte heeft gesteld en dat deze kantoorgenoot de zaak inhoudelijk zou behandelen. Klager mocht dan ook niet ervan uitgaan dat het voorlopige mondelinge oordeel van verweerder over de zaak van klager ook het definitieve oordeel zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat klager tegen inhoudelijke behandeling van zijn zaak door de kantoorgenoot heeft geprotesteerd. Daarnaast verplicht aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet die advocaat ook niet de zaak feitelijk zelf te behandelen maar slechts om de zaak aan te nemen. Hij mag – mits de kwaliteit en deskundigheid zijn gewaarborgd – de feitelijke behandeling door een kantoorgenoot laten uitvoeren. Wel blijft de aangewezen advocaat te allen tijde eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de rechtzoekende in kwestie. Voor zover de klacht ziet op het door verweerder inschakelen van zijn kantoorgenoot slaagt de klacht derhalve niet. 5.4    De vraag is vervolgens of de kantoorgenoot van verweerder een fout heeft gemaakt waarvoor verweerder verantwoordelijk kan worden gehouden. Met andere woorden, of het negatieve advies van de kantoorgenoot onjuist was. De raad kan dat op basis van de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken niet vaststellen. Klager stelt weliswaar dat door meerdere advocaten zou zijn gezegd dat het advies van de kantoorgenoot van verweerder onjuist is, maar hij laat na die stelling met stukken en/of verklaringen te onderbouwen. Door niet eerst contact met verweerder op te nemen om te overleggen over het hem onwelgevallige advies van zijn kantoorgenoot heeft hij verweerder ook de mogelijkheid ontnomen om de inhoud van dat advies toe te lichten. Dat verweerder zijn werkzaamheden na de onmiddellijke indiening van de klacht, de aansprakelijkstelling en het dreigement om verweerder/zijn kantoor op klagers website te zetten heeft neergelegd, acht de raad bovendien niet onbegrijpelijk. Verweerder heeft dat ook uitgebreid schriftelijk aan klager toegelicht. 5.5    Naar het oordeel van de raad is de klacht derhalve ongegrond.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 17 november 2025