Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:245
Zaaknummer
25-642/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat daarover al eerder onherroepelijk tuchtrechtelijk is geoordeeld en voor het overige kennelijk ongegrond.
Inhoudsindicatie
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2025 in de zaak 25-642/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 22 september 2025 met kenmerk 2487933.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 5 september 2023 heeft klager een gesprek gehad met verweerder. Zij hebben afgesproken dat verweerder klager verder zou adviseren over de niet goed lopende zorgregeling van klager met zijn dochter. Op 6 september 2023 heeft verweerder de opdrachtbevestiging aan klager gestuurd.
1.2 Verweerder heeft op 27 september 2023 namens klager een brief aan de ex-partner van klager gestuurd. Daarop is niet gereageerd.
1.3 Op 13 oktober 2023 hebben klager en verweerder afgesproken dat een kort geding zou worden gestart. Diezelfde dag werd de vrouw van verweerder onverwacht in het ziekenhuis opgenomen en is de dag daarna te vroeg bevallen. Verweerder heeft een aantal dagen in het ziekenhuis moeten doorbrengen.
1.4 Op 25 oktober 2023 heeft klager contact opgenomen met het kantoor van verweerder om te vragen naar de status van zijn dossier. Eind oktober 2023 heeft klager laten weten een klacht over verweerder in te willen dienen en de zaak over te dragen aan een ander kantoor.
1.5 Mr. S, een kantoorgenoot van verweerder, heeft telefonisch contact opgenomen met klager en zij heeft het dossier van klager opgepakt. Op 1 november 2023 heeft zij, namens verweerder, een conceptbrief aan de advocaat van de ex-partner van klager opgesteld. Op 3 november 2023 is die brief verstuurd aan de advocaat van de wederpartij.
1.6 Omdat opnieuw een reactie uitbleef, heeft mr. S op 7 november 2023 met klager afgesproken dat verweerder aan de slag zou gaan met het opstellen van de kortgedingdagvaarding. Dezelfde dag heeft verweerder een concept van de dagvaarding aan klager gestuurd.
1.7 Op woensdagochtend 8 november 2023 heeft klager zijn reactie op de conceptdagvaarding gegeven.
1.8 Op vrijdagmiddag 10 november 2023 heeft verweerder klager laten weten dat zijn reactie nog niet verwerkt was in het concept en dat hij dit de dinsdag daarop zou doen. Diezelfde dag heeft klager de opdracht tot bijstand door verweerder ingetrokken.
1.9 Op 21 december 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend. In deze zaak, bij de raad bekend onder zaaknummer 22-274/AL/NN, heeft de voorzitter op 24 juni 2024 de klacht kennelijk ongegrond geoordeeld. Klager heeft hiertegen op 30 juli 2024 buiten de termijn verzet ingediend en het verzet vervolgens op 4 oktober 2024 ingetrokken. De beslissing van de voorzitter is daarmee onherroepelijk geworden.
1.10 Op 16 april 2025 heeft klager bij de deken opnieuw een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zonder overdracht van het dossier van klager met verlof te gaan;
b) de leugens vanuit het kantoor van verweerder over het al dan niet kunnen inzien van de mailbox van verweerder;
c) een zeer belangrijke zaak niet serieus te nemen en niet te reageren waardoor een en ander onnodig is geëscaleerd.
3 VERWEER
3.1 Volgens verweerder heeft het verweten handelen niet plaatsgevonden op 16 april 2023, zoals klager op het webformulier heeft aangegeven. Ook is de klacht niet op 10 juni 2023 aan de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder voorgelegd.
3.2 Klager heeft in zijn eerdere klacht al over verweerder geklaagd en in zijn klachtformulier van 21 december 2023 onder meer geschreven: “…en meneer is zonder opgaaf van redenen met vervroegd ouderschapsverlof gegaan zonder overdracht. Terwijl er een kort geding diende te komen voor het herstellen van de omgangsregeling”. Over de klachtonderdelen a) en c) in deze nieuwe zaak is al tuchtrechtelijk onherroepelijk geoordeeld zodat klager daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.3 Klachtonderdeel b) is een nieuw verwijt. Die klacht betreft het handelen van zijn kantoor, die zou hebben gelogen over de toegang van verweerder tot zijn e-mail. Hij zou geen toegang hebben terwijl klager een dag later toch een e-mail van verweerder ontving. Dit verwijt is onduidelijk, niet gesubstantieerd en dient daarom volgens verweerder te worden afgewezen.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
Klachtonderdelen a) en c)
4.2 In de beslissing van 24 juni 2024 heeft de voorzitter geoordeeld over de daarin gemaakte verwijten van klager dat verweerder a) klager uiterst onprofessioneel te woord heeft gestaan, b) zonder opgaaf van reden met vervroegd ouderschapsverlof is gegaan en het dossier vervolgens niet heeft overgedragen en dat zijn kantoor klager zwaar in de steek heeft gelaten, waarbij verweerder niet voortvarend heeft gehandeld en het proces bewust heeft vertraagd en c) heeft geweigerd de communicatie met de advocate van de ex-partner van klager aan klager bekend te maken.
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter is klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a) en c) omdat daarover al eerder - op 24 juni 2024 - onherroepelijk tuchtrechtelijk is geoordeeld. Klager had de mogelijkheid om tegen die beslissing verzet in te stellen. Dat heeft hij aanvankelijk ook gedaan maar hij heeft zijn verzet vervolgens weer ingetrokken, waardoor genoemde beslissing van de voorzitter onherroepelijk is geworden. Klager had toen de juiste procedure moeten doorlopen en kan aldus niet met deze klachtzaak opnieuw over hetzelfde klagen.
Klachtonderdeel b)
4.4 Naar het oordeel van de voorzitter kan verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt van hetgeen zijn kantoor volgens klager heeft gedaan. In zoverre is klager in klachtonderdeel b) dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Voor zover klager verweerder daarover een verwijt maakt, is het de voorzitter niet duidelijk geworden wat dat verwijt dan inhoudt, nu klager dat niet concreet heeft gemaakt. In zoverre is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klachtonderdelen a) en c), met toepassing van artikel 47b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
klachtonderdeel b), voor zover daarin over het handelen van het kantoor van verweerder is geklaagd, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet ontvankelijk;
klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, voor het overige kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 10 november 2025
