Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:158

Zaaknummer

25-508/DB/LI/D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. Verweerder heeft verzuimd om behoorlijk medewerking te verlenen aan het opgelegde coachingstraject en heeft de schorsingsvoorwaarden niet nageleefd door zich niet te onttrekken uit lopende zaken. Mede gelet op tuchtrechtelijk verleden: schrapping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 17 november 2025 in de zaak 25-508/DB/LI/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

deken             

over:

verweerder gemachtigde: mr E.A. Mannheims, advocaat te Amsterdam

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 31 juli 2025 met kenmerk DK25-003 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, hierna: “de deken”, tegen verweerder een dekenbezwaar bij de raad ingediend. 

1.2    Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Verschenen zijn de deken, vergezeld van mr. S van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M, advocaat.

1.3    De raad heeft kennisgenomen van: -    de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 31 juli 2025 met bijlagen; -    de e-mail van mr. M met bijlagen van 19 september 2025. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:

Tuchtrechtelijke beslissingen 2.1    Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:27) heeft de raad een bezwaar van de (toenmalige) deken gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing van de raad bij beslissing van 15 maart 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:75) bekrachtigd. Het dekenbezwaar had betrekking op meerdere tekortkomingen in verweerders praktijkvoering, waaronder ondermaatse bijstand in een alimentatiezaak, en het niet dan wel op gebrekkige wijze verlenen van medewerking aan het dekentoezicht.

2.2    Op 7 maart 2024 heeft de (toenmalige) deken een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet bij de raad ingediend. Aan het verzoek is een dekenbezwaar over de financiële situatie van verweerder ten grondslag gelegd. Ook is de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder aan het verzoek ten grondslag gelegd. De deken heeft daarbij onder meer gewezen op een klachtzaak van de heer RS, die op 18 januari 2024 door de deken aan de raad is doorgezonden, en een klachtzaak van R. Op 8 maart 2024 heeft de heer RS zijn klacht ingetrokken. 

2.3    De raad heeft verweerder bij beslissing van 2 april 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:49) op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk geschorst.

2.4    Bij beslissing van 27 mei 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:74) heeft de raad besloten tot ambtshalve voortzetting van de klacht van de heer RS tegen verweerder, overeenkomstig artikel 47a van de Advocatenwet. Daarbij is bepaald dat de deken als klager zal worden aangemerkt.

2.5    Bij beslissing van 24 juni 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:79) heeft de raad een klacht over de kwaliteit van verweerders dienstverlening deels gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van schrapping opgelegd. 

2.6    Op 5 augustus 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:236) heeft het hof de beslissing van de raad op het verzoek tot schorsing ex artikel 60ab Advocatenwet bekrachtigd. Wel heeft het hof de getroffen voorlopige voorzieningen vernietigd. 

2.7    Op 1 oktober 2024 heeft verweerder een verzoek gedaan tot opheffing van de schorsing. Bij beslissing van 5 november 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:154) heeft de raad het verzoek tot opheffing afgewezen. Daarbij heeft de raad onder meer overwogen:

“4.2 De raad stelt voorop dat de deken aan zijn verzoek ex art. 60ab Advocatenwet ook een drietal (in behandeling zijnde) klachten van cliënten van verzoeker ten grondslag heeft gelegd. Deze klachten zijn door de raad (mede) ten grondslag gelegd aan de aan verzoeker opgelegde schorsing, zoals blijkt uit de rechtsoverwegingen 2.3 en 5.5 in de beslissing van de raad. De klachten waren aan de raad voorgelegd en de raad hoefde dan ook geen termijn ex artikel 60ab lid 5 van de Advocatenwet in het dictum van de beslissing op te nemen.”  

2.8    Bij beslissing van 28 oktober 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:143) heeft de raad de ambtshalve voortgezette klacht grotendeels gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van schrapping opgelegd. Verweerder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. 

2.9    Bij beslissing van 4 november 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:153) heeft de raad een op 7 mei 2024 ingediend dekenbezwaar ongegrond verklaard. In dit dekenbezwaar verweet de deken verweerder dat hij de schorsingsvoorwaarden niet had nageleefd doordat hij in dagvaardingsexploiten was vermeld als advocaat en gemachtigde en doordat hij de advocatenpas niet had ingeleverd. De raad heeft verweerder gevolgd in zijn verweer dat vermelding van de term “advocaat” op een van de exploiten berustte op een vergissing en dat de deurwaarder de term “gemachtigde” uit eigen beweging op de andere twee exploiten had vermeld. Verder heeft de raad geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat verweerder de fysieke pas ten tijde van het verzoek om deze in te leveren in zijn bezit had noch dat hij de fysieke pas nog altijd in zijn bezit zou hebben, zodat het verwijt dat verweerder niet had voldaan aan het verzoek om de pas in te leveren niet gegrond kon worden verklaard. 

2.10    Bij beslissing van 17 januari 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:12) heeft het hof de beslissing van de raad van 24 juni 2024, waarbij de klacht deels gegrond werd verklaard, vernietigd, voor zover daarbij aan verweerder de maatregel van schrapping werd opgelegd. Het hof heeft aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 8 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd. Aan deze voorwaardelijke schorsing heeft het hof de bijzondere voorwaarde van het volgen van een coachingstraject verbonden. Het Hof heeft in dat verband overwogen:

“7.14 Omdat een deel van de verwijten die verweerder kunnen worden gemaakt in zijn behandeling van het dossier van klager reeds zijn meegenomen in de beslissing van het hof van 15 maart 2024, is hier een schrapping van het tableau niet op zijn plaats. Dat neemt niet weg dat ook met betrekking tot de verwijten waarover nog niet eerder was beslist, moet worden geoordeeld dat verweerder ernstig is tekortgeschoten in de bijstand en advisering van klager en dat hij onvoldoende heeft gecommuniceerd. Alles bij elkaar genomen volgt uit het voorgaande dat er reeds enige tijd een verontrustend beeld bestaat bij de kwaliteit van de praktijkvoering van verweerder. Het hof ziet daarom aanleiding om ook in deze zaak een forse maatregel op te leggen. Het hof acht een schorsing van 16 weken aangewezen. Daarvan worden 8 weken voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar, als stok achter de deur.  

7.15 Het hof heeft hierbij meegewogen dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat hij inmiddels heeft ingezien dat hij zijn praktijk anders moet inrichten, dat hij opdrachtbevestigingen in de dossiers moet opnemen en dat hij beter moet communiceren met cliënten (toevoeging hof: en zijn volledige medewerking moet verlenen aan het toezicht van de deken). Mede gelet op de ook bij het hof gerezen twijfels over de geschiktheid van verweerder zal het hof – zoals door verweerder zelf is voorgesteld – aan de maatregel de bijzondere voorwaarde van een op kosten van verweerder te volgen coachingstraject verbinden. Verweerder dient zich te realiseren dat hem hiermee een laatste kans wordt geboden om zijn loopbaan in de advocatuur voort te zetten.  

7.16 Het hof zal daarbij de volgende bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de schorsing verbinden:  

1. Verweerder dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag nadat het onvoorwaardelijke deel van de schorsingen eindigen;  

2. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerder gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt; ook dient daarin te worden opgenomen op welke wijze verweerder de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.  

3. Verweerder dient dit coachingstraject te volgen en te voltooien.”

2.11    Bij beslissing van 17 januari 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:11) heeft het hof de beslissing van de raad van 6 mei 2024, waarbij het dekenbezwaar gegrond werd verklaard, vernietigd, voor zover daarbij aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken werd opgelegd. Het hof heeft aan verweerder een schorsing van 26 weken, waarvan 13 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd. Ook aan deze voorwaardelijke schorsing heeft het hof de bijzondere voorwaarde van het volgen van een coachingstraject verbonden. 

2.12    Bij beslissing van 4 april 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:58) heeft het hof verweerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van 5 november 2024. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen:

“4.1 (…) In artikel 60ae Advocatenwet is dan ook bepaald dat de op grond van artikel 60ab opgelegde schorsing van rechtswege vervalt zodra de beslissing in de (verwante) tuchtprocedure, in kracht van gewijsde is gegaan.  

4.2 Op het dekenbezwaar op grond waarvan het ernstig vermoeden is gerezen, is bij beslissing van het hof van 17 januari 2025 onherroepelijk beslist. Aan verzoeker is een schorsing opgelegd voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk. Op grond van artikel 60ae Advocatenwet is daarmee de 60ab-schorsing van verzoeker van 2 april 2024 van rechtswege vervallen op 17 januari 2025, zodat verzoeker geen belang meer heeft bij onderhavig hoger beroep tegen de beslissing van de raad van 5 november 2024. Tijdens de zitting van het hof heeft verzoeker uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard dat zijn (resterende) belang in het handhaven van dit hoger beroep uitsluitend erin gelegen is dat schriftelijk komt vast te staan dat de 60ab-schorsing is komen te vervallen. Dit belang levert naar het oordeel van het hof echter geen rechtens te respecteren belang op bij een beoordeling van de hoger beroepsgronden tegen de beslissing van de raad. Het hof zal verzoeker vanwege het ontbreken van enig belang dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.”  

2.13    Bij beslissing van 10 juli 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:108) heeft de raad verweerder op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk geschorst.

2.14    Bij beslissing van 18 augustus 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:161) heeft het hof een op 11 maart 2025 door verweerder ingediend verzoek tot herziening van de onder 2.11 genoemde beslissing van het hof deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

2.15    Bij beslissing van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:206) heeft het hof de beslissingen van de raad van 27 mei 2024 en van 28 oktober 2024 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, verstaan dat de door de raad ambtshalve voortgezette klacht geen behandeling meer behoeft.

2.16    Bij beslissing van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:211) heeft het hof de hierboven onder 2.13 genoemde beslissing van de raad van 10 juli 2025 op het 60ab-verzoek vernietigd en de schorsing met onmiddellijke ingang opgeheven. 

Onttrekkingen op grond van schorsing 2.17    Nadat de raad verweerder bij beslissing van 2 april 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:49) op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk had geschorst, heeft de deken op 2 april 2024 aan verweerder een e-mail gestuurd, waarbij gevoegd een brief met de schorsingsvoorwaarden. In deze brief is onder meer vermeld:

“Het is u verboden de titel van advocaat te voeren. U dient in dit verband in ieder geval voor het volgende zorg te dragen:

- U dient zich te onttrekken als advocaat in procedures bij Rechtbank, Hof en Hoge Raad en als gemachtigde in sector-kantonzaken en sector-bestuursrechtzaken.(…)”

- Als gevolg van de schorsing dient u uw advocatenpas en die van uw eventuele gemachtigde(n) op het Bureau van de Orde in te leveren voordat de schorsing aanvangt. (…)”

2.18    Op 21 januari 2025 heeft de deken aan verweerder geschreven:

“Op vrijdag 17 februari jl. [bedoeld is: januari, RvD] ontving ik van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht het signaal dat in drie van de zaken die aldaar op uw naam aanhangig zijn, zich nog geen nieuwe advocaat heeft gemeld. (…) Voor de goede orde wijs ik u erop dat, ook wanneer uw schorsing op grond van artikel 60ab Advocatenwet vervalt, u nog steeds (onvoorwaardelijk) geschorst bent als advocaat. Op grond van de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 15 maart 2024 in de zaak 230092D is er sprake van een onvoorwaardelijke schorsing van 4 weken. Op grond van de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 17 januari 2025 met zaaknummer 240156 bent u vervolgens (onder andere) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken met ingang van 17 februari 2025. Ook volgt uit de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 17 januari 2025 met nummer 240207 dat u (onder andere) bent veroordeeld tot een onvoorwaardelijke schorsing van 8 weken met ingang van 17 februari 2025.  

Graag ontvang ik binnen één week na heden uw reactie op dit bericht van de rechtbank en aan wie en op welke wijze u de drie hiervoor genoemde zaken heeft overgedragen aan een opvolgend advocaat en wat de stand van zaken daarin is. (…)”  

2.19    Op 26 januari 2025 heeft verweerder aan een opvolgend advocaat in twee van de drie zaken geschreven:

“Begreep dat jij [de cliënt] bijstaat in een arbeidskwestie. Bij mij liep nog een omgangskwestie. In die zaak zal zich een advocaat moeten stellen. De vraag is of jij dat wil doen. Wellicht is het handig om even contact te zoeken met [de cliënt] Ik heb hem gevraagd om dat zelf ook even te doen. (…) Ik heb met [de cliënt] besproken dat hij zal bepalen of deze zaak doorgang moet vinden. Voor vragen ben ik uiteraard bereikbaar.”  

En op 27 januari 2025:

“[De cliënt] deelde mij mede dat hij de procedure omtrent de omgang in wilde trekken. Het lijkt mij goed om dat onderling ook nog even kort te sluiten, indien gewenst.”

2.20    Op 4 februari 2025 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“Met [de cliënt] heb ik toen ik bekend raakte met mijn schorsing uitvoerig gesproken over de schorsing alsook is toen afgesproken dat hij zich zou melden bij [advocatenkantoor] alwaar hij al een zaak had lopen. Ook heb ik nog veelvuldig met hem gebeld.  

Over de app heb ik hem bericht op zijn vraag wat hij nu moet doen, dat hij die advocaat moet benaderen (van [advocatenkantoor]). Vervolgens hebben wij gebeld. Daarnaast heb ik hem gevraagd of het griffierecht is betaald. Dat zou hij immers doen.  

Over de kwestie van [de derde zaak] geldt in wezen hetzelfde. Er zijn gesprekken geweest, er is gebeld en ik heb een tussenpersoon [naam] gevraagd om een nieuwe advocaat voor ze te zoeken. Inmiddels heeft [naam] zich gesteld. Hiervan zend ik bewijs mee. [De cliënt] heeft woensdag een gesprek met zijn nieuwe (/oude) advocaat.”  

2.21    Op 6 februari 2025 heeft verweerder aan de opvolgend advocaat geschreven:

“(…) Voor mijn schorsing was er een omgangsdiscussie tussen [de cliënt] en zijn ex – partner. Er is toen nog een verzoekschrift omgang ingediend. De procedure loopt nog bij de rechtbank en er heeft zich nog geen nieuwe advocaat gesteld. Omdat jij reeds iets voor [de cliënt] doet was de gedachte dat jij je eventueel kunt stellen in die procedure en die zaak vervolgens dan ook eventueel te doen.  

Van [de cliënt] heb ik begrepen dat hij de procedure (nu) niet door wenst te zetten. Dit zou betekenen dat het verzoek ingetrokken kan worden. Dit zou dus sec betekenen dat er alleen gesteld hoeft te worden en vervolgens het verzoekschrift ingetrokken. Ik kan dat zelf helaas nu niet doen. (…)”  

2.22    Diezelfde dag heeft de opvolgend advocaat gevraagd om een kopie van de toevoeging, zodat hij die kon muteren en de zaak dan op te kunnen pakken met de cliënt. Verweerder heeft daarop op 24 april 2025 gereageerd.

2.23    Bij e-mail van 24 april 2025 heeft de deken verweerder als volgt bericht:

“Van de rechtbank bereikte mij het signaal dat van een aantal zaken u nog steeds als advocaat staat geregistreerd. Er heeft zich nog geen nieuwe advocaat gesteld. Het betreft de volgende zaken:  1.    (...) 2.    (...) 3.    (...) Ik doe een dringend beroep op u er voor zorg te dragen dat in deze zaken zo spoedig mogelijk zich een andere advocaat stelt. U bent daarvoor verantwoordelijk. Ik verzoek mij binnen vijf dagen na heden, derhalve uiterlijk dinsdag a.s., te berichten.”

2.24    Bij e-mail van 27 april 2025 heeft verweerder de deken als volgt bericht:

“Ben thans op vakantie. Desondanks heb ik de opvolgende advocaat trachten te bereiken. Deze is echter ook op vakantie. Cliënt geeft ook aan dat de advocaat thans op vakantie is. Wel heeft hij de kwestie met de opvolgend advocaat doorgesproken. Zodra ik meer weet laat ik u dat weten.”

2.25    Op 28 mei 2025 heeft verweerder aan de cliënt in de twee zaken geschreven:

“Bevestig hierbij dat jij hebt aangegeven dat jouw kwestie omtrent omgang door [de opvolgend advocaat] wordt/werd overgenomen. Dit omdat jij ook al een andere zaak/andere zaken bij [de opvolgend advocaat] dan wel [advocatenkantoor] had lopen. lk heb je nog geprobeerd te bellen, maar kreeg geen gehoor. Mocht je wensen dat een andere advocaat de zaak afwikkelt dan moet je dat doorgeven dan kan ik daarin eventueel nog een rol spelen. Overigens begreep ik dat de zaak bij de rechtbank geen doorgang behoeft te vinden aangezien de omgang thans naar tevredenheid is geregeld. In wezen hoeft dus alleen aan de rechtbank gemeld te worden dat de zaak wordt ingetrokken dan wel dat de huidige omgangsregeling wordt vastgelegd. Maar dat is uiteraard aan jou. lk ga ervan uit een en ander zo correct te hebben weergegeven. Mocht dit anders zijn dan verneem ik graag.”  

2.26    Bij e-mail van 2 juni 2025 heeft verweerder de deken als volgt bericht:                 “Hierbij gaan de mails van bevestiging van de opvolgend advocaat alsook de bevestiging aan de heer [R] zelf. Daarnaast heb ik persoonlijk alsook telefonisch met de heer [R] gesproken. Daarnaast heb ik de heer [R] bericht per whatsapp dat hij de advocaat moet benaderen en heeft hij mij teruggestuurd dat [S] (lees: de opvolgend advocaat) mij zou bellen. Daarnaast heb ik meerdere voiceberichten van cliënt waarin hij aangeeft dat het opgelost zou worden waaronder de mededeling dat hij komende woensdag een afspraak had met de opvolgende advocaat.  

2.27    Op 3 juni 2025 heeft de deken desgevraagd van de rechtbank Limburg vernomen dat verweerder nog in twee zaken gesteld staat als advocaat. Daarop heeft de deken diezelfde dag aan verweerder geschreven:

“Een check bij de rechtbank leert dat de volgende zaken nog steeds op uw naam staan: (…) U ben sedert 2 april 2024 geschorst. Het is meer dan ernstig dat wij heden nog hierover moeten communiceren. U voldoet niet aan de schorsingsvoorwaarden. Deze overtreding kan niet zonder gevolgen blijven. Ik doe een dringend beroep op u om de registratie in voornoemde zaak te laten aanpassen zodat u niet meer als raadsman staat genoteerd. Ik verneem graag zo spoedig mogelijk van u doch uiterlijk binnen één week na heden.”  

2.28    Verweerder heeft daarop diezelfde dag gereageerd onder verwijzing naar zijn e mailcorrespondentie met de opvolgend advocaat. Diezelfde dag heeft verweerder aan de rechtbank geschreven:

“In zake opgemelde zaken (…) sta ik nog altijd als advocaat vermeld. lk ben thans geschorst, zoals u waarschijnlijk zult weten, zodat ik deze zaak thans niet meer behandel en ook niet kan behandelen. Kunt u mij als gemeld advocaat van de zaak afhalen? lk ben derhalve op dit moment niet meer de advocaat van [de cliënt] en ik treed niet meer op in deze zaak. Dit kan momenteel ook niet.”

2.29    Op 10 juni 2025 heeft de griffie van de rechtbank bevestigd dat verweerder in de administratie is verwijderd als advocaat van de cliënt.

 

Coachingstraject

2.30    Op 14 maart 2025 heeft mr. S, die door verweerder is aangezocht als coach, een coachingsplan opgesteld. Verweerder heeft het coachingsplan op 17 maart 2025 aan de deken voorgelegd.

2.31    Op 21 maart 2025 heeft de deken aan verweerder geschreven:

“(…) De persoon van de coach  

Wij hebben eerder gesproken over de persoon van de coach. Ik ben er van overtuigd dat mr. [S] een prima coach zal zijn. Uw expertise echter ligt, voor zover ik dat kan beoordelen, op het gebied van het personen- en familierecht. Het is dan ook geraden dat een coach op dat gebied geverseerd is. Voor zover ik kan beoordeling is mr. [S] niet in het bijzonder thuis in het rechtsgebied personen- en familierecht. Ik verzoek u dan ook een coach te zoeken met die expertise en die tevens werkzaam is binnen een kantoor met ten minste vijf advocaten. (…) Ik stel voor dat u uw onderzoek naar een aan te stellen coach voortzet. Mocht u een geschikte coach hebben gevonden die voldoet aan de eisen en die bereid is op voormeld format u te coachen, wil ik graag kennis met hem maken om een aantal praktische zaken af te spreken, waaronder de frequentie van de verslaglegging.”  

2.32    Bij e-mail van 22 maart 2025 heeft verweerder de deken bericht dat hij het standpunt van de deken begrijpt en verder zal zoeken naar een coach. Ook heeft verweerder de deken gevraagd om toch akkoord te geven voor de aanstelling van mr. S als coach. 

2.33    Bij e-mail van 27 maart 2025, met als bijlage een reactie van mr. S op het e-mailbericht van de deken van 21 maart 2025, heeft verweerder de deken nogmaals gevraagd om zijn standpunt ten aanzien van de geschiktheid van mr. S als coach te heroverwegen.

2.34    Bij e-mail van 31 maart 2025 heeft de deken verweerder als volgt bericht: “(…) mr. [S] heeft zich niet geregistreerd in het rechtsgebiedenregister voor personen- en familierecht. Dat is voor mij aanleiding om te twijfelen of hij in staat is u inhoudelijk te coachen nu u op dat rechtsgebied actief bent. Mr. [S] stelt thans dat hij wel op het betreffende rechtsgebied over voldoende deskundigheid zou beschikken om uw werk inhoudelijk te beoordelen. Met name in genoemd rechtsgebied is het in uw praktijk fout gegaan als ik naar de klachten kijk. U moet ook zelf overtuigd zijn dat mr. [S] u deskundig kan coachen. U betaalt immers zijn declaraties en u moet door zijn coaching ook kwalitatief beter worden. Dat is per slot van rekening het doel van de coaching. (…) Ik geef u ernstig in overweging om na te gaan of mr. [S] wel de beste keuze is gezien zijn registratie. Tegen het einde van de lopende schorsingen heb ik graag een fysiek overleg bij mij op kantoor met de door u gekozen coach en u om het traject nader in te vullen en tot nadere afspraken te komen.”

2.35    Bij e-mail van 12 mei 2025 heeft verweerder aan de deken gevraagd om een gesprek in te plannen met mr. S als beoogd coach. Op 20 mei 2025 hebben de deken en verweerder een bespreking ingepland voor 23 juni 2025. 

2.36    Op 30 mei 2025 heeft mr. S een verslag opgesteld, waarin hij verklaart dat hij een peer review heeft afgenomen bij verweerder op 15 mei 2025 en daarbij onder meer heeft voldaan aan de voorwaarde “De gereviewde advocaat en de reviewer zijn werkzaam op hetzelfde rechtsgebied of rechtsgebieden”. 

2.37    Bij e-mail van 6 juni 2025 heeft verweerder een door mr. S opgesteld coachingsplan aan de deken toegestuurd en aan de deken gevraagd of dit coachingsplan de goedkeuring van de deken kon dragen.

2.38     Bij e-mails van 10 juni 2025 heeft de deken aan verweerder bericht voornemens te zijn een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet tegen verweerder in te dienen en dat het op 23 juni 2025 geplande gesprek evenals een oordeel van de deken over het coachingsplan zou worden opgeschort. 

2.39    Op 17 juni 2025 heeft de deken een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet tegen verweerder ingediend. 

2.40     Op 23 juni 2025 heeft, ondanks de eerdere opschorting, toch een gesprek (via ZOOM) plaatsgevonden tussen de deken en de stafjurist van het Bureau van de Orde enerzijds en verweerder en mr. M anderzijds. 

2.41    Het 60ab-verzoek verzoek is behandeld ter zitting van de raad van 7 juli 2025. Ter zitting van de raad heeft de deken verklaard dat naar zijn oordeel mr. S niet voldoet als coach omdat hij niet werkzaam is op het gebied van het personen- en familierecht. 

2.42    De raad heeft het 60ab-verzoek bij beslissing van 10 juli 2025 (zie hierboven onder 2.13) toegewezen en verweerder met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk geschorst.

2.43    Op 31 juli 2025 heeft de deken tegen verweerder een dekenbezwaar ingediend. 

 

3    BEZWAAR

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende: Verweerder heeft verzuimd om behoorlijk medewerking te verlenen aan het opgelegde coachingstraject en heeft de schorsingsvoorwaarden niet nageleefd.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING  

Toetsingskader

5.1    De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a lid 1 Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77).

 

Beoordeling

5.2    Onttrekking uit procedures

De deken verwijt verweerder in de eerste plaats dat hij de schorsingsvoorwaarden niet heeft nageleefd doordat hij zich niet heeft onttrokken uit alle lopende procedures. De raad stelt voorop dat de deken op 2 april 2024 verweerder nadrukkelijk heeft geïnformeerd over de voorwaarden van zijn schorsing. Verweerder wist dan wel behoorde te weten dat het hem verboden was de titel van advocaat te voeren en dat hij zich met bekwame spoed diende te onttrekken als advocaat in alle lopende procedures. 

5.3    Daarenboven heeft de correcte naleving van de schorsingsvoorwaarden door verweerder ter discussie gestaan bij de behandeling van het op 7 mei 2024 ingediende dekenbezwaar. In die procedure is de brief van de deken van 2 april 2024 expliciet aan de orde geweest en aldus nogmaals onder verweerders aandacht gebracht. Toch is verweerder ook toen niet in actie gekomen. 

5.4    Het verweer van verweerder dat hij dacht dat de cliënt (of diens nieuwe advocaat) het zelf wel zou regelen, snijdt geen hout. Verweerder wist of behoorde te weten dat hij als advocaat zelf de verantwoordelijkheid droeg voor de onttrekking uit alle lopende procedures. Verweerder had dus zelf op of kort na 2 april 2024 voor onttrekking moeten zorgdragen. Verweerder heeft dit niet gedaan. Pas na drie reprimandes van de deken (op 21 januari 2025, 24 april 2025 en 3 juni 2025) heeft verweerder de rechtbank op 3 juni 2025 bericht dat hij zich wenste te onttrekken. 

5.5    Het behoeft geen toelichting dat het handelen in strijd met deze schorsingsvoorwaarden, zeker gedurende een dermate lange periode, in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dat de betreffende cliënt hierdoor geen schade of hinder zou hebben ondervonden, zoals verweerder heeft gesteld, maakt dit niet anders. De uit de tuchtrechtelijke beslissingen volgende schorsingsvoorwaarden waren helder, maar verweerder lijkt zich aan die jegens hem gegeven tuchtrechtelijke beslissingen weinig gelegen te laten liggen.

5.6    Coachingstraject

Het voorgaande geldt ook voor het coachingstraject dat verweerder moet doorlopen. Het hof heeft bij beslissing van 17 januari 2025 bepaald dat verweerder voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken dient voor te leggen. Bij e-mail van 21 maart 2025 heeft de deken uitdrukkelijk aan verweerder medegedeeld dat de door verweerder aangezochte coach, mr. S, onvoldoende geschikt was omdat hij niet werkzaam is op het terrein van het personen- en familierecht. De raad acht dat geen onredelijke eis van de deken. Vast staat immers dat verweerder meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld wegens ondermaatse bijstand op juist het terrein van personen- en familierecht. Het hof heeft in de beslissing van 17 januari 2025 twijfels geuit over de geschiktheid van verweerder en heeft overwogen dat “er reeds enige tijd een verontrustend beeld bestaat bij de kwaliteit van de praktijkvoering van verweerder”. In dat licht is het naar het oordeel van de raad begrijpelijk dat de deken niet heeft ingestemd met de aanstelling van mr. S, die niet is geregistreerd op het gebied van personen- en familierecht. 

5.7    Aan verweerder moet worden toegegeven dat de deken, ondanks zijn aanvankelijke weigering om goedkeuring te verlenen aan de aanstelling van mr. S, in zijn e-mail van 31 maart 2025 en de daarop volgende correspondentie toch de deur op een kier heeft gezet om met verweerder van gedachten te wisselen over de geschiktheid van mr. S als coach. Dat verweerder van die door de deken geboden ruimte gebruik heeft gemaakt acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 

5.8    Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het 60ab-verzoek op 7 juli 2025 heeft de deken echter (nogmaals) expliciet verklaard dat naar zijn oordeel mr. S niet voldoet als coach, omdat hij niet werkzaam is op het gebied van het personen- en familierecht. Het had dan ook vanaf 7 juli 2025 op de weg van verweerder gelegen om op grond van de op hem rustende verplichting tot naleving van de door het hof bij beslissing van 17 januari 2025 gestelde voorwaarde op zoek te gaan naar een andere (geschikte) coach.  Ter zitting van de raad heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij dit niet heeft gedaan. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder het aanzoeken van een geschikte coach teveel op zijn beloop heeft gelaten. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. 

5.9    De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij heeft verzuimd om behoorlijk medewerking te verlenen aan het opgelegde coachingstraject en doordat hij de schorsingsvoorwaarden niet heeft nageleefd. Het dekenbezwaar is dan ook gegrond. 

 

6    MAATREGEL

6.1    Gelet op de ernst van het aan verweerder gemaakte tuchtrechtelijk verwijt en zijn antecedentenlijst ziet de raad het beeld van een advocaat die ervan blijk geeft zich onvoldoende bewust te zijn van voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving en die zich onvoldoende rekenschap geeft van de belangen die daarmee worden gediend. Waar het hof in de beslissing van 17 januari 2025 heeft benadrukt dat verweerder zich dient te realiseren dat hem een laatste kans werd geboden om zijn loopbaan in de advocatuur voort te zetten, kan het in de onderhavige zaak vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder zich niet laat sturen door het tuchtrecht. Dit alles brengt de raad tot het oordeel dat verweerder niet thuis hoort in de advocatuur en dat de maatregel van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is.

 

7    KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

    a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en     b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het dekenbezwaar gegrond;    

-    legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, die ingaat op de tweede werkdag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.M. Schutte, H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 17 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 17 november 2025