Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:159

Zaaknummer

25-082/DB/OB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerster gedragsregel 9 heeft geschonden door er onvoldoende zorg voor te dragen dat er geen misverstand kon bestaan over haar hoedanigheid, noch dat zij gedragsregel 15 heeft overtreden, noch dat zij in strijd met de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid, gedragsregels 20, 21 en 26, en de goede procesorde heeft gehandeld door misbruik te maken van haar positie als advocaat van het ziekenhuis, zijnde de opdrachtgever aan B&S, door heimelijke afspraken te maken met de klachtcommissie over het opzettelijk verborgen houden van processtukken en door in het kader van de beoordeling over het al dan niet splitsen van de dossiers eerder en daarmee langduriger te beschikken over het onderzoeksdossier. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 17 november 2025

in de zaak 25-082/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over  

verweerster gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te 's-Gravenhage

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 juni 2024 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 6 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|084K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Verschenen zijn klaagster, vergezeld van haar partner de heer H, en verweerster, bijgestaan door mr. B, advocaat.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en de volgende nagekomen stukken: -    de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerster van 19 september 2025. 

1.5    De raad ziet aanleiding om de ter zitting genomen beslissing met betrekking tot de door de gemachtigde van verweerster toegezonden stukken, gelet op de reactie van (de gemachtigde van) klaagster, verder te verduidelijken. Die beslissing houdt in dat het stuk toegezonden bij e-mail van 30 september 2025 van de gemachtigde van verweerster, zijnde het arrest van het Gerechtshof Den Haag, buiten beschouwing blijft, terwijl de stukken toegezonden bij e-mail van 19 september 2025 door de gemachtigde van verweerster, zijnde een e-mailbericht van 26 januari 2025 (dat overigens al eerder aan het klachtdossier is toegevoegd) en de conclusie van de Advocaat-Generaal in de cassatiezaak van klaagster, wel worden toegestaan en daarmee aldus deel uitmaken van het klachtdossier. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) klaagster duidelijk te verstaan gegeven het daarmee niet eens te zijn. Naar alle waarschijnlijkheid heeft (de gemachtigde van) klaagster bedoeld te wijzen op het bepaalde in artikel 2.5.4 van het Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline (hierna: “Procesreglement”) waarin is bepaald dat wanneer binnen 14 dagen voor een geplande zitting wordt verzocht om uitstel en dit uitstelverzoek wordt ingewilligd, geen mogelijkheid meer bestaat om stukken in te dienen vóór de uiteindelijke zitting. De raad heeft echter steeds, gelet op het bepaalde in artikel 1.4. van het Procesreglement, de mogelijkheid om van dit Procesreglement af te wijken. De raad zag daartoe aanleiding nu er een behoorlijke tijd heeft gezeten tussen de uitgestelde zitting en de nieuwe zitting en er sprake is van een ‘nieuw’ stuk dat niet eerder door partijen in de procedure kon worden ingebracht.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster is werkzaam geweest in een ziekenhuis. Nadat klaagster zich had ziekgemeld, is er tussen haar leidinggevende mevrouw Van C en klaagsters partner, die werkzaam was bij hetzelfde ziekenhuis, een conflict ontstaan.

2.3    In november 2020 heeft klaagster zich tot de raad van bestuur van het ziekenhuis (hierna: raad van bestuur) gewend omdat zij zich onveilig voelde bij de leidinggevende. De raad van bestuur heeft klaagster geadviseerd om een melding van een misstand te doen of een klacht in te dienen bij de Klachtencommissie Medewerkers (hierna: de klachtencommissie).

2.4    In maart 2021 heeft klaagster een melding van een misstand gedaan, waarop in april 2021 is geoordeeld dat geen sprake was van een maatschappelijke misstand. Klaagster is daarop geadviseerd om een klacht in te dienen bij de klachtencommissie of aangifte te doen bij de politie.

2.5    Op 12 november 2021 heeft het ziekenhuis een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.6    Op 15 november 2021 heeft klaagster aangegeven een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie over de leidinggevende, de raad van bestuur en het lid van de raad van bestuur, de heer Z, over de onveiligheid, de afhandeling van klaagsters melding van twee aanrandingen en het beëindigingsvoorstel.

2.7    Op 16 december 2021 heeft verweerster namens het ziekenhuis voorgesteld om B&S als externe klachtencommissie in te schakelen. Op 23 december 2021 heeft klaagster daarmee onder diverse voorwaarden ingestemd, waaronder:

    “− De opdracht wordt zo breed mogelijk geformuleerd zodat B&S binnen de grenzen van de wet en de 'Klachtenregeling Medewerkers [ziekenhuis]' (hierna: klachtenregeling) al het nuttige en nodige kan doen om de klachten te onderzoeken en beoordelen, daaronder begrepen het horen van (oud- )medewerkers van [het ziekenhuis];      − De communicatie tussen alle partijen en B&S blijft open, inhoudende dat partijen elkaar kennen in alle communicatie met B&S, waaronder begrepen de formulering van de opdracht aan B&S;      − De opdracht aan B&S dient onder meer in te houden dat dit bureau bij de behandeling van de klacht de klachtenregeling volgt. Verder dienen procedurele waarborgen als hoor en wederhoor en transparantie gewaarborgd te worden.”  

2.8    Op 4 januari 2022 heeft verweerster ingestemd met de voorwaarden en is aan B&S de opdracht gegeven om op te treden als de externe klachtencommissie. Daarbij heeft verweerster onder meer geschreven:

“(…) Partijen (klager en beklaagden, althans hun gemachtigden) zullen elkaar kopieën verstrekken van berichten (schriftelijk en digitaal) aan de klachtencommissie, althans voor zover deze betrekking hebben op de inhoud van de door [klaagster] aanhangig te maken klachtenprocedure en/of de procesgang. (…)”

2.9    Op 10 januari 2022 heeft B&S de opdracht aanvaard en bevestigd zoveel mogelijk de klachtenprocedure van het ziekenhuis te zullen volgen. 

2.10    Op 22 februari 2022 heeft klaagster aangifte gedaan van twee – vermeende - aanrandingen door een voormalig bestuurslid van het ziekenhuis. De aanrandingen zouden in 2015 hebben plaatsgevonden. De politie heeft daarop de leidinggevende Van C en enkele medewerkers van het ziekenhuis gehoord.

2.11    Op 11 maart 2022 heeft klaagster haar definitieve klacht ingediend bij de klachtencommissie.

2.12    Op 14 april 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie Van C en Z uitgenodigd voor afzonderlijke hoorgesprekken op 20 mei 2022.

2.13    Op 22 april 2022 is klaagster door de klachtencommissie gehoord.

2.14    Op 16 mei 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan verweerster geschreven:

“Op 28 april hadden wij telefonisch overleg over de gesprekken van uw cliënten met de onderzoekscommissie op vrijdag 20 mei. Dit in kader van het onderzoek naar de klachten van [klaagster]. Zoals ik eerder heb aangegeven worden uw cliënten tijdens het gesprek afzonderlijk in de gelegenheid gesteld om hun kant van het verhaal te vertellen ten aanzien van de klacht. Enige tijd geleden kondigde u aan dat u voorafgaand aan het gesprek graag diverse procedurele vragen aan de voorzitter van de onderzoekscommissie zou willen stellen. Tot op heden mocht ik deze nog niet van u ontvangen. Mocht u alsnog vragen hebben, dan hoor ik het graag van u. Graag spreken wij u en cliënten a.s. vrijdag 20 mei.”  

2.15    Op 17 mei 2022 heeft verweerster namens de beklaagden schriftelijk gereageerd op de klachten. Daarbij heeft zij geschreven aan de klachtencommissie:

“Dank voor uw e-mailbericht van maandag 16 mei jl. Onder meer vanwege de omvang van het dossier en de aard van de door klaagster ingediende klachten, zend ik u namens cliënten, mevrouw [Van C] en de Raad van Bestuur, vertegenwoordigd door de heer [Z], voorafgaand aan het hoorgesprek van aanstaande vrijdag 20 mei, een eerste schriftelijke reactie op de klachten die zijn ingediend namens klaagster. In de bijlage treft u aan de schriftelijke reactie namens de Raad van Bestuur en/of de heer [Z]. Door de Commissie is besloten is dat klaagster en beklaagden afzonderlijk worden gehoord. Aangezien vertrouwelijkheid geldt, zend ik in dit stadium van de klachtprocedure geen kopie van de bijgaande brief aan de advocaat van klaagster de heer [M], met het verzoek aan de Commissie deze vertrouwelijk te behandelen. Mocht (de voorzitter van) de Commissie ten aanzien van vertrouwelijke stukken een ander standpunt innemen, dan hoor ik dat graag van u.”   

2.16    Op 18 mei 2022 heeft de secretaris van de commissie aan verweerster geschreven:

“Dank voor uw mail. Over de inhoud daarvan had ik overleg met de onderzoekscommissie. Deze laat mij weten dat uw handelswijze ten aanzien van de verspreiding van uw schriftelijke reactie correct is. U behoeft geen actie te ondernemen in de richting van de advocaat van klaagster. De commissie zelf zal te zijner tijd de regie voeren over de inzage van stukken in het kader van wederhoor.”

2.17    Op 22 mei 2022 zijn de leidinggevende en het lid van de Raad van Bestuur door de klachtencommissie gehoord. De beklaagden zijn bijgestaan door verweerster. 

2.18    Op 8 juli 2022 heeft de officier van justitie de aangifte tegen het voormalig bestuurslid geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

2.19    Op 15 juli 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie onder meer aan verweerster geschreven:

“Op verzoek van de commissie die de klachten van [klaagster] jegens uw cliënten [Van C] en [Z] onderzoekt, informeer ik u over de stand van zaken in het lopende onderzoek (…) Zodra wij de laatste akkoordverklaring ontvangen hebben, kunnen wij ons onderzoeksdossier samenstellen. Het heeft daarbij onze sterke voorkeur om het onderzoeksdossier niet te spitsen in een gedeelte dat betrekking heeft op [Van C] en een gedeelte dat betrekking heeft op [Z]. Het is nagenoeg ondoenlijk om die splitsing te maken en voor zover überhaupt al mogelijk: het zal een zeer bewerkelijk en tijdrovend proces zijn. De commissie doet u in dit kader een praktisch voorstel, inhoudende dat u als advocaat van beide beklaagden in eerste instantie zelf kennis neemt van het onderzoeksdossier zodat u zich zelf kunt vergewissen van (het ontbreken van) de noodzaak om het dossier te splitsen. Wellicht kunt u na kennisneming van het onderzoeksdossier in overleg met uw cliënten ook besluiten over nut en/of noodzaak van door uw cliënten aan de commissie voor een hoorgesprek uit te nodigen personen. (…) Een bericht met dezelfde strekking zal ik heden zenden aan de advocaat van klaagster en aan onze opdrachtgever.”

2.20    Op 4 augustus 2022 heeft verweerster aan klaagster aangekondigd dat het ziekenhuis een beëindiging van het dienstverband nastreeft. 

2.21    Op 28 augustus 2022 heeft klaagsters advocaat aan de klachtencommissie geschreven:

“(…) Bij e-mail van 4 augustus 2022 heeft de advocaat van [het ziekenhuis] aan ondergetekende medegedeeld dat [het ziekenhuis] geen andere mogelijkheid ziet dan een beëindiging van het dienstverband van cliënte na te streven. (…) Deze e-mailwisseling is in de optiek van cliënte voor uw besluitvorming van belang, nu artikel 3.1 van de klachtenregeling van [het ziekenhuis] bepaalt dat: “Het feit dat een medewerker een beroep doet op de Klachtencommissie … geen invloed [heeft] op de positie van de medewerker binnen [het ziekenhuis].” In de e-mail van 21 augustus 2022 wordt namens cliënte gevraagd naar concrete redenen waarom [het ziekenhuis] het dienstverband wenst te beëindigen, waarbij wordt opgemerkt dat de door cliënte ingediende klacht daar op grond van voornoemde bepaling niet aan ten grondslag zou mogen liggen. Aangezien in de daaropvolgende e-mail van 24 augustus 2022 van de advocaat van [het ziekenhuis] geen redenen voor het voornemen van [het ziekenhuis] worden genoemd, kan cliënte niet anders dan sterk vermoeden dat de door haar ingediende klacht aan het voornemen van [het ziekenhuis] om het dienstverband te beëindigen ten grondslag ligt. Cliënte verzoekt de klachtencommissie om, in het kader van haar taak er zorg voor te dragen dat de klachtenregeling door de daarbij betrokken partijen wordt nageleefd, te onderzoeken of de onderhavige klachtenprocedure reden is voor het voornemen van [het ziekenhuis] tot beëindiging van het dienstverband van cliënte. In de optiek van cliënte heeft de Raad van Bestuur in strijd met de gedragsregels van [het ziekenhuis], en derhalve klachtwaardig, gehandeld door haar hiervoor omschreven handelen.”

2.22    Op 29 augustus 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie gereageerd:

“Uw bijgaande brief van 28 augustus 2022 besprak ik vandaag conform uw verzoek met de leden van de onderzoekscommissie. Zij hebben zich reeds vandaag op uw verzoek beraden en vragen mij u als volgt te antwoorden:  -    De externe onderzoekscommissie heeft van de Raad van Bestuur van het [ziekenhuis] de gerichte opdracht ontvangen om onderzoek te doen naar de klachten zoals door u geformuleerd in uw klachtbrief van 11 maart 2022.  -    Het staat de commissie niet vrij om zonder nieuwe of aanvullende opdracht van de opdrachtgever nieuwe klachten of klachtonderdelen in behandeling te nemen.  -    Daarnaast merken de commissieleden op dat de [ziekenhuis]-klachtenprocedure een laagdrempelige interne procedure tussen klager en beklaagde voorschrijft die doorlopen dient te worden alvorens de klachtencommissie kan worden ingeschakeld. Het is de commissie niet duidelijk of die procedure in dit geval is doorlopen.  -    De commissie ziet thans twee mogelijkheden:  o    U verzoekt de Raad van Bestuur om de externe klachtencommissie opdracht te geven om ook de nieuwe klacht van [klaagster] te onderzoeken.  o    U verzoekt de externe klachtencommissie om zich tot de Raad van Bestuur te wenden met de vraag – daarbij verwijzend naar uw brief van 28 augustus 2022 - naar de geëigende handelswijze inzake de nieuwe klacht van [klaagster].  Graag verneem ik op korte termijn welke optie uw voorkeur heeft.”

2.23    Op 29 augustus 2022 heeft de klachtencommissie een brief (hierna: de advocatenbrief) aan verweerster gestuurd, met daarop de vermelding “Vertrouwelijk/Persoonlijk” en luidend als volgt:

“Inzake het u bekende al enige tijd lopende onderzoek naar de klachten van [klaagster] jegens twee van uw cliënten, mevrouw [Van C] en de heer [Z], kwamen wij reeds eerder het volgende overeen: wij zenden aan u in uw hoedanigheid van advocaat van beide beklaagden voorafgaand aan de te houden inzage- en wederhoor gesprekken één onderzoeksdossier toe opdat u zich kunt beraden op de vraag of u het met ons eens bent dat het niet noodzakelijk – en daarnaast zeer tijdrovend en mogelijk zelfs onmogelijk is – om twee separate onderzoeksdossiers samen te stellen. Inmiddels hebben wij alle akkoordbevindingen op de gehouden gesprekken ontvangen en is het onderzoeksdossier gereed. Het is in onze praktijk de standaard werkwijze dat wij uitsluitend inzage verschaffen in het fysieke onderzoeksdossier. Gezien uw status van advocaat en de specifieke aard van ons verzoek, is de commissie evenwel bereid om aan u het digitale dossier ter beschikking te stellen onder de volgende voorwaarden: •    U respecteert dat u het onderzoeksdossier in verband met de vertrouwelijkheid van het onderzoek en de ter zake geldende geheimhoudingsplicht uitsluitend ter inzage ontvangt; •    U hanteert het onderzoeksdossier in eerste instantie voor geen ander doel dan hierboven beschreven: het bepalen of het onderzoeksdossier al dan niet uitgesplist dient te worden naar twee separate dossiers. Met andere woorden: u geeft uw cliënten nog geen inzage. Inzage verleent u niet eerder dan dat wij daadwerkelijk hebben gereageerd op uw antwoord op onze vraag naar het aantal dossiers: één of twee. •    Het onderzoeksdossier dient met recht van substitutie onder uw (eind)beheer en verantwoordelijkheid te blijven; •    Het onderzoeksdossier mag uitsluitend gebruikt worden in het kader van het verweer en wederhoor c.q. de slotgesprekken in het onderhavige onderzoek; •    Behoudens in geval u over twee onderzoeksdossiers wenst te beschikken: slechts één set van het onderzoeksdossier mag geprint worden en deze mag verder niet vermenigvuldigd, gedigitaliseerd of gekopieerd worden; •    Het geprinte onderzoeksdossier mag te uwen kantore door uw cliënten onder uw toezicht en verantwoordelijkheid worden ingezien waarbij u instaat voor de vertrouwelijkheid zoals hierboven aangegeven, inclusief het verbod op enige vorm van vermenigvuldiging, daaronder inbegrepen het overschrijven of overtypen van citaten uit de gespreksverslagen; •    Het onderzoeksdossier mag niet aan derden ter inzage worden gegeven, het is uitsluitend voor u (met recht van substitutie) en uw cliënten; •    Er mogen geen aantekeningen op het onderzoeksdossier worden gemaakt; •    Het geprinte onderzoeksdossier dient aan het einde van de slotgesprekken aan de onderzoekers of de onderzoekssecretaris te worden geretourneerd en de digitale versie dient te worden gewist. (…) U heeft aan de commissie gemeld dat u na kennisneming van het onderzoeksdossier zult besluiten of uw cliënten gebruik zullen maken van het zijn recht om personen aan de commissie voor te dragen voor een hoorgesprek. Indien zulks het geval zal zijn, zullen ook van deze gesprekken verslagen worden gemaakt die zullen worden toegevoegd aan ons onderzoeksdossier. En zullen zowel klaagster als uw cliënten het recht hebben ook die verslagen in te zien en van zij wederhoor te voorzien. (…)”

2.24    Op 1 september 2022 heeft verweerster namens het ziekenhuis aan de klachtencommissie geschreven:

“(…) De redenen voor beëindiging van het dienstverband zijn bij klaagster bekend. Voor zover relevant geldt dat het indienen van de klachten bij uw commissie op geen enkele manier aan het voornemen van cliënte tot beëindiging van het dienstverband ten grondslag ligt. Cliënte verzoekt, voor zover nodig, de klachtencommissie om zich te beperken tot de opdracht die door de RvB van [het ziekenhuis] bij brief d.d. 4 januari 2022 aan de commissie is verstrekt. De brief (met bijlagen) van [klaagsters advocaat], kan naar de mening van cliënte dan ook géén onderdeel uitmaken van het onderzoeksdossier.” 

2.25    Op 2 september 2022 heeft de advocaat van klaagster een aanvullende klacht ingediend bij verweerster, met het verzoek deze door te zenden aan de secretaris van de klachtencommissie.

2.26    Op 2 september 2022 om 16.27 uur heeft verweerster ingestemd met de voorwaarden van de advocatenbrief en heeft zij deze ondertekend retour gestuurd aan de secretaris van de klachtencommissie.

2.27    Op 2 september 2022 om 16.57 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan verweerster geschreven:

“Zojuist stuurde ik u via We transfer het onderzoeksdossier [naam ziekenhuis], deze is versleuteld met het bij u bekende wachtwoord. Met het oog op de voortgang van ons onderzoek, verzoeken wij u vriendelijk om zo mogelijk op korte termijn op onze vragen te reageren gesteld in de advocatenbrief.” 

2.28    Op 6 september 2022 heeft verweerster de klachtencommissie medegedeeld dat de dossiers niet hoeven te worden gesplitst, waarbij zij om een ontvangstbevestiging heeft gevraagd zodat zij het onderzoeksdossier kon delen met haar cliënten.

2.29    Op 8 september 2022 heeft de secretaris van de klachtencommissie aan klaagsters advocaat geschreven:

“De externe commissie die onderzoek doet naar de klachten van uw cliënte [klaagster], heeft conform de strekking van onderstaande mailwisseling contact gehad met de Raad van Bestuur van het [ziekenhuis] over de positie die de commissie dient in te nemen ten aanzien van de nieuwe klachten van [klaagster] zoals door u beschreven in uw mailbericht van zondag 28 aug met drie bijlagen. De Raad van Bestuur laat de commissie weten geen toestemming aan de commissie te geven om de nieuwe klacht van [klaagster] te onderzoeken. Met andere woorden, de Raad van Bestuur ziet in de nieuwe klacht geen aanleiding om de aanvankelijk op 4 januari 2022 aan de commissie verleende gerichte opdracht uit te breiden. Dit betekent dat de commissie geen actie zal ondernemen in vervolg op uw mailbericht van 28 augustus 2022.”

2.30    Daarop heeft de advocaat van klaagster aan verweerster geschreven:

“Ik heb van u nog geen reactie ontvangen op mijn e-mail van 2 september jl. te 15.24 uur. Wel informeerde de secretaris van de externe klachtencommissie mij vandaag per e-mail dat uw cliënte geen opdracht aan [B&S] geeft om de nieuwe klacht te onderzoeken. Dit verneemt cliënte nu uit een externe bron terwijl zij dit rechtstreeks (via u) van haar werkgever had kunnen en moeten horen. Ik verzoek u mij uiterlijk morgen, 9 september, voor 17.00 uur aan te geven op welke wijze uw cliënte de nieuwe klacht wel zal behandelen.”

2.31    Op 9 september 2022 heeft verweerster aan de advocaat van klaagster geschreven:

“Naar aanleiding van uw e-mailbericht van vrijdag 2 september 2022, waarin u verzoekt om een klacht door te zenden naar de secretaris van de klachtencommissie, en naar aanleiding van uw e-mail van 8 september 2022, bericht ik u als volgt. Cliënte heeft al aangegeven dat het indienen van de klachten niet de aanleiding is voor het voornemen tot beëindiging van het dienstverband. De redenen voor het voornemen tot beëindiging van het dienstverband zijn uw cliënte bekend. Deze worden door u in uw e-mail expliciet genoemd. Het is aan de rechter om de door cliënte aan te voeren grondslagen (waaronder de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding), en de door uw cliënte aan te voeren verweren, te toetsen. Uw e-mailbericht geeft geen aanleiding tot opschorting van uitvoering van het besluit tot het starten van een ontbindingsprocedure.  Cliënte is van mening dat uw cliënte thans misbruik maakt van de klachtenregeling. De klacht zal om die reden niet worden doorgezonden.”

2.32    Op eveneens 9 september 2022 heeft verweerster namens het ziekenhuis een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Daarin is onder meer opgenomen:

“3.29. [Klaagster] kondigt in de brief van 16 november 2021 aan dat zij voornemens is klachten in te dienen jegens [Van C] en de RvB en/of [Z]. [Klaagster] heeft haar klacht ingediend in maart 2022. De RvB van [het ziekenhuis] heeft een extern bureau, [B&S], opdracht gegeven om als externe klachtencommissie de klachten te onderzoeken. De commissie zal oordelen of de klachten gegrond zijn en zal de RvB van [het ziekenhuis] adviseren, na afronding onderzoek. De klachtenprocedure is nog niet afgerond. Afhandeling van de klachten zal naar verwachting nog maanden, in ieder geval weken duren.   

3.30. De stukken uit deze klachtenprocedure worden niet overgelegd in deze procedure. Dit ontbindingsverzoek houdt geen enkel verband met de lopende klachtenprocedure. De gronden voor beëindiging van het dienstverband zijn gelegen in de gebeurtenissen die zich voor en na de brief van 16 november 2021 en/of indiening klacht hebben afgespeeld. Met andere woorden, [het ziekenhuis] dient onderhavig verzoekschrift niet in omdat [klaagster] klachten heeft ingediend. [Het ziekenhuis] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat de relatie tussen partijen ernstig en duurzaam en derhalve onherstelbaar is verstoord, wat het gevolg is van (ernstig) verwijtbaar handelen van de zijde van [klaagster]. Een zinvolle invulling van de arbeidsrelatie is niet meer mogelijk. De klachtenprocedure staat (anders dan [klaagster] stelt) niet in de weg aan het starten van een ontbindingsprocedure. De klachtprocedure laat de mogelijkheid van geschillenbeslechting door een rechter onverlet.”

2.33    Op 7 oktober 2022 hebben separate wederhoorgesprekken plaatsgevonden bij de klachtencommissie. Klaagster mocht twee uur voorafgaand aan het hoorgesprek het onderzoeksdossier bekijken.

2.34    Op 8 november 2022 heeft klaagster een verweerschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam.

2.35    Op 9 november 2022 heeft de klachtencommissie het onderzoeksrapport, gedateerd 4 november 2022, verstrekt aan klaagster en verweerster. De klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard.

2.36    Bij beschikking van 16 december 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:11027) heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2023 ontbonden.

2.37    Op 28 februari 2023 heeft klaagster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.38    Op 25 augustus 2023 heeft klaagster B&S gedagvaard, waarin zij heeft gevraagd voor recht te verklaren dat B&S door de wijze van het onderzoek en het opstellen van het onderzoeksrapport onrechtmatig jegens klaagster heeft gehandeld. Ook heeft klaagster een schadevergoeding gevorderd en intrekking van (delen van) het onderzoeksrapport.

2.39    Op 19 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de zaak tegen B&S. Bij tussenvonnis van 17 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:4445) is onder meer geoordeeld dat B&S onzorgvuldig heeft gehandeld door, in afwijking van het klachtreglement, klaagster en de beklaagden niet gelijktijdig te horen en dat:

“4.16. Gelet op de relatief forse omvang van het onderzoeksdossier en in aanmerking genomen de grote belangen die voor haar op het spel stonden, was het niet realistisch om van [eiseres] te verwachten dat zij op 7 oktober 2022 het (volgens [gedaagde] volledige) onderzoeksdossier gedurende enkele uren kwam inzien, om direct daarna mondeling adequaat en volledig te reageren op dat dossier. (…)

4.17. [eiseres] voert verder, eveneens terecht, aan dat het uitgangspunt van de klachtenregeling is dat alle stukken uit het dossier aan de betrokkenen worden verstrekt (artikel 3.9 lid 2). De advocaat van [naam 1] en [naam 2] heeft de advocaat van [eiseres] hier ook expliciet op gewezen (zie 2.8), maar volgens [eiseres] heeft deze advocaat zelf geen kopie van de schriftelijke reacties op de klachten aan [eiseres] verstrekt. Dat kan - indien feitelijk juist - [gedaagde] niet worden verweten, maar op grond van artikel 3.9 lid 2 van de klachtenregeling was [gedaagde], dat (ook) het secretariaat van de klachtencommissie voerde, gehouden om ervoor te zorgen dat partijen over en weer over dezelfde stukken konden beschikken, Dat heeft zij kennelijk niet gedaan, want [eiseres] stelt onweersproken dat de schriftelijke reacties op haar klachten door [gedaagde] niet aan haar zijn toegezonden. (…).

4.18. Ernstiger nog is het door [eiseres] terecht benadrukte gegeven dat de secretaris van de onderzoekscommissie, een medewerker van [gedaagde], de advocaat van [naam 1] en [naam 2] op 15 juli 2O22 heeft aangeschreven om te overleggen of één of twee onderzoeksrapporten zouden worden opgemaakt (zie 2.13). Daarbij is (zelfs) aangeboden om het onderzoeksdossier te verstrekken, zodat deze advocaat kon beoordelen of het wenselijk was om één of twee rapporten op te stellen. De advocaat van [eiseres] is niet bij deze discussie betrokken, laat staan dat (ook) hem is aangeboden kennis te nemen van het onderzoeksdossier, Weliswaar is in de betreffende e-mail gesteld dat een vergelijkbaar bericht aan de advocaat van [eiseres] wordt verzonden, maar uit het door [gedaagde] (naar eigen zeggen volledig) overgelegde onderzoeksdossier blijkt dat niet en (de advocaat van) [eiseres] betwist dat dit is gebeurd. Hierbij verdient opmerking dat de e-mail van 15 juli 2022 uitdrukkelijk is gericht aan de advocaat in haar hoedanigheid van raadsvrouw van [naam 1] en [naam 2] en niet (ook) in haar hoedanigheid van raadsvrouw van [naam ziekenhuis], de opdrachtgever van het onderzoek.  Hieruit volgt dat [gedaagde], zonder [eiseres] of haar advocaat daarin te kennen, met de advocaat van [naam 1] en [naam 2] heeft overlegd over de vormgeving van de rapportage en zelfs heeft aangeboden om het onderzoeksdossier te verstrekken. [Naam 3] ontkent met klem dat dit laatste daadwerkelijk is gebeurd. Gezien het feit dat de advocaat van [naam 1] en [naam 2] in haar e-mail van 6 september 2O22 expliciet om toestemming heeft gevraagd om het onderzoeksdossier met haar cliënten te delen (zie 2.15), heeft [gedaagde] op dit punt echter de schijn tegen, in ieder geval wat betreft het verstrekken van het onderzoeksdossier aan de advocaat van [naam 1] en [naam 2]. (…)

4.19. Uit het voorgaande volgt dat de door [gedaagde] geboden inzagemogelijkheid op 7 oktober 2022 niet toereikend was (zie 4.16), dat [gedaagde] in strijd met artikel 3.9 lid 2 van de klachtenregeling niet heeft gewaarborgd dat alle relevante stukken aan (in ieder geval de advocaat van) [eiseres] werden verstrekt (zie 4.17) en (zelfs) dat achter de rug van [eiseres] om met de advocaat van de beklaagden is gecorrespondeerd over de vorm van de rapportage, waarbij het onderzoeksdossier aan die advocaat is aangeboden (en mogelijk ook is verstrekt; zie 4.18). Hiermee heeft [gedaagde] het essentiële vereiste van hoor en wederhoor in ernstige mate geschonden en de bij het onderzoek betrokken partijen evident niet gelijk behandeld. Dit is onzorgvuldig en ook onrechtmatig jegens [eiseres], omdat haar hierdoor mogelijkheden zijn ontnomen om haar standpunt meer onderbouwd naar voren te brengen en adequater te reageren op de verklaringen en stellingen van anderen. (…)”

2.40    Op 6 juni 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

    1.    Verweerster heeft gedragsregel 9 geschonden door er onvoldoende zorg voor te dragen dat er geen misverstand kon bestaan over haar hoedanigheid in haar contacten met partijen waaronder B&S;     2.    Verweerster heeft gedragsregel 15 geschonden door op te treden voor partijen die tegengestelde belangen hadden in de klachtprocedure en de procedure bij de kantonrechter over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;     3.    Verweerster heeft in strijd met de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid, gedragsregels 20, 21 en 26, en de goede procesorde gehandeld door misbruik te maken van haar positie als advocaat van het ziekenhuis, zijnde de opdrachtgever aan B&S, door heimelijke afspraken te maken met de klachtencommissie over het opzettelijk verborgen houden van processtukken en door in het kader van de beoordeling over het al dan niet splitsen van de dossiers eerder en daarmee langduriger te beschikken over het onderzoeksdossier.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1     Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel 1

5.3    Klaagster verwijt verweerster dat zij in strijd met gedragsregel 9 heeft gehandeld. Gedragsregel 9 bepaalt dat de advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor zorg dient te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. Verweerster heeft opgetreden als advocaat van het ziekenhuis en als advocaat van de twee beklaagden. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster geen onduidelijkheid laten bestaan over haar hoedanigheid. Uit haar berichten volgt namelijk steeds voldoende duidelijk of zij in dat kader sprak namens het ziekenhuis of namens de twee beklaagden. Dat verweerster afwisselend heeft gereageerd namens het ziekenhuis en de beklaagden, maakt dit niet anders. Waar zij namens de twee beklaagden sprak, heeft verweerster dit in haar berichten duidelijk gemaakt, net zoals zij dat deed als zij namens (de raad van bestuur van) het ziekenhuis sprak. Klachtonderdeel 1 is op grond van het voorgaande ongegrond.

Klachtonderdeel 2

5.4    Klaagster verwijt verweerster voorts dat zij in strijd met gedragsregel 15 heeft gehandeld. Gedragsregel 15 lid 1 bepaalt dat het de advocaat niet is toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid: (1) tegelijkertijd voor meer dan één partij op te treden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben; (2) tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden. De achtergrond hiervan is dat de advocaat zich niet in de situatie dient te begeven dat dat hij in een belangenconflict met zijn (voormalige) cliënt geraakt, terwijl voorts elke (voormalige) cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie niet tegen hem kan en zal worden gebruikt.

5.5    De raad overweegt dat gedragsregel 15 beoogt (voormalige) cliënten van een advocaat te beschermen en niet een wederpartij. Klaagster is geen cliënte van verweerster (geweest) en kan daarom geen beroep doen op gedragsregel 15. Een cliënt behoort geheel vrij te zijn in de keuze van zijn advocaat, zonder inmenging van de wederpartij daarin. Voor zover sprake zou zijn van belangenverstrengeling omdat verweerster zowel het ziekenhuis als de beklaagden bijstaat, is het aan die partijen om daarover als cliënten van verweerster te klagen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen jegens klaagster is hier geen sprake. Ook klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond. 

Klachtonderdeel 3

5.6    Klaagster verwijt verweerster dat zij in strijd met de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid, gedragsregels 20, 21 en 26, en de goede procesorde heeft gehandeld door misbruik te maken van haar positie als advocaat van het ziekenhuis, zijnde de opdrachtgever van B&S, door heimelijke afspraken te maken met de klachtencommissie over het opzettelijk verborgen houden van processtukken en door in het kader van de beoordeling over het al dan niet splitsen van de dossiers eerder en daarmee langduriger te beschikken over het onderzoeksdossier.

5.7    Gedragsregel 20 gaat over het overleggen van stukken en het in het geding brengen van informatie en verwoordt het algemene uitgangspunt dat in procedures op tegenspraak, waarin de rechtsstrijd op het scherpst van de snede wordt gevoerd, een advocaat niet moet trachten ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit zijn tegenpartij. De advocaat mag niet uit het oog verliezen dat op procedures (civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of overige procedures) het beginsel van fair play van toepassing is. Voorts is het de advocaat op grond van gedragsregel 21 niet toegestaan om zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededeling te reageren.

5.8    De raad stelt vast dat het uitgangspunt van de klachtprocedure was dat partijen gelijktijdig konden beschikken over de dossiers. Dat volgt niet alleen uit de klachtregeling zelf, maar ook uit de aanvullende voorwaarden die klaagster heeft gesteld en waarmee verweerster namens het ziekenhuis heeft ingestemd. Ofschoon verweerster op grond van gedragsregel 21 in beginsel ook in deze procedure gehouden was om haar processtukken gelijktijdig aan de advocaat van klaagster te sturen, heeft verweerster naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de reactie op de klacht van 17 mei 2022 niet gelijktijdig te verstrekken aan de advocaat van klaagster. Uit de e-mail van verweerster van 17 mei 2022 maakt de raad namelijk op dat het uitgangspunt was dat partijen vertrouwelijk hun standpunt konden toelichten en dat zij ook niet in elkaars bijzijn zijn gehoord. Verweerster heeft aan de klachtencommissie gevraagd of zij correct handelde door haar reactie niet aan klaagsters advocaat te sturen. Die vraag is door de klachtencommissie bevestigend beantwoord met de mededeling dat zij regie zal voeren over de inzage in stukken. Onder deze omstandigheden kon verweerster volstaan met het geven van uitvoering aan de procedure zoals de klachtencommissie die had vormgegeven. Dat de werkwijze van de klachtencommissie nadien als onzorgvuldig is bestempeld door de rechter maakt dit niet anders. De raad is overigens niet gebleken dat verweerster heimelijke afspraken heeft gemaakt met de klachtencommissie teneinde klaagster te benadelen, noch dat verweerster haar positie heeft misbruikt.

5.9    Verder volgt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat de klachtencommissie zelf het initiatief heeft genomen om verweerster, als advocaat van de twee beklaagden, te vragen naar haar visie op de noodzaak tot het splitsen van de onderzoeksdossiers. Dat verweerster op die vraag is ingegaan valt binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid om de belangen van haar cliënten te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt. Niet gebleken is dat verweerster de voorwaarden voor het verkrijgen van die dossiers vervolgens heeft overtreden. Het bericht van 6 september 2022 bevestigt juist dat verweerster zich daaraan heeft gehouden. Dat verweerster daardoor eerder en langduriger beschikte over het dossier dan klaagster, kan verweerster niet in tuchtrechtelijke zin worden verweten. Ook hier geldt dat verweerster als advocaat van de opdrachtgever niet de (eind)verantwoordelijkheid had voor het verloop van de procedure. 

5.10    Voor zover klaagster meent dat met het voorgaande de goede procesorde en haar recht op een eerlijk proces zijn geschaad, kan dit verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten. Niet verweerster, maar de klachtencommissie voerde immers de regie over de procedure. Dat verweerster als advocaat van het ziekenhuis opdracht heeft gegeven aan B&S om een klachtencommissie samen te stellen, betekent niet dat zij daarmee de (eind)verantwoordelijkheid heeft gehad voor die procedure.

5.11    Klaagster verwijt verweerster tot slot dat zij in strijd met gedragsregel 26 heeft gehandeld. Gedragsregel 26 ziet op het doen van vertrouwelijke mededelingen door de ene advocaat aan de andere advocaat. Omdat een situatie als bedoeld in gedragsregel 26 zich in deze kwestie niet heeft voorgedaan, valt naar het oordeel van de raad niet in te zien dat verweerster in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld. Klachtonderdeel 3 is dan ook eveneens ongegrond. 5.12    De raad komt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.M. Schutte, H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 17 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 17 november 2025