Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:157
Zaaknummer
25-616/DB/LI/D
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar doordat hij heeft verzuimd om zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn afwezigheid wegens vakantie, ook voor de deken niet goed bereikbaar was en geen gevolg heeft gegeven aan herhaalde informatieverzoeken van de deken en met de deken gemaakte afspraken. Verder is de (financiële) continuïteit van verweerders praktijk niet gewaarborgd en is in het e-mailadres en de URL van de website die verweerders kantoor gebruikt, het woord “advocaten” vermeld terwijl verweerder een solopraktijk heeft. Mede gelet op tuchtrechtelijk verleden: schorsing 12 weken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 17 november 2025 in de zaak 25-616/DB/LI/D
naar aanleiding van het bezwaar van:
deken
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief aan de raad van 11 september 2025 met kenmerk DK25-005 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, hierna: “de deken”, tegen verweerder een dekenbezwaar bij de raad ingediend.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Verschenen zijn de deken, vergezeld van mrs. S en P van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, en verweerder.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van: - de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 11 september 2025 met bijlagen; - de e-mail van verweerder met bijlage van 27 september 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het bezwaar van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:
2.1 Verweerder heeft een eenmanskantoor. In het e-mailadres en de URL van de website die verweerders kantoor hanteert, is de term “advocaten” vermeld.
2.2 Op 1 juli 2022 heeft de deken een bezwaar ingediend tegen verweerder omdat hij gedurende meerdere jaren als enig bestuurder van de stichting derdengelden alleen/zelfstandig bevoegd was geweest en omdat hij had gebankierd met de bankrekening van de stichting derdengelden. Bij beslissing van 19 december 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:172) heeft de raad het dekenbezwaar gegrond verklaard aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, opgelegd. De raad heeft ter zake de opgelegde maatregel onder meer overwogen:
“ Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het advies van de deken, om de financiële administratie van zijn kantoor uit te besteden aan een accountant, ter harte neemt.”
2.3 In februari 2025 heeft de Belastingdienst ten laste van verweerder beslag gelegd vanwege een openstaande Belastingschuld van verweerder.
2.4 Op 19 februari 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van mevrouw L, een cliënte van verweerder. Mevrouw L heeft bij de deken aangegeven dat het haar niet lukte om contact te krijgen met verweerder. Mevrouw L heeft afschriften van de per Whatsapp aan verweerder verzonden berichten aan de deken gestuurd, waaruit blijkt dat zij op 10 januari en 6 februari 2025 contact heeft gezocht met verweerder en dat de berichten door verweerder zijn gelezen, maar niet beantwoord. De deken heeft daarop -eveneens tevergeefs- telefonisch contact gezocht met verweerder op het in BAR vermelde telefoonnummer, dat echter niet meer in gebruik was. De deken heeft vervolgens contact opgenomen met verweerders waarnemer, mr. B, die hem een ander telefoonnummer heeft gegeven. De deken heeft verweerder op dat telefoonnummer wel kunnen bereiken. Verweerder heeft bij de deken aangegeven dat mevrouw L hem niet had kunnen bereiken omdat hij met vakantie was.
2.5 Uit de kengetallen 2022-2023 blijkt dat in het jaar 2022 sprake was van een omzet van € 113.717,00 en een netto winst van € 65.919,00 en dat in het jaar 2023 sprake was van een omzet van € 57.290,00 en een netto winst van € 31.448,00.
2.6 Op 5 april 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van mr. S, advocaat. Dit signaal hield in dat de Belastingdienst voornemens was om op 10 april 2025 de inboedel van verweerder te veilen. De Belastingdienst heeft ter zake een belastingschuld van verweerder beslag gelegd op verweerders inboedel.
2.7 Op 7 april 2025 heeft de deken telefonisch contact opgenomen met verweerder. De deken heeft verweerder verzocht om hem diezelfde week schriftelijk te informeren over de stand van zaken en een oplossing.
2.8 Vlak voor de aangekondigde veiling heeft de Belastingdienst het beslag opgeheven, na een door verweerders familie verstrekte lening. De veiling heeft aldus geen doorgang gevonden. Verweerder heeft de uit hoofde van de lening bestaande schuld niet op de balans opgenomen.
2.9 Bij brief van 15 april 2025 heeft verweerder de deken geïnformeerd dat de belastingschuld € 90.000,00 bedroeg en dat sprake was van een openstaande vordering op een cliënt van € 125.000,00.
2.10 Bij e-mail van 16 april 2025 heeft de deken op de brief van verweerder gereageerd met onder meer de mededeling dat hij was geschrokken van de inhoud van verweerders brief omdat de (financiële) continuïteit van de praktijk van verweerder allesbehalve was gewaarborgd. De deken heeft verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 17 april 2025.
2.11 Op 17 april 2025 heeft een gesprek tussen de deken en verweerder plaatsgevonden. Bij e-mail van dezelfde dag heeft de deken de met verweerder gemaakte afspraken als volgt bevestigd:
“Zoals zojuist besproken op mijn kantoor ontvang ik graag de navolgende stukken van u: - Een inzicht in het overleg met de Belastingdienst aan de hand van de gevoerde correspondentie tot en met de aanzegging van de veiling en de afgelasting daarvan; het verloop van de schuld tot aan de totstandkoming van de veiling; - Een beschrijving van het ontstaan van de vordering van € 125.000,00 aan de hand van correspondentie en eventueel gesloten overeenkomsten; hoe deze is opgebouwd, wanneer deze is ontstaan en waar deze specifiek betrekking op heeft. Een tijdslijn graag; - De jaarrekening van 2024; - Een actueel zakenoverzicht. Graag ontvang ik deze stukken binnen een week na heden van u.”
2.12 Bij brief van 24 april 2025 heeft verweerder de deken nader geïnformeerd over de openstaande vordering op de cliënt. Verweerder heeft verder toegelicht dat de belastingschuld bestond uit een coronabelastingschuld in de uitstelregeling en ontvangen naheffingsaanslagen.
2.13 De deken heeft hierop bij brief van 2 mei 2025 gereageerd dat zijn zorgen over de continuïteit van verweerders praktijk alleen maar waren toegenomen. Verder heeft de deken verweerder als volgt bericht:
“Op grond van het vorengaande verzoek ik u de volgende informatie aan mij te verstrekken: 1. Schijnbaar zijn er afspraken met de Belastingdienst gemaakt over de invordering van de schuld. Die wil ik graag zwart op wit ontvangen. Wanneer gaat de Belastingdienst over tot invordering/aanvraag van een faillissement? 2. Ik wil graag een actueel overzicht van uw crediteuren ontvangen. 3. Ik wil graag een actueel overzicht van uw lopende zaken ontvangen. Daar heb ik eerder om gevraagd (zie mijn mail van 17 april jl.) maar nog niet ontvangen. 4. Tot slot ontvang ik graag de volgende documenten die door een externe accountant zijn opgesteld: a. Een liquiditeitsprognose voor dit lopende kalenderjaar, en b. Een continuïteitsverklaring. Ik ontvang deze informatie graag uiterlijk op maandag 26 mei a.s. vóór 12.00 uur.” 2.14 Verweerder heeft niet op de verzoeken van de deken van 2 mei 2025 gereageerd. Bij e-mail van 26 mei 2025 heeft de deken verweerder verzocht om alsnog uiterlijk op 2 juni 2025 te reageren, bij gebreke waarvan een dekenbezwaar zou worden ingediend. Verweerder heeft hierop bij e-mail van 26 mei 2025 gereageerd, waarop de deken aan verweerder heeft bericht dat die reactie van verweerder niet toereikend was.
2.15 Bij e-mail van 4 juni 2025 heeft de deken een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan verweerder gestuurd.
2.16 Bij brief van 14 juni 2025 heeft verweerder de deken bericht dat hij voornemens was om de cliënt op wie hij een vordering had te dagvaarden en ten laste van deze cliënt conservatoire maatregelen te treffen. Verweerder heeft de deken informatie verstrekt over het crediteurenverloop in 2025. Verweerder heeft verder aan de deken medegedeeld:
“U vraagt verklaringen/opinie van een accountant ter zake een liquiditeitsbegroting en een continuïteitsverklaring. Ik maak geen gebruik van een accountant en heb daarmee niet de beschikking over deze gegevens c.q. standpunten.”
2.17 Bij e-mail van 18 juni 2025 heeft de deken verweerder positief geadviseerd over het leggen van beslag.
2.18 Op 1 juli 2025 heeft de deken een kantoorbezoek gebracht aan verweerder. Verweerder heeft de deken toen verteld dat hij om hem moverende redenen niet was overgegaan tot het leggen van beslag. De deken en verweerder hebben afgesproken dat verweerder de Belastingdienst binnen twee weken zou informeren over de mogelijkheid tot het voldoen van de belastingschuld. Daarnaast hebben de deken en verweerder afgesproken dat verweerder de Belastingdienst periodiek (eens per maand) een update geeft van de stand van zaken en dat hij een afschrift van de correspondentie tussen hem en de Belastingdienst aan de deken stuurt. De deken heeft de gemaakte afspraken vastgelegd in een brief aan verweerder van 3 juli 2025.
2.19 Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven, heeft de deken bij e-mail van 21 juli 2025 een herinnering aan verweerder gestuurd.
2.20 Bij brief van 23 juli 2025 heeft verweerder de Belastingdienst bericht dat hij een akkoord had bereikt met de schuldenaar, dat de schuldenaar op korte termijn een bedrag van € 20.000,00 zou voldoen, dat verweerder dit bedrag direct zou doorbetalen aan de Belastingdienst en dat de schuldenaar het restant zou betalen in september 2025. Verweerder heeft een afschrift van deze brief aan de deken gestuurd.
2.21 Omdat verdere berichtgeving van verweerder is uitgebleven, heeft de deken bij e-mails van 7 augustus, 19 augustus en 2 september 2025 herinneringen aan verweerder gestuurd. Ook heeft de deken vijfmaal tevergeefs geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met verweerder: op 7 augustus, 14 augustus, 19 augustus en tweemaal op 26 augustus 2025. Bij de tweede belpoging op 26 augustus 2025 heeft de deken de voicemail ingesproken met de mededeling dat hij zal overgaan tot rauwelijkse indiening van een dekenbezwaar bij het uitblijven van een reactie voor 27 augustus 2025. In de e-mail van 2 september 2025 heeft de deken verweerder een dekenbezwaar in het vooruitzicht gesteld.
2.22 Op 11 september 2025 heeft de deken een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend.
2.23 Op 24 september 2025 heeft verweerder aan de deken medegedeeld dat hij reeds € 48.000,00 aan de Belastingdienst had voldaan en dat hij, na ontvangst van betaling van de cliënt, naar verwachting een bedrag van € 40.000,00 zou kunnen betalen in oktober 2025.
3 BEZWAAR
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft verzuimd om zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn afwezigheid wegens vakantie;
2. De (financiële) continuïteit van verweerders praktijk is niet gewaarborgd;
3. Verweerder heeft geen gevolg gegeven aan herhaalde informatieverzoeken van de deken en met de deken gemaakte afspraken;
4. Verweerder heeft zich telefonisch onbereikbaar gehouden voor de deken op 7, 14, 19 en (tweemaal op) 26 augustus 2025;
5. In het e-mailadres en de URL van de website die verweerders kantoor gebruikt is het woord “advocaten” vermeld terwijl verweerder een solopraktijk heeft.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarde (financiële) integriteit zoals omschreven in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77).
5.2 Beoordeling
Onderdeel 1
De deken verwijt verweerder dat hij heeft verzuimd om zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn afwezigheid wegens vakantie De raad overweegt als volgt. Het behoeft geen toelichting dat de advocaat moet zorgen voor een goede bereikbaarheid en naar behoren met de cliënt moet communiceren. Als niet weersproken staat vast dat verweerder de berichten van zijn cliënte L van 10 januari en 6 februari 2025 onbeantwoord heeft gelaten en gedurende zijn vakantie niet bereikbaar was, hetgeen de cliënte ertoe bracht om contact op te nemen met de deken. De deken heeft daarop - eveneens tevergeefs - telefonisch contact gezocht met verweerder op het in BAR vermelde telefoonnummer, dat echter niet meer in gebruik was. De deken heeft vervolgens contact opgenomen met verweerders waarnemer, mr. B, die hem een ander telefoonnummer heeft gegeven. Op dat nummer heeft de deken verweerder vervolgens wel kunnen bereiken.
5.3 Uit het voorgaande blijkt dat het verwijt van de deken feitelijk juist is. Het langdurig niet beantwoorden van berichten van een cliënt en het verzuim om zorg te dragen voor een goede bereikbaarheid betamen een behoorlijk handelend advocaat niet. Onderdeel 1 van het dekenbezwaar is dan ook gegrond.
5.4 Onderdelen 2, 3 en 4
De onderdelen 2, 3 en 4 van het dekenbezwaar hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De raad stelt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen voorop dat advocaten gehouden zijn tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden en ook financieel integer moeten handelen. Een advocaat is op grond van gedragsregel 29 juncto artikel 5:20 Awb verplicht om medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is bij de uitoefening van de bevoegdheden van de deken en daartoe de benodigde informatie te verschaffen (HvD 21 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:145).
5.5 Verweerder heeft toegegeven dat hij niet heeft gereageerd op de mails van de deken van 2 mei en 7 en 19 augustus 2025 en dat de deken hem in augustus 2025 niet telefonisch heeft kunnen bereiken. Tegelijkertijd heeft verweerder gesteld dat hij de deken vanaf het eerste gesprek een volledig en waarheidsgetrouw inzicht in de staat en stand van zijn praktijk heeft gegeven en dat hij steeds stipt en afdoende heeft gecommuniceerd en in lijn met zijn informatieplicht heeft gehandeld.
5.6 De raad volgt verweerder niet in dat verweer. Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat verweerder bij herhaling niet (tijdig) heeft voldaan aan verzoeken van de deken tot het verstrekken van informatie. Op 3 juli 2025 hebben de deken en verweerder heldere afspraken gemaakt over de door verweerder aan de Belastingdienst en de deken te verstrekken informatie. Verweerder is die afspraken niet nagekomen. Verweerder heeft, eerst na een van de deken ontvangen rappel, op 23 juli 2025 een brief aan de Belastingdienst en de deken gestuurd, maar heeft vervolgens in weerwil van de gemaakte afspraken en ondanks diverse rapellen en contactpogingen van de deken, helemaal niets meer van zich laten horen. Verweerder heeft niet gereageerd op de e-mails van de deken van 7 augustus, 19 augustus en 2 september 2025 en heeft zich telefonisch onbereikbaar gehouden voor de deken op 7, 14, 19 en (tweemaal op) 26 augustus 2025. Pas nadat de deken op 11 september 2025 een dekenbezwaar had ingediend heeft verweerder (enige) informatie aan de deken verstrekt.
5.7 Met dit handelen heeft verweerder de deken structureel en op ernstige wijze in zijn toezichthoudende taak gefrustreerd. Verweerders handelen geeft blijk van een onjuiste opvatting over de toezichthoudende rol van de deken, diens bevoegdheden om toezicht uit te oefenen en van de verplichting van verweerder om daar medewerking aan te verlenen.
5.8 De raad deelt voorts de grote zorgen van de deken over de financiële continuïteit van verweerders kantoor. Verweerder heeft verklaard dat de reeds bestaande forse coronabelastingschuld in de uitstelregeling nog werd vermeerderd met –voor verweerder- onverwachte nagekomen IB-aanslagen en btw-suppleties. De door de Belastingdienst aangekondigde veiling is op het laatste moment afgewend, na een door een familielid verstrekte lening. De uit hoofde van de lening bestaande schuld heeft verweerder niet op de balans opgenomen. Verweerder heeft niet voldaan aan de verzoeken van de deken om een door een accountant opgestelde liquiditeitsprognose en continuïteitsverklaring te verstrekken. Hoewel verweerder bij gelegenheid van de behandeling van het eerdere dekenbezwaar op 7 november 2022 uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij het advies van de deken, om de financiële administratie van zijn kantoor uit te besteden aan een accountant, ter harte nam, heeft verweerder dat advies kennelijk in de wind geslagen, nu hij in zijn brief aan de deken van 14 juni 2025 heeft verklaard nog altijd geen accountant te hebben ingeschakeld. De door de deken gevraagde stukken heeft verweerder niet kunnen aanleveren. Het voorgaande kan naar het oordeel van de raad tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder zijn financiële administratie nog altijd niet op orde heeft.
5.9 Verweerder heeft enerzijds een aanzienlijke vordering op een cliënt die in moeilijkheden verkeert. Anderzijds heeft verweerder een forse schuld aan de Belastingdienst. Verweerder heeft gesteld dat de cliënt reeds een bedrag van € 30.000,00 heeft voldaan, welk bedrag verweerder direct heeft doorbetaald aan de Belastingdienst. Verweerder heeft verder gesteld dat hij verwacht in oktober 2025 een bedrag van € 105.000,00 van de cliënt te ontvangen, waarmee hij vervolgens de openstaande belastingschuld kan aflossen. Concrete aanknopingspunten voor de juistheid van verweerders stelling over de reeds verrichte betalingen en zijn stelling dat betaling van het restant daadwerkelijk op korte termijn gaat plaatsvinden heeft de raad niet, want verweerder heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit de juistheid van die stellingen blijkt. Bij die stand van zaken kan de raad niet vaststellen dat het risico op discontinuïteit van verweerders praktijk is afgewend.
5.10 Uit het voorgaande blijkt dat verweerder niet in staat blijkt om aan de op hem rustende (administratieve) verplichtingen te voldoen, dat hij zich onttrekt aan het toezicht van deken en onduidelijkheid en zorgen laat bestaan over de financiële toestand van zijn praktijk. De onderdelen 2, 3 en 4 van het dekenbezwaar zijn dan ook gegrond.
5.11 Onderdeel 5
Artikel 7.4 lid 1 Voda bepaalt dat de advocaat in zijn optreden naar buiten vermijdt dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven omtrent de wijze van praktijkuitoefening en omtrent enige vorm van samenwerking. In de Toelichting op artikel 7.4 lid 1 Voda is uiteengezet dat de advocaat zich niet misleidend mag presenteren over de wijze van praktijkuitoefening (eerste lid). Dat ziet onder meer op naamgeving van zijn kantoor.
5.12 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd met de inhoud en strekking van het bepaalde in artikel 7.4 lid 1 Voda gehandeld door met zijn eenmanskantoor gebruik te maken van een e-mailadres en URL van de website met daarin de term “advocaten”. Die term wekt namelijk de – onjuiste – suggestie dat aan verweerders kantoor meerdere advocaten zijn verbonden. Deze met artikel 7.4 lid 1 Voda strijdige praktijk levert tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zijdens verweerder op. Dat de deken hier niet eerder een punt van heeft gemaakt terwijl deze praktijk al lang bestaat en dat verweerder nimmer de intentie heeft gehad om de suggestie in het leven te roepen dat hij geen eenpitter is, maakt dit niet anders. Verweerder dient het e-mailadres en de URL van de website binnen twee weken na verzending van deze beslissing in overeenstemming te brengen met het bepaalde in artikel 7.4 lid 1 Voda. Ook onderdeel 5 van het dekenbezwaar is op grond van het voorgaande gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Uit de in de onderhavige zaak gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten blijkt dat verweerder zijn praktijkvoering niet op orde heeft. Verweerders bereikbaarheid en de communicatie met in elk geval een cliënt is onvoldoende gebleken. Verder is gebleken dat verweerder zijn (financiële) administratie niet op orde heeft en bestaan er grote zorgen over de financiële toestand van zijn praktijk.
6.2 De (financiële) integriteit van een advocaat is een belangrijke, zo niet de belangrijkste, kernwaarde van de advocatuur. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij die waarde beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelwijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover en dus op het voorkomen van twijfel aan de eerlijkheid en oprechtheid van zijn handelen. Het handelen van verweerder levert een forse schending van deze kernwaarde op.
6.3 Verweerder heeft voorts de deken ernstig belemmerd in de uitvoering van zijn taak als toezichthouder. Het enkele feit dat verweerder nog altijd niet onverkort zijn medewerking heeft verleend, is naar het oordeel van de raad als zodanig al een reden voor een zware tuchtrechtelijke maatregel.
6.4 Daarbij komt dat de onderhavige klachtzaak niet op zichzelf staat. Bij beslissing van 19 december 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:172) heeft de raad een dekenbezwaar gegrond verklaard aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk opgelegd. Ook in die zaak was schending van de kernwaarde (financiële) integriteit aan de orde.
6.5 Op grond van de aard en ernst van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder is de raad van oordeel dat een schorsing voor de duur van 12 weken de enige passende maatregel voor verweerder is.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 12 weken op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.
Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.M. Schutte, H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 17 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 november 2025
