Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:242

Zaaknummer

25-267/AL/GLD

Zaaknummer

25-268/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Klacht over curator en over de advocaat van de curator. Anders dan klagers is de raad van oordeel dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hoefden te vragen om informatie uit een factuur met specificaties van de eerdere advocaten van klagers te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. De toenmalige advocaten hebben de bewuste factuur met specificaties op eigen initiatief ter verificatie bij verweerster ingediend zonder aan het gebruik daarvan voorwaarden te verbinden. Klagers zelf hadden tijdens een gesprek bij de rechter-commissaris tegen het gebruik van die factuur met specificaties van hun voormalige advocaten bezwaar kunnen maken. In elk geval hadden dat zij dat binnen een redelijke termijn na ontvangst van die stukken kunnen doen. Vast staat dat klagers pas twee maanden later hun bezwaren kenbaar hadden gemaakt nadat verweerders de informatie in de dagvaarding hadden meegenomen. Naar het oordeel van de raad was deze handelwijze van verweerders in de hiervoor geschetste omstandigheden tuchtrechtelijk dan ook toelaatbaar. Klacht ook overigens ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 10 november 2025

in de zaken 25-267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD

naar aanleiding van de klachten van:

 

1

2

samen ook: klagers

gemachtigde: mr. C.W. Houtman, advocaat te Arnhem

 

over

1

verweerster in klachtzaak 25-267/AL/GLD

2

verweerder in klachtzaak 25-268/AL/GLD

samen ook: verweerders

gemachtigde: mr. A. Al Mansouri, advocaat te Nijmegen

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE IN BEIDE ZAKEN 

1.1 Op 13 augustus 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) klachten ingediend over verweerders.

1.2 Op 22 april 2025 heeft de raad de klachtdossiers met de kenmerken K 24/95 (in zaak 25‑267/AL/GLD) en K 24/93 (in zaak 25-268/AL/GLD) van de deken ontvangen.

1.3 De klachten zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klagers, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerders, bijgestaan door hun gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN IN BEIDE ZAKEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager is enig bestuurder van [A] BV (hierna ook: [A]) en [B] BV (hierna ook: [B]). Klaagster, een beheervennootschap waarvan klager enig bestuurder is, is van [A] en [B] de grootaandeelhouder.

2.2 Op [datum] heeft de rechtbank Gelderland de faillissementen van de vennootschappen [A] en [B] uitgesproken met benoeming van verweerster tot curator. Verweerder is als (toenmalige) kantoorgenoot van verweerster voor haar gaan optreden als de advocaat.

2.3 De advocaten mrs. D en P van [naam advocatenkantoor] hebben in de periode voor het faillissement van [B] bijstand verleend. Op 9 juni 2020 is door een secretaresse namens [naam advocatenkantoor] aan het kantoor van verweerster het volgende gemaild:

Middels deze dien ik een vordering in die [naam advocatenkantoor] heeft op [B]. Het betreft een totaal bedrag van € 9.224,39. De specificaties heb ik in de bijlage (*) toegevoegd. Ik verzoek u vriendelijk om deze vordering in uw administratie op te nemen en mij op de hoogte te houden van de verdere afwikkeling.

In de bijgevoegde urenspecificatie van 4 mei 2020 inzake [B] staan onder meer de volgende werkzaamheden vermeld:

van mr. D:

- op 3 april 2020:           Bestudering eigen aangifte, overleg [mr P]         0,50

                                    Telefonisch overleg met [naam cliënt]                1,00

van mr. P:

- op 7 april 2020:           Onderzoek reglementen, tel. overleg griffie en

                                    e-mail inz. behandeling eigen aangifte               0,30

- op 28 april 2020:         Div. e-mail, opstellen conceptnotulen,

                                    opdracht eigen aangifte                                    2,00

2.4 Op 1 augustus 2023 heeft verweerster klager aansprakelijk gesteld voor tekorten in de faillissementen van [A] en [B].

2.5 Op 21 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. Hierbij waren klager, de gemachtigde van klagers en verweerster aanwezig. Op 22 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klagers de factuur van 9 juni 2020 met urenspecificaties van [naam advocatenkantoor] doorgestuurd.  

2.6 In zijn e-mail van 29 mei 2024 heeft de gemachtigde van klagers aan verweerster geschreven hoe de bespreking bij de rechter-commissaris in zijn optiek was verlopen. Verder heeft hij daarin aan verweerster geschreven:

De rechter-commissaris besloot de bespreking met de mededeling dat hij procesvolmacht geeft tenzij hem binnen twee weken het bericht bereikt dat wij vruchtbaar schikkingsoverleg hebben gevoerd.

Overleg met cliënten heeft inmiddels opgeleverd dat huns inziens het stuk dat ter tafel kwam niet kan leiden tot het bewijs van een onrechtmatigde daad begaan door een van cliënten of beiden, i.e. dat hen op enig moment de overschrijding van de zogenaamde peildatum zou zijn te verwijten. Ik zal daarom namens cliënten geen schikkingsvoorstel doen in vervolg op de gevoerde bespreking.

2.7 Op 16 juli 2024 heeft verweerder namens verweerster klagers gedagvaard door betekening van de dagvaarding op het kantooradres van hun advocaat, tevens gemachtigde in deze procedure. In de dagvaarding staat, voor zover relevant in deze procedure, het volgende geschreven:

138. Het staat vast dat klaagster vanaf 1 mei 2020 aanzienlijke bedragen van [A] en [B] heeft ontvangen. [Klaagster] is uitsluitend gerechtigd tot deze bedragen indien hiervoor een juridische grondslag bestaat. De enige denkbare juridische grondslag betreft de verrekening van de ontvangen bedragen met de vordering die [klaagster] op [A] en [B] in rekening courant stelt te hebben. Dat deze verrekening niet mogelijk is op grond van artikel 54 Fw, heeft de Curator in het bovenstaande toegelicht. (…)

Goede trouw

140. [Klager] stelt verder ten onrechte dat hij op 1 mei 2020 niet wist dat de faillissementen te verwachten. Dit standpunt is onhoudbaar op basis van het enkele feit dat [klager] zijn advocaat in april 2020 al opdracht had gegeven om de eigen aangiftes voor te bereiden. [Klager] wist dan ook dat de faillissementen te verwachten waren. De Curator verwijst hiervoor naar onderstaande door de advocaat van [B] en [A] overgelegde urenspecificatie (productie 38), waaruit blijkt dat deze advocaat al in ieder geval vanaf 3 april 2002 bezig was met de eigen aangifte: (…)

2.8 Op 18 juli 2024 heeft verweerster, na daartoe op 11 juli 2024 verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag laten leggen op twee onroerende zaken die in eigendom zijn van klager. In het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag is door verweerders onder meer het volgende opgenomen:

12. De gevorderde beslagen zijn nodig ter verzekering van het verhaal door de Curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, Hierbij heeft de Curator gekozen voor een beslag op onroerende zaken, hetgeen voor [klager] en [klaagster] veel minder bezwarend is dan bijvoorbeeld derdenbeslag onder een bank.

13. Verder is van belang dat uit de kadastrale gegevens blijkt dat [klager] meer onroerend goed in eigendom heeft. De Curator verwacht echter dat de gevorderde beslagen voldoende zekerheid bieden ter dekking van de vorderingen van de Curator. Aangezien de Curator geen zekerheid heeft over de hoogte van de hypothecaire financieringen en de (executiewaarde) van de onroerende zaken, is beslag op drie onroerende zaken noodzakelijk om voldoende zekerheid te verkrijgen. Voor het geval de vordering ten opzichte van én partij afgewezen wordt, heeft de Curator er bovendien belang bij ten laste van [klager] èn [klaagster] beslag te leggen.

14. Zoals ook blijkt uit bijgaande conceptdagvaarding, verzet [klager] zich tegen de acties van de Curator en heeft hij ook de nodige verwijten richting de Curator gemaakt. Daarnaast verwijt de Curator [klager] dat hij zijn eigen belang, en dat van [klaagster], heeft laten prevaleren boven het belang van [A] en haar schuldeisers. Gezien deze opstelling van [klager] vreest de Curator dan ook dat [klager] het verhaal door de Curator zal frustreren. Bovendien heeft [klager] zich tegenover de Curator laten ontvallen dat hij zijn woning wenst te verbouwen en hiervoor financiering nodig heeft. Dit zal tot gevolg hebben dat de onroerende zaken mogelijk verder bezwaard worden. Gezien het vorenstaande is dan ook sprake voor gegronde vrees voor verduistering.

2.8 De gemachtigde van klagers heeft op 22 juli 2024 aan verweerders het volgende gemaild:

om 13:48 uur:

U hebt conservatoir beslag doen leggen op aan cliënten [klagers] in eigendom toebehorende onroerende zaken. Art 725 jo, 711 Rv verlangt daarvoor vrees voor verduistering en daar schort het bij cliënten aan.

Met de stelling dat cliënt [klager] verwijten zou maken aan het adres van de curator wordt de vrees voor verduistering niet aannemelijk gemaakt en evenmin met de stelling dat [klager] eigen belang en belang van [klaagster] zou hebben laten prevaleren boven dat van [A] en dier schuldeisers. Apert in strijd met de waarheid is de stelling dat [klager] zich jegens de curator heeft laten ontvallen dat hij zijn huis wil laten verbouwen en hiervoor een financiering nodig heeft. [Klager] heeft in een gesprek met de rechter commissaris gezegd dat hij zijn huis wil laten verbouwen maar dat hij er bij de bank geen financiering voor krijgt zolang de kwestie van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid nog loopt. Daarmee is dus uitgesloten dat de onroerende zaken mogelijk verder moeten worden bezwaard.

Voor [klaagster] geldt mutatis mutandis hetzelfde; zij heeft zich al helemaal niet uitgelaten over een door haar voorgenomen verbouwing, ook niet bij monde van haar bestuurder. Het doen beslagleggen is daarmee jegens cliënten een onrechtmatig handelen van de curator. Het is daarom dat ik de curator namens cliënten verzoek - en zo nodig sommeer- om de gelegde beslagen per ommegaande te doen opheffen, bij gebreke waarvan cliënten de curator aansprakelijk zullen houden voor door hen te lijden schade. Overigens achten zij zich vrij.

Om 15:32 uur:

U hebt cliënten [klagers] op 16 juli 2024 op mijn kantooradres doen dagvaarden.

(…) Cliënten wezen mij er op dat de dagvaarding afwijkt van een eerder toegezonden concept.

Meer in het bijzonder wezen cliënten mij op alinea 140 (139 in concept) en daar genoemde én overgelegde productie 38. Dat stuk is u door de advocaat van cliënten niet overgelegd om te dienen tot bewijs van uw stelling(en) - zoals u ten onrechte doet voorkomen - en toch gebruikt u het daarvoor. Cliënten hebben daar bezwaar tegen. U hebt de vertrouwelijkheid die heerst in de relatie van de advocaat en zijn cliënten doorbroken door kennis te nemen van én aan de rechtbank te laten zien welke werkzaamheden de advocaat ten behoeve van zijn cliënten op enig moment heeft verricht. Als u de advocaat gevraagd zou hebben om het te mogen gebruiken als bewijsstuk tegen zijn cliënten dan had het antwoord daarop zeker ontkennend geweest omdat hij anders zijn geheimhoudingsverplichting zou hebben geschonden.

(…)

Cliënten zijn er niet mee bekend dat u de advocaat hebt gevraagd om diens visie omtrent de vertrouwelijkheid van de specificatie waaruit van de aard en omvang van diens werkzaamheden valt af te leiden, zodanig zelfs dat u daarmee een van uw stellingen poogt te bewijzen. Evenmin zijn zij er mee bekend dat er door de deken bemiddeld is tussen de advocaat en u.

Aldus verzoek ik u namens cliënten om te verklaren welke rechtvaardiging er in uw ogen heeft bestaan om ten bewijze van een uwer stelling een stuk van een advocaat in te brengen. Dat het hier een specificatie van diens werkzaamheden betreft maakt het in de ogen van cliënten niet minder laakbaar juist omdat u er mee wilt bewijzen dat u nimmer kunt bewijzen als de advocaat zich aan zijn geheimhoudingsplicht houdt. Als u niet of niet genoegzaam verklaart hebt u tenminste de betreffende passages en het overgelegde stuk terug te nemen. Cliënten overwegen sowieso om te klagen want feitelijk is het kwaad al geschied.

2.10 Op 13 augustus 2024 hebben klagers een klacht over verweerster bij de deken ingediend.

2.11 Op 16 augustus 2024 heeft de gemachtigde van klagers aan [naam advocatenkantoor] geschreven:

Op dinsdag 6 augustus en gisteren 15 augustus hadden we telefonisch contact over mogelijke berichtgeving vanuit jouw kantoor aan [verweerster] als curator in de faillissementen van [B] en [A], vennootschappen waarvan [klager] bestuurder is. zou die berichtgeving er niet zijn, zo begreep ik op 6 augustus jl., liet je me gisteren weten dat [naam] toch op enig moment telefonisch contact heeft gehad met de faillissementsmedewerker [naam] van [verweerster] en haar later een briefje heeft gestuurd met aangehecht urenspecificatie van verrichte werkzaamheden. Mag ik een kopie van dat briefje?

2.12 Op 19 augustus 2024 heeft [naam advocatenkantoor]n aan de gemachtigde van klagers gemaild:

(…)

De declaraties met specificaties zijn dus (uitsluitend) door [naam] aan [kantoor van verweerders] gestuurd en (uitsluitend) met het doel de vorderingen ter verificatie in te dienen.

 

3 KLACHT IN BEIDE ZAKEN

3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerster in haar hoedanigheid van faillissementscurator en verweerder als advocaat van de curator tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) de vertrouwelijkheid te schenden;

Toelichting: Verweerders hebben in de dagvaarding van 16 juli 2024 onder randnummer 140 verwezen naar de als productie 38 overgelegde urenspecificatie van [naam advocatenkantoor]. Daaruit blijkt specifiek de door [naam advocatenkantoor] voor hun toenmalige cliënten - klagers - verrichte werkzaamheden. Verweerders hebben deze inhoudelijke informatie gebruikt om een door hen in de procedure ingenomen stelling te bewijzen, terwijl de informatie (de urenspecificatie) niet aan verweerders is overgelegd om te dienen tot bewijs van hun stelling(en) maar zij die daar toch voor gebruiken. Hiermee hebben verweerders de vertrouwelijkheid geschonden die geldt tussen de advocaat en de cliënt.

b) onjuiste informatie te verstrekken terwijl zij wisten, of behoorden te weten, dat deze informatie onjuist was;

Toelichting: Verweerder heeft namens verweerster als curator conservatoir beslag laten leggen. In strijd met de waarheid is in het beslagrekest gesteld dat sprake zou zijn van vrees voor verduistering. Klager zou tegen verweerster hebben gezegd dat hij zijn woning wilde verbouwen en daarvoor financiering nodig had. Dat is niet waar. Klager heeft tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris op 21 mei 2024 in aanwezigheid van verweerster gezegd dat, toen werd gesproken over de mogelijke consequenties van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid, hij zijn huis zou willen laten verbouwen maar dat hij er bij de bank geen financiering voor kreeg zolang de kwestie van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid nog loopt. Ditzelfde geldt voor klaagster;

c) niet doelmatig en welwillend te handelen.

Toelichting: De keuze van verweerders voor de onroerende goederen waarop zij conservatoir beslag hebben gelegd, is ondoelmatig en niet in het belang van de boedel. Zij hebben alleen maar verhypothekeerde zaken beslagen terwijl zij weten - want dat staat in het beslagrekest - dat met name klager ook andere onroerende zaken in eigendom heeft die niet verhypothekeerd zijn en waarvan de waarde de ingestelde vorderingen verre overstijgen. Bovendien is de keuze voor beslaglegging des te bezwarender voor klager omdat het vroeg of laat zijn relatie met de hypotheekhouders onder druk zet. Daarnaast is het onbetamelijk dat verweerster hetgeen dat is besproken tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris op 21 mei 2024 gebruikt om een conservatoir beslagrekest van argumentatie te voorzien. Dat is niet de bedoeling van een dergelijk gesprek.

 

4 VERWEER IN BEIDE ZAKEN

4.1 Verweerders hebben tegen de identieke klachten onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2 Uit onderzoek is verweerster gebleken dat klager in ieder geval op 1 mei 2020 wist dat [A] en [B] in zodanige toestand verkeerden dat de faillissementen te verwachten waren. Tijdens de bespreking met de rechter-commissaris op 21 mei 2024 ontkende klager dit stellig, waarna verweerster hem toen heeft geconfronteerd met de door haar ontvangen urenspecificatie van [naam advocatenkantoor]. Daaruit kon volgens verweerster worden afgeleid dat [naam advocatenkantoor] al begin april 2020 voorbereidingen troffen voor een eigen faillissementsaangifte van [A] en [B].

4.3 Verweerders betwisten door het gebruik maken van de urenspecificatie van [naam advocatenkantoor] in de procedure de vertrouwelijkheid te hebben geschonden. Niet alleen was dat geen vertrouwelijk stuk in de advocaat-cliënt relatie zodat dat ook niet onder de geheimhoudingsplicht viel. De urenspecificatie was bovendien zonder enig voorbehoud door [naam advocatenkantoor] aan verweerster verstrekt. De betreffende urenspecificatie zegt ook niets over de inhoud van de correspondentie of de inhoudelijke adviezen van de advocaten; het betreft louter feitelijke handelingen die door de advocaten zijn verricht.

Klachtonderdeel b)

4.4 Verweerders betwisten onjuiste informatie te hebben verstrekt. Klager heeft zich tijdens het gesprek van 21 mei 2024 bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van verweerster laten ontvallen dat hij zijn woning wenste te verbouwen en dat hij daarvoor financiering nodig had. Die feitelijk juiste informatie mocht verweerder namens verweerster in het beslagrekest opnemen ter onderbouwing van het standpunt dat er een vrees voor verduistering bestond.

Klachtonderdeel c)

4.5 Verweerster stelt doelmatig en welwillend te hebben gehandeld en de belangen van de faillissementsboedel naar eer en geweten te hebben behartigd. Om betaling van de vorderingen op klagers te verzekeren, heeft verweerder namens haar beslag doen leggen op twee onroerende zaken die eigendom zijn van klager. Het stond verweerders vrij om een beslagobject te kiezen. Gekozen is voor een minst bezwarend beslag voor klagers. Het is niet aan de tuchtrechter om de rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit van een beslag te beoordelen, maar aan de civiele rechter. Verweerder heeft namens verweerster nog aan klagers kenbaar gemaakt dat de beslagen zullen worden opgeheven indien vervangende zekerheid kon worden gesteld. Daaraan werd niet voldaan.

 

5 BEOORDELING IN BEIDE ZAKEN

Maatstaf in klachtzaak verweerster

5.1 De raad neemt in overweging dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van curator, blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.

5.2 De raad zal de klacht over verweerster aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Maatstaf in klachtzaak verweerder

5.4 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klagers. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

5.5 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.6 De raad zal de klacht over verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

5.7 De raad stelt vast dat klagers zich voor het eerst in de e-mail van hun gemachtigde van 22 juli 2024 hebben beroepen op de vertrouwelijkheid van de specificaties bij de factuur van hun toenmalige advocaten. In die e-mail heeft de gemachtigde van klagers de verantwoordelijkheid voor het vragen van toestemming voor gebruik van die vertrouwelijke informatie bij verweerster en [naam advocatenkantoor] gelegd. De raad volgt klagers daar niet in op grond van de volgende specifieke omstandigheden in deze zaak.

5.8 Op 9 juni 2020 heeft een secretaresse van [naam advocatenkantoor], onder verantwoordelijkheid van twee voormalige advocaten van [B], een factuur met urenspecificaties ten behoeve van verificatie van hun vordering op de failliet aan verweerster gestuurd. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat deze advocaten verweerster toen, of enig later moment, hebben verzocht om de door hun verstrekte informatie vertrouwelijk te behandelen op grond van hun geheimhoudingsplicht richting hun voormalige cliënt of dat zij aan het gebruik daarvan specifieke voorwaarden hebben verbonden.

5.9 Vast staat dat klagers, de voormalige cliënten van [naam advocatenkantoor], en hun gemachtigde tijdens het gesprek met de rechter-commissaris op 21 mei 2024 ervan op de hoogte raakten dat verweerster informatie uit de specificaties bij de factuur van [naam advocatenkantoor] van 9 juni 2020 gebruikte om haar standpunt over de peildatum te onderbouwen. Klagers hadden toen meteen tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris tegen het gebruik door verweerster van die vermeende vertrouwelijke informatie bezwaar kunnen maken. Dat dit is gebeurd, is de raad niet gebleken.

5.10 Op verzoek van de rechter-commissaris heeft verweerster de dag na het gesprek, op 22 mei 2024, de factuur met specificaties van [naam advocatenkantoor] aan de gemachtigde van klagers gemaild. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat indien klagers bezwaar hadden tegen het gebruik van die informatie door verweerster, zij binnen redelijke termijn daarna verweerster hadden bericht dat zij die informatie niet mocht gebruiken wegens de vertrouwelijkheid daarvan. Uit de stukken is de raad gebleken dat de gemachtigde namens klagers voor het eerst in een e-mail van 22 juli 2024 verweerster heeft gewezen op de vertrouwelijkheid van de door haar in de dagvaarding en als productie 38 gebruikte informatie.

5.11 Tijdens de zitting van de raad heeft de gemachtigde van klagers desgevraagd toegelicht waarom hij  verweerster niet eerder heeft aangesproken op haar vermeende schending van de geheimhoudingsplicht. Volgens de gemachtigde heeft hij direct na het gesprek bij de rechter-commissaris op 22 mei 2024 tegen klager gezegd dat hij aannam dat verweerster die vertrouwelijke advocaat-cliënt informatie niet zou gaan gebruiken in een procedure tegen zijn cliënten omdat dat volgens de regels niet was toegestaan. Hij heeft daaraan toen verder geen aandacht meer besteed omdat de rechter-commissaris partijen had opgedragen om een schikking te beproeven. Tot een schikking is het in de weken erna niet gekomen, zodat klagers in afwachting waren van de daarna door verweerders aangekondigde procedure. Op 16 juli 2024 is de dagvaarding op het kantoor van de gemachtigde van klagers betekend. Toen is door klager en hemzelf ontdekt dat bij die dagvaarding, in afwijking van de concept-dagvaarding die in aanloop naar het gesprek bij de rechter-commissaris van verweerster was ontvangen, door verweerders als productie 38 de vertrouwelijke specificaties bij de factuur van [naam advocatenkantoor] waren overgelegd. Meteen daarna heeft hij in zijn e-mail van 22 juli 2024 namens zijn cliënten tegen het gebruik daarvan bezwaar gemaakt, en verzocht om die productie terug te trekken.

5.12 Anders dan klagers is de raad van oordeel dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hoefden te vragen om de specificaties bij de factuur van [naam advocatenkantoor] te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. [naam advocatenkantoor] hebben de bewuste factuur met specificaties op eigen initiatief ter verificatie bij verweerster ingediend zonder aan het gebruik daarvan voorwaarden te verbinden. Klagers zelf hadden tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris tegen het gebruik van die factuur met specificaties van hun voormalige advocaten bezwaar kunnen maken. In elk geval hadden dat zij dat binnen een redelijke termijn na ontvangst van die stukken op 22 mei 2024 kunnen doen. Vast staat dat klagers pas twee maanden later, op 22 juli 2024, hun bezwaren kenbaar hadden gemaakt nadat verweerders de informatie in de dagvaarding hadden meegenomen. Naar het oordeel van de raad was deze handelwijze van verweerders in de hiervoor geschetste omstandigheden tuchtrechtelijk dan ook toelaatbaar. Een ander element van gewicht is dat het om een enkele urenspecificatie ging waarin geen inhoudelijk juridisch advies van de toenmalige advocaten aan klagers stond vermeld. Dat tussen hen was gesproken over een faillissementsaanvraag geeft nog geen inzicht in wat toen daadwerkelijk tussen partijen is besproken.

5.13 Naar het oordeel van de raad heeft het handelen van verweerster in haar hoedanigheid als curator aldus niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Verweerder heeft namens verweerster de factuur met specificatie van [naam advocatenkantoor] als productie bij de dagvaarding van klagers gevoegd. Dat hij daarmee de belangen van klagers onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad, is de raad niet gebleken. Klagers konden zich tegen de inhoud van productie 38 in de procedure verweren waarna de civiele rechter daarover zou oordelen, niet de tuchtrechter. Nu verweerders niet tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld, zal klachtonderdeel a) ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.14 Vast staat dat op 21 mei 2024 een gesprek heeft plaatsgevonden bij de rechter-commissaris waarbij klager en zijn gemachtigde en verweerster aanwezig waren. Gelet op de tegengestelde verklaringen over wat er toen door klager tegen de rechter-commissaris is gezegd over een verbouwing van zijn woning en daarvoor benodigde financiering, kan de raad de juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Voor de beoordeling of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moeten eerst de daaraan ten grondslag gelegde feiten  worden vastgesteld. Deze feiten kan de raad, nu aan het woord van klagers en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen.

5.15 Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de raad van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerders op grond van de hiervoor genoemde toetsingsmaatstaven geen sprake geweest. Dat betekent dat de raad klachtonderdeel b) ongegrond zal verklaren.

Klachtonderdeel c)

5.16 Uitgangspunt is dat een curator en de advocaat van die curator conservatoir beslag mogen leggen ten laste van een wederpartij. Of de beslaglegging door verweerders onder klager in dit geval onrechtmatig was, is een oordeel dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat verweerster als curator en haar advocaat hun hierboven genoemde maatstaven hebben overtreden. Niet is gebleken dat verweerster met haar keuze om tot beslaglegging onder klager over te gaan het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Zij was niet verplicht om daarin een andere keuze te maken. Dat klagers door de beslaglegging door verweerder namens verweerster onnodig of onevenredig zonder doel in hun belangen zijn geschaad, is de raad uit de stukken ook niet gebleken.

5.17 Nu verweerders in deze tuchtrechtelijk geen verwijt treffen, zal de raad ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaren.

 

BESLISSING IN BEIDE ZAKEN

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 10 november 2025