Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:232
Zaaknummer
250291
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Voor de procedure die klaagster wil voeren is verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk. Het betreft een arbeidsrechtelijke procedure.
Uitspraak
Beslissing van 17 november 2025 in de zaak 250291 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klaagster heeft op 29 juli 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 5 augustus 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat bij de procedure die klaagster wil voeren geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt.
Bij het hof 1.3 Klaagster heeft op 25 augustus 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken - de repliek van klaagster - de dupliek van de deken
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft de deken verzocht om voor haar een advocaat aan te wijzen omdat zij een juridische procedure tot vergoeding van schade wil starten tegen haar werkgever wegens schending van (zoals klaagster dit omschrijft) de Wet goed werkgeverschap.
2.2 De deken heeft erop gewezen dat artikel 13 Advocatenwet alleen van toepassing is op zaken waarin bijstand door een advocaat is voorgeschreven. Klaagster wil een claim indienen bij haar voormalig werkgever. Dit betreft een vordering op grond van artikel 7:611 BW. Klaagster moet haar vordering indienen bij de kantonrechter en omdat voor een dergelijke procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt, heeft de deken het verzoek om een advocaat aan te wijzen afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft serieuze pogingen gedaan om contact te leggen met meerdere advocaten. Deze pogingen zijn echter zonder succes gebleven. Klaagster stelt dat zij nog steeds een advocaat nodig heeft om de zaak opnieuw bij de rechtbank in te dienen en de procedure voort te zetten.
3.2 In repliek heeft klaagster een stuk van de rechtbank Zwolle van 23 december 2024 ingediend en aangevoerd dat de rechtbank haar zaak heeft afgewezen omdat zij geen advocaat heeft.
Verweer 3.3 De deken heeft aangevoerd dat het feit dat er geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging in de procedure die klaagster wil voeren een gegronde reden is om het verzoek van klaagster af te wijzen.
3.4 In reactie op de repliek van klaagster heeft de deken te kennen gegeven dat in het bericht van de regelrechter Zwolle van 23 december 2024waar klaagster naar heeft verwezen, niet is opgenomen dat haar zaak door de rechtbank is afgewezen omdat zij een advocaat nodig heeft. Aldaar staat enkel dat ze een nieuw verzoek eventueel samen met een advocaat zou kunnen indienen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klaagster wil voeren verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk is. Dit omdat dit een arbeidsrechtelijke procedure betreft, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.
4.3 In reactie op het bericht van de rechtbank van 23 december 2024 dat klaagster aan het hof heeft gestuurd, heeft de deken terecht opgemerkt dat in dit bericht niet is opgenomen dat haar zaak door de rechtbank is afgewezen omdat zij een advocaat nodig heeft. De rechtbank adviseert haar een advocaat te raadplegen en eventueel samen met die advocaat een nieuw verzoek in te dienen, maar van een verplichting wordt niet gerept.
4.4 Het beklag van klaagster dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 5 augustus 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 17 november 2025.
