Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:241

Zaaknummer

25-266/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Klagers - een curator en haar advocaat - beklagen de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft namens zijn cliënten ook een klacht over klagers ingediend. Naar het oordeel van de raad kunnen de daarin gebruikte bewoordingen niet anders worden uitgelegd dan dat klagers leugenaars zouden zijn. Verweerder wist kort daarna dat hij met zijn ferme aantijgingen over zijn mede-advocaten fout zat, maar heeft daarvan naar het oordeel van de raad onvoldoende afstand genomen, ook niet tijdens de zitting van de raad. Verweerder had daarin pro-actiever en welwillender richting zijn collega’s moeten handelen, zeker na hun herhaalde verzoeken daartoe. Datzelfde geldt voor het onder verantwoordelijkheid van verweerder door een foute adressering doorsturen van de klacht over klaagster aan een niet betrokken advocatenkantoor. Klaagster was niet alleen niet werkzaam bij dat kantoor. Onduidelijk is ook waarom verweerder het nodig vond om die individuele klacht over klaagster onder de aandacht te brengen van een advocatenkantoor. Uitgangspunt is dat een goede beroepsuitoefening binnen de advocatuur gediend is met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder die onderlinge verhouding met klagers verstoord. Het had verweerder gesierd om zijn fouten meteen na ontdekking en zonder voorbehouden bij klagers recht te zetten. Verweerder heeft dat naar het oordeel van de raad onvoldoende oprecht gedaan. Naar het oordeel van de raad is de maatregel van waarschuwing daarom passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 10 november 2025

in de zaak 25-266/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

1

Klager

2

klaagster/curator

samen ook: klagers

 

over

 

verweerder

gemachtigde: mr. A. Lettenga, advocaat te Arnhem

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 23 augustus 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 22 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/102 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klagers en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen uit van de volgende feiten.

2.1 De heer B is enig bestuurder van [A] BV en [B] BV. [X] Beheer BV is grootaandeelhouder van [] BV en [B] BV. De heer B is ook enig bestuurder van [Y] Beheer BV.

2.2 Op [datum] heeft de rechtbank Gelderland de faillissementen van [A] BV en [B] BV uitgesproken met benoeming van klaagster tot curator. Klager is de advocaat van de curator. Verweerder is de advocaat van de heer B en [X] Beheer BV.

2.3 Advocaten mrs. D en P van [naam advocatenkantoor] hebben in de periode voor het faillissement bijstand verleend aan [B] BV. Op 9 juni 2020 is namens [naam advocatenkantoor] aan het kantoor van de curator het volgende gemaild:

Middels deze dien ik een vordering in die [naam advocatenkantoor] heeft op [B]. Het betreft een totaal bedrag van € 9.224,39. De specificaties heb ik in de bijlage (*) toegevoegd. Ik verzoek u vriendelijk om deze vordering in uw administratie op te nemen en mij op de hoogte te houden van de verdere afwikkeling.

In de bijgevoegde urenspecificatie van 4 mei 2020 inzake [B] eigen aangifte’ staan onder meer de volgende werkzaamheden vermeld:

van mr. D:

- op 3 april 2020:           Bestudering eigen aangifte, overleg [mr P]         0,50

                                    Telefonisch overleg met [naam cliënt]                1,00

van mr. P:

- op 7 april 2020:           Onderzoek reglementen, tel. overleg griffie en

                                    e-mail inz. behandeling eigen aangifte               0,30

- op 28 april 2020:          Div. e-mail, opstellen conceptnotulen,

                                     opdracht eigen aangifte                                    2,00

2.3  Op 16 juli 2024 heeft klager namens de curator de cliënten van verweerder gedagvaard op diens kantooradres.

2.4 Verweerder heeft namens zijn cliënten op 22 juli 2024 aan klagers het volgende gemaild:

om 13:48 uur:

U hebt conservatoir beslag doen leggen op aan cliënten [de heer B en [X] Beheer BV] in eigendom toebehorende onroerende zaken. Art 725 jo, 711 Rv verlangt daarvoor vrees voor verduistering en daar schort het bij cliënten aan.

Met de stelling dat cliënt [de heer B] verwijten zou maken aan het adres van de curator wordt de vrees voor verduistering niet aannemelijk gemaakt en evenmin met de stelling dat [de heer B] eigen belang en belang van [ [X] Beheer BV] zou hebben laten prevaleren boven dat van [A] BV en dier schuldeisers. Apert in strijd met de waarheid is de stelling dat [de heer B] zich jegens de curator heeft laten ontvallen dat hij zijn huis wil laten verbouwen en hiervoor een financiering nodig heeft. [De heer B] heeft in een gesprek met de rechter commissaris gezegd dat hij zijn huis wil laten verbouwen maar dat hij er bij de bank geen financiering voor krijgt zolang de kwestie van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid nog loopt. Daarmee is dus uitgesloten dat de onroerende zaken mogelijk verder moeten worden bezwaard.

Voor [[X] Beheer BV] geldt mutatis mutandis hetzelfde; zij heeft zich al helemaal niet uitgelaten over een door haar voorgenomen verbouwing, ook niet bij monde van haar bestuurder. Het doen beslagleggen is daarmee jegens cliënten een onrechtmatig handelen van de curator. Het is daarom dat ik de curator namens cliënten verzoek - en zo nodig sommeer- om de gelegde beslagen per ommegaande te doen opheffen, bij gebreke waarvan cliënten de curator aansprakelijk zullen houden voor door hen te lijden schade. Overigens achten zij zich vrij.

Om 15:32 uur:

U hebt cliënten [de heer B en [X] Beheer BV] op 16 juli 2024 op mijn kantooradres doen dagvaarden.

(…)

Cliënten wezen mij er op dat de dagvaarding afwijkt van een eerder toegezonden concept.

Meer in het bijzonder wezen cliënten mij op alinea 140 (139 in concept) en daar genoemde én overgelegde productie 38. Dat stuk is u door de advocaat van cliënten niet overgelegd om te dienen tot bewijs van uw stelling(en) - zoals u ten onrechte doet voorkomen - en toch gebruikt u het daarvoor. Cliënten hebben daar bezwaar tegen. U hebt de vertrouwelijkheid die heerst in de relatie van de advocaat en zijn cliënten doorbroken door kennis te nemen van én aan de rechtbank te laten zien welke werkzaamheden de advocaat ten behoeve van zijn cliënten op enig moment heeft verricht. Als u de advocaat gevraagd zou hebben om het te mogen gebruiken als bewijsstuk tegen zijn cliënten dan had het antwoord daarop zeker ontkennend geweest omdat hij anders zijn geheimhoudingsverplichting zou hebben geschonden.

(…)

Cliënten zijn er niet mee bekend dat u de advocaat hebt gevraagd om diens visie omtrent de vertrouwelijkheid van de specificatie waaruit van de aard en omvang van diens werkzaamheden valt af te leiden, zodanig zelfs dat u daarmee een van uw stellingen poogt te bewijzen. Evenmin zijn zij er mee bekend dat er door de deken bemiddeld is tussen de advocaat en u.

Aldus verzoek ik u namens cliënten om te verklaren welke rechtvaardiging er in uw ogen heeft bestaan om ten bewijze van een uwer stelling een stuk van een advocaat in te brengen. Dat het hier een specificatie van diens werkzaamheden betreft maakt het in de ogen van cliënten niet minder laakbaar juist omdat u er mee wilt bewijzen dat u nimmer kunt bewijzen als de advocaat zich aan zijn geheimhoudingsplicht houdt. Als u niet of niet genoegzaam verklaart hebt u tenminste de betreffende passages en het overgelegde stuk terug te nemen. Cliënten overwegen sowieso om te klagen want feitelijk is het kwaad al geschied.

2.6 Op 29 juli 2024 heeft klaagster via een e-mail aan verweerder de ontvangst van zijn beide e-mails van 22 juli 2024 bevestigd en laten weten dat door vakanties na 12 augustus 2024 een inhoudelijke reactie zal volgen.

2.7 Op 31 juli 2024 heeft verweerder in een e-mail aan klaagster, met klager in de cc, het volgende geschreven:

Ik heb u vorige week met betrekking tot twee issues vragen gesteld waarvan de beantwoording voor cliënten urgent is.

Zij en ik hebben immers maar zes weken de tijd om een processtuk te redigeren waarmee zij zich zullen verweren tegen de door u jegens hen ingestelde vorderingen. Het is daarbij voor hen van belang om kennis te nemen van uw standpunt. Het geeft daarom geen pas om pas na een week te reageren met de mededeling dat u na 12 augustus inhoudelijk reageert vanwege ‘’diverse vakanties’’, wat dat overigens ook moge betekenen. U bent toch gewoon op uw post? U bent de curator en u stelt de vorderingen in. Ik verneem daarom graag per ommegaande.

2.8 Verweerder heeft op 6 augustus 2024 namens zijn cliënten klachten over klagers aan de deken gestuurd. Deze klachten, bij de raad bekend onder de zaaknummers 25‑267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD, zijn door de deken op 13 augustus 2024 ontvangen. In de betreffende klachtbrieven is onder meer vermeld:

[Klaagster] en [klager] hebben dus in strijd met de waarheid gesteld dat de advocaat de specificatie (aan hen) heeft overgelegd, nog daargelaten dat zij door er kennis van te nemen en over te leggen in een procedure de vertrouwelijkheid tussen de advocaat en diens cliënten hebben geschonden.

2.9 Op 8 augustus 2024 heeft het kantoor [naam advocatenkantoor] te [plaatsnaam] schriftelijk aan klaagster kenbaar gemaakt dat zij de klachtbrief met bijlagen van de cliënten van verweerder over klaagster hebben ontvangen en hebben zij deze stukken aan klaagster doorgestuurd. Klaagster was op dat moment niet bij dat advocatenkantoor werkzaam.

2.10 In een e-mail van 13 augustus 2024 heeft klager aan verweerder het volgende geschreven:

Zoals u weet, was ik tot 12 augustus afwezig in verband met vakantie. Om die reden reageer ik nu pas op uw e-mail van 22 juli jl. De curator is bereid om de beslagen op te heffen onder de voorwaarde dat uw cliënten voldoende vervangende zekerheid aanbieden. Aangezien uw cliënten dit vooralsnog niet hebben gedaan, blijven de beslagen gehandhaafd. Ik zie geen reden om te voldoen aan uw verzoek om het bepaalde onder randnummer 140 van de dagvaarding en productie 38 terug te nemen. er is geen sprake van een situatie zoals aan de orde in de door u genoemde uitspraak van het Hof van Discipline.

Het feit dat ik afwezig was in verband met vakantie en om die reden nog niet kon reageren op uw e-mails, heeft u er niet van weerhouden om een tuchtklacht tegen [klaagster] en mij in te dienen. Een kopie van deze brief heeft u bovendien verzonden aan het kantoor van [naam advocatenkantoor] te [plaatsnaam]. Dit handelen is niet alleen bijzonder onfatsoenlijk en onzorgvuldig, maar u handelt ook in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Ik zal dan ook op korte termijn een tuchtklacht tegen u indienen.

Dezelfde dag heeft verweerder aan klagers, met [naam advocatenkantoor] in de cc, het volgende gemaild:

Het is inderdaad onzorgvuldig van mijn kant dat de brief aan [klaagster] is geadresseerd aan een onjuist adres. Ik heb het adres niet gecontroleerd. Mijn oprechte excuses daarvoor.

2.11 Op 14 augustus 2024 heeft klager een concept klaagschrift namens klagers aan verweerder gezonden. Daarin zijn de klachten van klagers tegen verweerder verwoord. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Ook is hem gemeld dat afhankelijk van zijn reactie de klacht al dan niet bij de deken zal worden ingediend.

2.12 In een e-mail van 21 augustus 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:

Uw conceptbrief van 14 dezer aan de deken bereikte mij in goede orde. Het geeft mij aanleiding om mijn verontschuldigingen voor verzending van de brief aan [klaagster] aan een verkeerd adres te herhalen. Dat was niet goed en spijt mij zeer.

2.13 Op 23 augustus 2024 hebben klagers een klacht ingediend bij de deken tegen verweerder.

 

3 KLACHT

Tijdens de zitting hebben klagers aangegeven zich niet helemaal te kunnen vinden in de weergave van de klacht door de deken. De klacht houdt, zakelijk weergegeven en zoals gewijzigd naar aanleiding van de opmerking van klagers, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) misbruik te maken van het tuchtrecht en onvoldoende professionele distantie te bewaren tot zijn cliënten.

Toelichting: Verweerder heeft in zijn e-mail van 22 juli 2024 gedreigd met het indienen van een tuchtklacht. Op het moment dat duidelijk werd dat wij niet bereid waren om binnen een voor verweerder aanvaardbare termijn te reageren, zijn de tuchtklachten daadwerkelijk door verweerder ingediend. Hiermee maakt verweerder misbruik van het tuchtrecht en gebruikt hij het tuchtrecht om klagers onder druk te zetten. Kennelijk probeert verweerder middels het tuchtrecht opheffing van de beslagen af te dwingen. Verweerder schuwt geen enkel middel om het door zijn cliënten gewenste doel te bereiken waarbij het er alle schijn van heeft dat verweerder onvoldoende professionele distantie bewaart tot zijn cliënten en instructies uitvoert zonder rekenschap te geven van zijn rol als advocaat. Gezien de historie, de cliënt van verweerder heeft onder meer al meerdere malen bij de rechter‑commissaris geklaagd over klaagster, had verweerder niet lichtvaardig mogen besluiten om namens zijn cliënten tuchtklachten in te dienen.

b) in strijd te handelen met artikel 21 Rechtsvordering (Rv).

Toelichting: Met het handelen van verweerder probeert hij te voorkomen dat de waarheid in de onderliggende lopende procedure aan het licht komt, hij heeft immers verzocht om een productie, de urenspecificatie van [naam advocatenkantoor], te laten verwijderen;

c) in strijd met gedragsregel 8 in strijd met de waarheid informatie te hebben verstrekt.

Toelichting: Verweerder heeft klagers in zijn klachtbrief van 6 augustus 2024 namens zijn cliënten gepresenteerd als leugenaars door te betogen dat klagers in strijd met de waarheid standpunten hadden ingenomen. Dit wordt echter weerlegd met de e-mail van [naam advocatenkantoor] van 9 juni 2020;

d) de klachtbrief naar een advocatenkantoor te zenden dat niet bij de onderliggende procedure tegen klaagster betrokken is.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2 Verweerder betwist misbruik te hebben gemaakt van het tuchtrecht. Zijn cliënten werden op 16 juli 2024 door klagers gedagvaard tegen 24 juli 2024, de kortst mogelijke termijn in vakantietijd. Die dagvaarding week af van de eerder ontvangen conceptdagvaarding. In zijn e-mail van 22 juli 2024 heeft verweerder klagers erop gewezen dat zij met de aanvulling op de dagvaarding en overlegging van productie 38 - een vertrouwelijk stuk van de toenmalige advocaten van zijn cliënten - over de schreef zouden gaan. Omdat vervolgens werd aangegeven dat zijn cliënten vanwege vakantie van klagers maar moesten wachten op een inhoudelijke reactie, heeft hij in zijn e-mail van 31 juli 2024 uitdrukkelijk aangegeven dat zijn cliënten belang hadden bij een snelle reactie, ook in vakantietijd. Volgens verweerder heeft hij voldoende professionele distantie tot zijn cliënten. Zijn cliënten wilden over klagers klagen, verweerder heeft hen daarin bijgestaan en dat stond hem vrij.

Klachtonderdeel b)

4.3 Verweerder betwist in strijd met artikel 21 Rv te hebben gehandeld. Uit zijn e-mails aan klagers van juli 2024 volgt niet dat hij niet wilde dat bij de rechter de waarheid aan het licht zou komen. Het enige wat hij daarin deed was namens zijn cliënten vragen naar hun rechtvaardiging om het vertrouwelijke stuk in het geding te brengen.

Klachtonderdeel c)

4.4 Hij heeft klagers niet als leugenaars gepresenteerd. Van onjuist door hem verstrekte informatie was ook geen sprake.

Klachtonderdeel d)

4.5 Per abuis en tot zijn spijt is de klachtbrief van zijn cliënten aan het voormalig kantooradres van klaagster gezonden. Hij had een collega gevraagd dat te doen maar heeft het adres niet gecontroleerd. Na ontdekking van de vergissing heeft hij meermaals zijn excuses aangeboden.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

5.3 Uit de overgelegde stukken is de raad gebleken dat verweerder op 22 juli 2024 twee e‑mails aan klagers heeft gestuurd. Daarin heeft verweerder ook aangekondigd dat zijn cliënten overwegen om een klacht over klagers in te dienen. Op 29 juli 2024 heeft klaagster de ontvangst van de beide e-mails bevestigd en verweerder meegedeeld dat hij door vakanties na 12 augustus 2024 een inhoudelijke reactie tegemoet kon zien. Verweerder heeft hiertegen in zijn e-mail van 31 juli 2024 namens zijn cliënten gemotiveerd bezwaar gemaakt en op 6 augustus 2024 namens zijn cliënten bij de deken een klacht over klagers ingediend. Alhoewel verweerder had kunnen wachten op de reactie van verweerders, kan hem naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk niet worden verweten dat hij in de tussentijd de eerder aangekondigde klacht namens zijn cliënten op 6 augustus 2024 bij de deken heeft ingediend. Het stond zijn cliënten vrij om een klacht over klagers in te dienen op een door hun gekozen moment zonder dat zij op een reactie van klagers, ergens ná 12 augustus 2024, hoefden te wachten. Verweerder heeft die klacht op verzoek van zijn cliënten op 6 augustus 2024 bij de deken ingediend. Dat verweerder die klacht namens zijn cliënten te lichtvaardig heeft ingediend, hij daarin  onvoldoende professionele distantie tot zijn cliënten had en dit alleen heeft gedaan om druk op klagers uit te oefenen, kan de raad, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Dat klagers dit zo hebben ervaren is onvoldoende om het zware verwijt van misbruik van klachtrecht te kunnen vaststellen.

5.4 Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de raad van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake. Klachtonderdeel a) zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.5 Klagers verwijten verweerder dat hij heeft geprobeerd om de rechter in de lopende procedure de waarheid te onthouden. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil, specifiek of verweerder al dan niet in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad echter niet gebleken. De raad zal klachtonderdeel b) dan ook ongegrond verklaren.

Klachtonderdelen c) en d)

5.6 De raad ziet aanleiding om deze verwijten, vanwege hun onderlinge samenhang, gelijktijdig te beoordelen.

5.7 De door verweerder in zijn klachtbrief van 6 augustus 2024 gebruikte bewoordingen kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat klagers daarin voor leugenaars werden uitgemaakt. Alhoewel verweerder op 15 augustus 2024 door het bericht van [naam advocatenkantoor] wist dat hij met zijn ferme aantijgingen over zijn mede-advocaten fout zat, heeft verweerder daarvan naar het oordeel van de raad onvoldoende afstand genomen, ook niet tijdens de zitting van de raad. Verweerder had daarin pro-actiever en welwillender richting zijn collega’s moeten handelen, zeker na hun herhaalde verzoeken daartoe. Datzelfde geldt voor het onder verantwoordelijkheid van verweerder door een foute adressering doorsturen van de klacht over klaagster aan een niet betrokken advocatenkantoor. Klaagster was niet alleen niet werkzaam bij dat kantoor. Onduidelijk is ook waarom verweerder het nodig vond om die individuele klacht over klaagster onder de aandacht te brengen van een advocatenkantoor. Het betrof immers een individuele klacht over klaagster, niet ook een klacht over het bestuur van het kantoor van de beklaagde advocaat. Zoals hiervoor onder b) overwogen mocht verweerder over klagers klagen zoals door hem gedaan, maar is hij onzorgvuldig geweest bij de formulering van die klacht en bij de uitvoering daarvan. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de raad de belangen van klagers onnodig en onevenredig zonder doel geschaad hetgeen hem tuchtrechtelijk wordt aangerekend. De raad zal de klachtonderdelen c) en d) dan ook gegrond verklaren.

 

6 MAATREGEL

Uitgangspunt is dat een goede beroepsuitoefening binnen de advocatuur gediend is met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder die onderlinge verhouding met klagers, zoals hiervoor is overwogen, verstoord. Het had verweerder gesierd om zijn fouten meteen na ontdekking en zonder voorbehouden bij klagers recht te zetten. Verweerder heeft dat naar het oordeel van de raad onvoldoende oprecht gedaan. Naar het oordeel van de raad is de maatregel van waarschuwing daarom passend en geboden.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Zij geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

€ 25,- aan forfaitaire reiskosten van klagers, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen c) en d) gegrond;

-    verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

-    legt aan de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 10 november 2025