Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:224
Zaaknummer
250086
Inhoudsindicatie
Klacht van derde. Klager verwijt verweerder dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten ten opzichte van een politieambtenaar door tegen haar uit te vallen en zich onbeschoft te gedragen. De raad heeft geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Het hof sluit zich bij dit oordeel aan. Het persoonlijke karakter van het tuchtrecht brengt mee dat alleen diegene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen. Klager is door de gestelde grievende uitlatingen niet rechtstreeks in een eigen belang getroffen. Bekrachtiging raadsbeslissing
Uitspraak
Beslissing van 10 november 2025 in de zaak 250086
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klager verwijt verweerder dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten ten opzichte van een politieambtenaar door tegen haar uit te vallen en zich onbeschoft te gedragen. De raad heeft geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Het hof sluit zich bij dit oordeel aan. Het persoonlijke karakter van het tuchtrecht brengt mee dat alleen diegene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen. Klager is door de gestelde grievende uitlatingen niet rechtstreeks in een eigen belang getroffen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-462/AL/MN) een beslissing gewezen op 10 februari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:45 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder; - een e-mail van de stafjurist van de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland van 22 augustus 2025 met bijlage, in reactie op een verzoek van de griffie van het hof van 18 augustus 2025. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 september 2025. Daar zijn de gemachtigde van klager, de politieambtenaar en de leidinggevende van de politieambtenaar verschenen. Verweerder is niet verschenen. De gemachtigde van klager heeft het standpunt van klager nader toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Mevrouw E. is politieambtenaar (hierna: de politieambtenaar).
3.3 Verweerder staat een Roemeense cliënte bij. In dat kader heeft verweerder contact met de politieambtenaar gehad over het ondertekenen van een toestemmingsformulier voor DNA-onderzoek door zijn cliënte.
3.4 Op 16 augustus 2023 moest verweerder met zijn cliënte om 11.30 uur aanwezig zijn op de rechtbank in Arnhem. Dat heeft verweerder aan de politieambtenaar doorgegeven, zodat zij niet meer naar de penitentiaire inrichting hoefde te gaan voor de ondertekening van het toestemmingsformulier.
3.5 De politieambtenaar was op 16 augustus 2023 om 11.30 uur met een collega politieambtenaar in het cellencomplex van de rechtbank in Arnhem in gesprek met de cliënte van verweerder. Toen verweerder in het cellencomplex arriveerde, werd de politieambtenaar gevraagd om met de cliënte van verweerder naar de spreekkamer te komen waar verweerder aanwezig was. Hier is vervolgens een woordenwisseling ontstaan tussen verweerder en de politieambtenaar.
3.5 Op 16 augustus 2023 heeft de politieambtenaar via een webformulier een klacht ingediend. Op het formulier heeft zij aangegeven dat zij namens de Politie Nederland het formulier heeft ingevuld.
3.6 De klacht is door de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland doorgezonden als ingediend namens de korpschef politie Oost-Nederland.
3.7 De raad heeft in zijn beslissing van 10 februari 2025 de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
3.8 Op verzoek van het hof heeft de stafjurist van de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland de indiening van de klacht nader toegelicht. Zij schrijft – voor zover hier relevant – het volgende:
“ (….) Het webformulier met de klacht is ingediend door [de politieambtenaar] op 16 augustus 2023 namens de Politie Nederland. (…) Vervolgens hebben wij klaagster verzocht om de klacht via de korpschef in te laten dienen daar zij in functie beledigd zou zijn. Dit indachtig de jurisprudentie in soortgelijke zaken waarbij de korpschef bevoegd geacht werd om klachten namens de medewerkers in te dienen. Aldus geschiedde.
Na de uitspraak van de RvD van 10 februari 2025 hebben wij [de politieambtenaar] verzocht om op eigen titel de klacht nog bij ons in te dienen. (….) In dit tweede dossier (….) staat de zaak nu voor het opstellen van een aanbiedingsbrief voor de RvD. Deze zal naar verwachting september/oktober naar de RvD gestuurd worden. (…)”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
Klager verwijt verweerder dat hij zich op 16 augustus 2023 onnodig grievend heeft uitgelaten ten opzichte van de politieambtenaar door tegen haar uit te vallen en zich onbeschoft te gedragen. Volgens klager heeft verweerder de politieambtenaar met verheven stem gevraagd of zij ‘wel door de test was gekomen’, heeft verweerder tegen haar gezegd dat zij ’een IQ van 100 had’ en dat ‘zij’ niet te vertrouwen waren. Volgens klager is de politieambtenaar tijdens dit voorval met verweerder correct gebleven, maar kon zij geen normaal gesprek met verweerder voeren. Klager verwijst hierbij naar een mutatie waarin het relaas van de politieambtenaar is opgenomen en naar een proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2023 waarin een verklaring is opgenomen van een collega van de politieambtenaar die bij de woordenwisseling tussen verweerder en de politieambtenaar aanwezig was.
5 BEOORDELING RAAD
Ontvankelijkheid klacht
5.1 De raad heeft uiteengezet dat het klachtrecht in de zin van de Advocatenwet alleen toekomt aan degene die door het beklaagde handelen of nalaten van de advocaat rechtstreeks in zijn/haar belang is of kan worden getroffen. Op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen heeft de raad vervolgens vastgesteld dat de korpschef van de politie Oost-Nederland klaagt over de wijze waarop verweerder zich op 16 augustus 2023 heeft gedragen tegenover de politieambtenaar in het cellencomplex van de rechtbank in Arnhem. De politieambtenaar heeft op de zitting bij de raad nog verklaard dat verweerder zeer onbeschoft en beledigend tegen haar was, dat zij zich door verweerder gekleineerd voelde en dat zij hier last van heeft gehad. De raad heeft vervolgens geoordeeld dat het persoonlijk karakter van het advocatentuchtrecht meebrengt dat alleen de politieambtenaar bij de deken kan klagen over de wijze waarop verweerder haar op 16 augustus 2023 heeft bejegend en te woord heeft gestaan. De korpschef van de politie Oost-Nederland mist hier een rechtstreeks eigen belang bij het verwijt dat verweerder wordt gemaakt over zijn onheuse bejegening van de politieambtenaar. Het mag zo zijn dat de politieambtenaar in dienst is van de politie en dat de korpschef, als vertegenwoordiger van de politie Oost-Nederland, wil dat politieambtenaren met respect worden behandeld, zoals ter zitting is gesteld, maar dat betekent niet dat de korpschef in dit geval een eigen klachtrecht toekomt als bedoeld in de Advocatenwet. Voor zover de korpschef met deze klacht over verweerder bedoeld heeft te klagen in het algemeen belang van de politie als organisatie heeft de korpschef de klacht onvoldoende onderbouwd, aldus de raad. 5.2 De raad tot slot geoordeeld dat de klacht, ingediend door de korpschef namens de politie Oost-Nederland, niet-ontvankelijk is en is niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de klacht.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de klacht in eerste aanleg eerst door de politieambtenaar zelf is ingediend bij de deken. Op aangeven van de deken is vervolgens de klacht nogmaals ingediend namens klager. Volgens de deken was dat de enige aangewezen weg, nu de gedraging waarover werd geklaagd zich had afgespeeld tijdens de uitoefening van de politietaak. Volgens klager is de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en had de raad wel een inhoudelijk oordeel moeten geven. De foutieve wijze van indienen kan niet aan klager of aan de politieambtenaar worden tegengeworpen.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft in zijn verweerschrift verwezen naar zijn bij de raad ingenomen standpunten.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid klacht
7.1 De tuchtrechter dient ambtshalve te toetsen of de klacht ontvankelijk is. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen. Het persoonlijke karakter van het tuchtrecht brengt mee dat alleen diegene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen (HvD 2 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:66). 7.2 Klager heeft namens de politie Oost-Nederland geklaagd over de wijze waarop verweerder zich op 16 augustus 2023 in het cellencomplex van de rechtbank in Arnhem heeft gedragen tegenover de politieambtenaar. Het hof is met de raad van oordeel dat het persoonlijk karakter van het advocatentuchtrecht meebrengt dat alleen de politieambtenaar bij de deken kan klagen over de wijze waarop verweerder haar op 16 augustus 2023 heeft bejegend en te woord heeft gestaan. Het belang van klager dat de politieambtenaar in dienst is van de politie en dat klager, als vertegenwoordiger van de politie Oost-Nederland, wil dat politieambtenaren met respect worden behandeld, is een afgeleid belang en geen rechtstreeks eigen belang. Het hof komt evenals de raad tot het oordeel dat de klacht van klager niet-ontvankelijk is en dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de klacht.
7.3 Dat de gemachtigde van klager door de deken is verzocht de klacht (alsnog) namens klager in te dienen is ongelukkig, maar is onvoldoende reden voor het hof om af te wijken van zijn vaste jurisprudentie. Inmiddels is de klacht ook door de politieambtenaar zelf ingediend, zodat haar klacht binnenkort alsnog door de raad zal worden behandeld.
Slotsom
7.4 Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 10 februari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-462/AL/MN.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 november 2025.
