Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:226
Zaaknummer
24-397/DH/RO
Inhoudsindicatie
Klacht van psychologen(praktijk) die als hulpverleners betrokken zijn geweest bij het gezin van verweerder. De klacht van de maatschap is niet-ontvankelijk, omdat niet is gebleken van een rechtstreeks belang. De klacht van klaagster 2 is grotendeels niet-ontvankelijk vanwege misbruik van procesrecht, omdat zij eerder een tuchtklacht heeft ingediend tegen verweerder en deze heeft ingetrokken. De klacht van klaagster 3 is grotendeels niet-ontvankelijk, omdat de klacht te laat is ingediend. Voor zover de klachten van klaagsters 2 en 3 wel ontvankelijk zijn, zijn die ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 10 november 2025 in de zaak 24-397/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
1. Maatschap […]
2. […]
3. […] klaagsters gemachtigde: mr. H. Loonstein
over:
verweerder gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 20 februari 2024 hebben klaagsters bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 30 mei 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/58 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 september 2025. Daarbij waren klaagsters 2 en 3, vergezeld van hun gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de raad kennisgenomen van: - de e-mails met bijlage(n) van mr. P.C. Verloop (voormalig gemachtigde van klaagsters) van 20 juni 2024 en 11 november 2024 - de e-mails met bijlage(n) van mr. R.J. Wybenga (namens verweerder) van 26 juni 2024 en 5 november 2024.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klaagster 1 is een psychologenpraktijk met als specialisatie hoogbegaafdheid. Klaagsters 2 en 3 zijn de maten van klaagster 1 en doen onder meer gespecialiseerd diagnostisch onderzoek. 2.3 In juli 2019 hebben verweerder en zijn vrouw contact opgenomen met klaagsters voor hulp betreffende hun zoon. Op 29 augustus 2019 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen verweerder, zijn vrouw en klaagsters 2 en 3. Klaagsters 2 en 3 zijn vervolgens als hulpverleners bij het gezin van verweerder betrokken geweest. 2.4 Op 2 januari 2020 heeft verweerder de behandelrelatie beëindigd. Verweerder heeft daarna aangedrongen op een verslag omtrent het onderzoek van zijn zoon, maar klaagsters wilden daarvoor eerst een gesprek plannen. 2.5 Op 8 april 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en klaagsters 2 en 3 in het souterrain van het advocatenkantoor waar verweerder werkzaam is. 2.6 Op 31 juli 2020 hebben klaagsters vertrouwelijke stukken laten bezorgen op het privéadres van verweerder, voorzien van een factuur. Op 20 augustus 2020 heeft verweerder zijn secretaresse alle stukken laten terugsturen. Op 24 augustus 2020 heeft verweerder de factuur onder protest betaald. 2.7 Op 23 maart 2021 heeft klaagster 2 bij het advocatenkantoor een klacht over verweerder ingediend. In de adressering van de brief is vermeld “[advocatenkantoor], t.a.v. de heer [verweerder]”. 2.8 Op 31 mei 2021 heeft klaagster 2 bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Deze klacht heeft betrekking op de afhandeling van de op 23 maart 2021 bij het advocatenkantoor van verweerder ingediende klacht. 2.9 Op 22 juni 2021 heeft verweerder op de klacht gereageerd. 2.10 Bij brief van 23 juni 2021 heeft klaagster 3 aan de deken laten weten dat zij geheel achter de klacht van haar collega staat. Zij schrijft dat de informatie in haar brief als vertrouwelijke achtergrondinformatie of ‘signaal’ moet worden beschouwd.. 2.11 Op 12 september 2021 heeft klaagster 2 gereageerd op verweerders reactie van 22 juni 2021. Bij brief van dezelfde datum heeft zij een aanvullende reactie ingediend, waarin zij laat weten dat haar tuchtklacht ook ziet op onder meer ‘seksueel ongepast, intimiderend en seksistisch gedrag, bedreiging, manipulatie, chantage en victim blaming. We zijn geprest te zwijgen.” Bij de reactie is een brief 3 van 12 september 2021 van klaagster aan de deken gevoegd. Klaagster 3 eindigt deze brief met de zin dat haar collega niet anders kan dan de inhoud van haar tuchtklacht ook bij de deken neerleggen. 2.12 Op 22 oktober 2021 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd. Op 18 januari 2022 heeft de gemachtigde van verweerder op verzoek van de deken inhoudelijk op de aanvullende klacht van 12 september 2021 van klaagster 2 gereageerd. In deze reactie staat onder meer: “Hoewel [klaagster 2] beweert dat [klaagster 1] niet in [N] is gevestigd, althans gehuisvest, blijkt het tegendeel uit bijgevoegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (bijlage 1).” Bijlage 1 betreft het genoemde uittreksel, waarin ook het privéadres van klaagster 2 is vermeld. 2.13 Op 22 juni 2022 heeft klaagster 2 een reactie c.q. aanvulling bij de deken ingediend. In deze reactie heeft klaagster 2 een overzicht van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder opgenomen, waaronder ook misbruik van bevoegdheden door het opvragen van een uittreksel KvK met afgeschermde privéadressen. 2.14 Op 13 juli 2022 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd, waarna de deken bij brief van 2 augustus 2022 zijn visie op de klacht van klaagster 2 heeft gegeven. 2.15 Op 2 september 2022 heeft de deken de klacht doorgezonden aan de raad van discipline (zaaknummer 22-697/DH/RO). Op 25 oktober 2022 heeft mr. H zich als advocaat namens klaagster 2 gesteld. 2.16 Op 29 november 2022 heeft mr. H in een e-mail aan de raad geschreven: “Inzake bovenvermeld deel ik u hierbij namens [klaagster 2] mee dat de klacht tegen [verweerder] wordt ingetrokken.” Diezelfde dag heeft mr. H naar de gemachtigde van verweerder gestuurd: “Cliënte kiest ervoor op dit moment de klacht tegen [verweerder] in te trekken omdat zij via mij deze opnieuw en uitgebreider wenst voor te leggen aan de Deken.” 2.17 Bij brief van 5 december 2022 heeft de griffier van de raad van discipline aan mr. H en verweerders gemachtigde bevestigd dat de klacht is ingetrokken, dat de raad geen redenen van algemeen belang ziet om de klacht voort te zetten en dat het dossier wordt gesloten. 2.18 Bij brief van 23 december 2022 heeft mr. H aan de deken geschreven: “Ten aanzien van [verweerder] geldt dat ik u heb aangekondigd deze klacht nader te specificeren en aan te vullen. Ik doe dat met deze brief. Van belang is dat de klacht van [klaagster 2] nader zal worden geduid maar ook dat de klacht thans mede wordt ingediend door [klaagster 3]. (…) Gezien de grote hoeveelheid stukken waarover ik ben komen te beschikken heb ik mij in het bovenstaande beperkt tot een samenvatting van de klachten van cliënten die van belang zijn bij een verzoek aan u om zich opnieuw over deze zaak te buigen. Daarbij verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen om de bovenvermelde klachten tegen [verweerder] nader te omschrijven en onderbouwen en mogelijk uit te breiden binnen een door u te geven termijn.” 2.19 Op 27 december 2022 heeft de deken gereageerd richting mr. H: “U geeft daarbij aan nu enkel de samenvatting van de klachten te zenden en u verzoekt om een uitstel om de klachten nader te omschrijven, onderbouwen en mogelijk uit te breiden. Naar aanleiding daarvan bericht ik u dat ik dit onwenselijk acht; er is al eens een uitgebreide klachtprocedure op mijn bureau gevoerd met latere aanvullingen en forse uitbreidingen. In beginsel geldt dat ik graag zie dat een klacht duidelijk omschreven wordt en zo compleet mogelijk wordt ingediend om complicaties in het onderzoek en het verweer te voorkomen. Dit is zeker aangewezen nu de klacht ziet op een al geruime tijd achter ons liggend feitencomplex waarin zich geen ontwikkelingen meer hebben voorgedaan. Verder behoort een klacht te worden ingediend via het daartoe bestemde webformulier op onze website. Ik verzoek u daarvan gebruik te maken en de stukken compleet in te dienen, zodat de klacht vervolgens zo efficiënt mogelijk kan worden behandeld.” Verweerder en/of zijn gemachtigde hebben geen kopie van de brief van 23 december 2022 van mr. H en de reactie van 27 december 2022 van de deken ontvangen. 2.20 Begin 2023 hebben klaagsters mevrouw B (hierna: B), deskundige op het gebied van sociale veiligheid op de werkvloer, ingeschakeld, in een poging tot een oplossing te komen. 2.21 Op 20 februari 2024 hebben klaagsters 2 en 3, mede namens klaagster 1, een klacht over verweerder bij de deken ingediend. Als bijlage 61 bij de klacht is een verslag dat klaagsters eind mei 2023 voor mr. H hebben gemaakt “waarin de gang van zaken in dit traject en uitingen van verweerder zijn beschreven”. 2.22 Bij het verweer (d.d. 26 maart 2024) op de klacht is een e-mail d.d. 22 maart 2024 van B aan verweerder gevoegd waarin B onder meer heeft vermeld: “Dank voor het delen van het verslag welke door de dames zelf geformuleerd van de gesprekken die ik met jou heb gevoerd en pagina 62 en 63 van het klaagschrift dat ze tegen je hebben ingediend. (…) Ik heb ze op jouw verzoek gelezen en moet je eerlijk zeggen dat ik ook best geschrokken ben van de situatie die hier wordt geschetst. (…) Deze heb ik met beide dames gedeeld maar zeker niet op de manier waarop het nu in dit document wordt neergezet. Mijn woorden zijn verdraaid of in een andere context geplaatst en sommige dingen zijn niet gezegd. (…) Ik herken woorden maar niet de verhalen in het document – het is volledig naar hun eigen hand gezet.”
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters vragen, blijkens de klachtonderdelen op p. 38 van de klacht, een oordeel over het volgende: a) het gedrag van verweerder jegens klaagsters in zijn hoedanigheid van cliënt van klaagsters waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad (gedragsregel 9 lid 2); b) het nalaten ervoor zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin verweerder in een gegeven situatie optreedt (gedragsregel 9 lid 1); c) het verstrekken van feitelijke informatie over klaagsters waarvan verweerder weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is (gedragsregel 8), en het zich onnodig grievend uitlaten (gedragsregel 7). 3.2 Klaagsters verzoeken om een kostenveroordeling ex artikel 48ac juncto 48 lid 2 Advocatenwet. Zij verzoeken betaling van hun onkosten voor een bedrag van omstreeks € 30.000,-. Dit betreft kosten verbonden aan (hulp bij) het indienen van de klacht en alle pogingen om verweerder op zijn handelen en laten aan te spreken.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van handelen als advocaat, maar handelen in privé. Hij stelt dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover die gaan over dezelfde feiten als de eerdere klacht, gelet op de intrekking van die klacht zonder enig voorbehoud. Verder dient de klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover de gestelde feiten zijn verjaard. Verweerder betwist de door klaagsters gestelde ‘grensoverschrijdingen’ in de aan de indiening voorafgaande periode van drie jaar en stelt dat die bovendien niet serieus te nemen zijn. Hij verwijst daarbij ook naar de e-mail van 22 maart 2024 van B. Verweerder stelt ook dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. 4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Ontvankelijkheid klaagster 1 – geen rechtstreeks belang 5.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 5.2 Klaagster 1 betreft de maatschap van klaagsters 2 en 3. Hoewel het mogelijk is dat een maatschap een tuchtklacht indient, is in deze kwestie niet duidelijk geworden wat het eigen c.q. directe belang van klaagster 1 is bij de klacht tegen verweerder. Daarover is door/namens klaagster 1 niets gesteld, terwijl de klachten primair zien op handelen en/of nalaten van verweerder in relatie tot klaagsters 2 en 3. De raad ziet geen rechtstreeks belang van klaagster 1 bij de klacht en verklaart de klacht van klaagster 1 daarom niet-ontvankelijk. Ontvankelijkheid klaagster 2 – ne bis in idem/misbruik van procesrecht 5.3 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 5.4 In de kwestie tussen klaagsters en verweerder heeft klaagster 2 op 31 mei 2021 een klacht over verweerder ingediend bij de deken. Zij stelt zich op het standpunt dat die klacht nimmer is ingetrokken, althans dat zij die nimmer heeft willen intrekken en dat de klacht van 20 februari 2024 een aanvulling is op die eerste klacht. Verweerder heeft dit betwist en stelt dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat de eerste klacht is ingetrokken. 5.5 De raad is van oordeel dat de eerste klacht van klaagster 2 op 29 november 2022 definitief is ingetrokken door haar advocaat mr. H. Een beroep op een eventuele andere bedoeling bij deze intrekking van klaagster 2 kan haar niet baten. Het bericht van mr. H aan de raad kan namelijk niet anders worden opgevat dan als een ondubbelzinnige intrekking van de klacht. Door het intrekken van de klacht heeft klaagster 2 haar recht om opnieuw over hetzelfde feitencomplex te klagen, prijsgegeven. Een intrekking van een klacht betreft immers een definitieve rechtshandeling waarop niet meer kan worden teruggekomen. Dat mr. H diezelfde dag aan verweerders gemachtigde heeft laten weten dat hij de klacht opnieuw en uitgebreider wenst voor te leggen aan de deken, maakt dat niet anders. 5.6 Technisch gezien is hier geen sprake van schending van het beginsel van ne bis in idem, omdat de eerste klacht van klaagster 2 niet heeft geleid tot een uitspraak van de tuchtrechter. De raad beschouwt deze tweede klacht van klaagster 2 echter als misbruik van procesrecht; door de eerdere klacht over dezelfde feiten ondubbelzinnig in te trekken na kennisname van de dekenvisie heeft klaagster 2 bij verweerder het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat deze kwestie tuchtrechtelijk was afgewikkeld. Door toch opnieuw een tuchtklacht in te stellen over dezelfde feiten handelt klaagster 2 in strijd met de ratio van het ne bis in idem-beginsel en maakt zij misbruik van haar bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen. De raad verklaart klaagster 2 daarom niet-ontvankelijk voor zover de klacht handelen en/of nalaten van verweerder betreft dat al in de eerste klacht(procedure) aan de orde is geweest. Ontvankelijkheid klaagster 3 - tijdverloop 5.7 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 5.8 Klaagster 3 stelt dat er ten onrechte vanuit wordt gegaan dat zij voor het eerst op 20 februari 2024 heeft geklaagd. Al in de oorspronkelijke klacht van 23 mei 2021, die ook door klaagster 3 is ondertekend, wordt consequent gesproken van wij en ons. Klaagster 3 heeft bovendien op 23 juni 2021 en 12 september 2021 met de deken gecommuniceerd. Ook uit het bericht van mr. H aan de deken van 23 december 2022 volgt dat de klacht mede was ingediend door klaagster 3. Verweerder heeft dit uitdrukkelijk betwist. 5.9 De raad kan klaagster 3 hierin niet volgen. De klacht van 23 mei 2021 is de klacht die bij verweerder(s kantoor) is ingediend. De klacht bij de deken dateert van 31 mei 2021 en is (alleen) door klaagster 2 ingediend. Uit het feit dat klaagster 3 brieven naar de deken heeft gestuurd, kan niet worden afgeleid dat de klacht ook daadwerkelijk namens haar is gedaan. Zij schrijft bovendien daarin onder meer dat zij kennisnam van de stukken ‘inzake de lopende klacht van mijn collega’. De raad is dan ook van oordeel dat de eerste klacht niet door klaagster 3 is ingediend en dat klaagster 3 pas op 20 februari 2024 voor het eerst heeft geklaagd. Dit betekent dat klachten die zien op gedragingen van verweerder voor 20 februari 2021 buiten de hiervoor genoemde driejaarstermijn, en daarmee te laat zijn ingediend. 5.10 In de klacht is aangevoerd dat een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat klaagsters zijn belemmerd in hun klachtrecht op grond van een aantal zaken. De raad loopt die één voor één langs. 5.10.1 Bewustwordingsproces: In de klacht wordt allereerst gesteld dat sprake is geweest van een bewustwordingsproces, waardoor klaagster 3 in het voorjaar van 2021 redelijkerwijs bekend was met het verwijtbaar handelen en daarover kon klagen. De raad kan dat niet volgen. De Advocatenwet stelt een termijn van drie jaar waarbinnen een klacht moet worden ingediend. Dat geeft ruimte voor een bewustwordingsproces. Klaagster 3 was al in 2019/2020 bekend met het handelen/nalaten van verweerder. Er is geen sprake van dat klaagster 3 pas na afloop van die termijn bekend werd met de gevolgen van het handelen/nalaten van verweerder. Dit vormt dan ook geen grond voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. 5.10.2 Tekortkomingen tijdens en na de klachtprocedure: Nu de eerdere klacht niet door klaagster 3 is ingediend, kan zij geen beroep doen op eventuele tekortkomingen tijdens of na de klachtprocedure, nog los van de vraag of de in de klacht genoemde tekortkomingen kunnen leiden tot verschoonbaarheid van termijnoverschrijding. 5.10.3 Beweringen door verweerder, zijn gemachtigde/jurist en zijn medebestuurder in de klachtprocedure(s): Ook hiervoor geldt dat de eerdere klacht niet door klaagster 3 is ingediend. 5.10.4 Omstandigheden mr. H: Dat klaagsters ervoor hebben gekozen om eerst een traject met B in te zetten alvorens over te gaan tot het indienen van een klacht, komt voor hun rekening en risico. Ook privéomstandigheden aan de zijde van mr. H komen voor rekening en risico van klaagsters. 5.10.5 Veiligstellen termijnen: In de klacht wordt gesteld dat de termijn voor het indienen van de klacht is veilig gesteld door het telefonisch overleg van 4 november 2022, een bericht van 30 november 2022 en de e-mail van mr. H aan de deken van 23 december 2022. De raad kan dat niet volgen. De termijn voor het indienen van een tuchtklacht kan niet worden veilig gesteld door een vooraankondiging per e-mail of telefoon. De datum van de daadwerkelijke indiening van de klacht is leidend. Dat is in dit geval op 24 februari 2024. 5.10.6 Zoektocht: Nu een tuchtklacht zonder bijstand van een advocaat kan worden ingediend, is de zoektocht naar een advocaat geen grond voor verschoonbaarheid. Overigens geeft de termijn van drie jaar om een klacht in te dienen voldoende ruimte om een advocaat te zoeken. 5.11 De in de klacht genoemde zaken vormen dus geen grond om de vastgestelde termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De raad ziet daar ook anderszins geen grond voor. Klaagster 3 is dan ook te laat met haar klacht voor zover die ziet op gedragingen van verweerder voor 24 februari 2021. De klacht van klaagster 3 is voor dat deel niet-ontvankelijk. Inhoudelijk toetsingskader 5.12 De klacht van klaagsters 2 en 3 is deels niet-ontvankelijk, zoals hiervoor overwogen. Voor het deel van de klacht waarin zij wel kunnen worden ontvangen – namelijk ter zake van door verweerder sinds 20 februari 2021 verrichte gedragingen – geldt dat de klacht met name betrekking heeft op gedragingen van verweerder in de privésfeer. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn door de tuchtklacht bestreden doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Uitlatingen verweerder 5.13 Klaagsters 2 en 3 klagen over uitlatingen die verweerder tegen B heeft gedaan over klaagsters. Zij stellen dat verweerder onnodig grievend is geweest. Ter onderbouwing is bij de klacht een – door klaagsters opgesteld – verslag gevoegd van het traject met B. Verweerder heeft een en ander betwist. Bij zijn verweer is een e-mail van B aan verweerder gevoegd. De inhoud van die e-mail en het verslag van klaagsters komen niet overeen. De raad kan dan ook feitelijk niet vaststellen wat er in het traject met B is voorgevallen. De klacht op dit punt is bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond. 5.14 Klaagsters 2 en 3 klagen verder over uitlatingen van verweerder richting de school van zijn zoon. Klaagsters hebben hun klacht op dit punt toegelicht, maar niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft het verwijt betwist. De raad kan de feitelijke juistheid van de klacht daarmee niet vaststellen. Ook dit deel van de klacht is daarom ongegrond. 5.15 Klaagsters 2 en 3 maken verweerder verder diverse verwijten over door of namens hem in de klachtprocedures ingekomen stellingen en standpunten. De raad toetst bij de beoordeling daarvan aan de algemene norm van artikel 46 Advocatenwet, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De raad stelt daarbij voorop dat een advocaat een grote mate van vrijheid heeft om verweer te voeren op de wijze die hem goeddunkt, zolang dat de grenzen van de betamelijkheid niet overschrijdt. Dat is hier niet het geval. Verweerders gemachtigde heeft verweerders visie op het gebeurde weergegeven. Dat die niet overeenkomst met de visie van klaagsters, betekent niet dat die visie onjuist is. De raad heeft geen feitelijke onjuistheden geconstateerd. Gezien het langdurende geschil tussen klaagsters en verweerder is het verder niet onbegrijpelijk dat klaagsters die visie als kwetsend ervaren. De raad heeft echter geen onnodig grievende uitlatingen gezien. Niet gebleken is dat verweerder zich onnodig negatief, grof en/of grievend uitlaat over klaagsters. Het KvK-uittreksel 5.16 Klaagsters 2 en 3 klagen ook nog over het KvK-uittreksel dat door de gemachtigde van verweerder is gevoegd bij de reactie van 18 januari 2022 (in de eerste klachtprocedure). Dit uittreksel toont namelijk het privéadres van klaagsters. Klaagsters stellen dat verweerder dit uittreksel vanuit zijn hoedanigheid als advocaat heeft opgevraagd, in strijd met de voorwaarden van de KvK. 5.17 De raad verklaart de klacht van klaagster 2 op dit punt niet-ontvankelijk, vanwege misbruik van recht (zie ook hetgeen overwogen onder 5.3 t/m 5.6). Het verwijt op dit punt was onderdeel van de eerdere klacht; zij heeft dit punt aan de orde gesteld in haar reactie van 22 juni 2022. Verweerders gemachtigde heeft hier in de reactie van 13 juli 2022 op gereageerd. Klaagster 2 kan deze kwestie niet opnieuw aan de orde stellen. 5.18 Klaagster 3 heeft hier niet eerder over geklaagd en is daarom ontvankelijk op dit punt. Het verwijt ziet er echter met name op dat door het opvragen van het betreffende KvK-uittreksel het privéadres van klaagster 2 bij verweerder bekend is geworden. Het privéadres van klaagster 3 kwam (op dat moment) overeen met het vestigingsadres van de maatschap. De raad ziet daarom niet in welk redelijk belang klaagster 3 precies is geschaad. De raad overweegt daarbij dat verweerder in de procedure naar aanleiding van een tegen hem ingediende tuchtklacht optreedt als advocaat. De raad toetst zijn handelen daarom aan de eerder genoemde algemene norm van artikel 46 Advocatenwet. Verweerder mocht – als advocaat – een dergelijk uittreksel opvragen. Hij en zijn gemachtigde wensten dat te gebruiken ter onderbouwing van het verweer. Het is niet aan klaagsters om voor verweerder te bepalen wat wel en niet noodzakelijk is in het door hem te voeren verweer tegen de tuchtklacht. Dat verweerder hiermee de grenzen van de betamelijkheid te buiten is gegaan, is de raad niet gebleken. Conclusie 5.19 De raad verklaart de klacht van klaagster 1 niet-ontvankelijk vanwege een gebrek aan belang. De klacht van klaagster 2 wordt grotendeels niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht (zie 5.3 t/m 5.6 en 5.17) en voor het overige ongegrond. De klacht van klaagster 3 wordt grotendeels niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding (zie 5.7 t/m 5.11) en voor het overige ongegrond. 5.20 Gelet op deze uitkomst is voor de door klaagsters verzochte kostenveroordeling geen plaats. De raad wijst dat verzoek dan ook af.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht van klaagster 1 niet-ontvankelijk; - verklaart de klacht van klaagster 2 deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond; - verklaart de klacht van klaagster 3 deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond; - wijst het verzoek om een kostenveroordeling af.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden, W.R. Arema, A.T. Bol en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 november 2025
