Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:226
Zaaknummer
250041
Inhoudsindicatie
Klacht over eigen advocaat. Klaagster heeft in 2010 een verkeersongeval gehad, waaraan zij letsel heeft overgehouden. Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een geschil met de WA-verzekeraar. De raad heeft de klacht van klaagster deels gegrond, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Alleen de niet-ontvankelijk verklaarde klachtonderdelen liggen nog ter beoordeling bij het hof voor. Het hof is met de raad van oordeel dat klaagster al in 2018/2019 op de hoogte was van de nadelige gevolgen van de door haar gestelde tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen van verweerder. Klaagster heeft met betrekking tot deze klachtonderdelen te laat geklaagd en is niet-ontvankelijk in haar klacht. Bekrachtiging raadsbeslissing.
Uitspraak
Beslissing van 10 november 2025 in de zaak 250041
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft in 2010 een verkeersongeval gehad, waaraan zij letsel heeft overgehouden. Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een geschil met de WA-verzekeraar. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat de behandeling van de zaak te lang heeft geduurd, dat er beslissingen zijn genomen en afspraken zijn gemaakt zonder haar toestemming en dat verweerder haar belangen niet goed heeft behartigd. De raad heeft geoordeeld dat de klacht van klaagster dat verweerder niet voortvarend genoeg heeft opgetreden in de behandeling van de zaak gegrond is en dat de overige klachten ongegrond zijn. Met betrekking tot een aantal klachtonderdelen (b) tot en met f)) heeft de raad geoordeeld dat klaagster te lang heeft gewacht met het indienen van haar klacht en zij daarom niet kan worden ontvangen in haar klacht. Alleen de niet-ontvankelijk verklaarde klachtonderdelen liggen nog ter beoordeling bij het hof voor. Het hof is met de raad van oordeel dat klaagster al in 2018/2019 op de hoogte was van de nadelige gevolgen van de door haar gestelde tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen van verweerder. Klaagster heeft met betrekking tot deze klachtonderdelen te laat geklaagd en is niet-ontvankelijk in haar klacht. Het hof bekrachtigd de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-687/A/A) een beslissing gewezen op 13 januari 2025. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard, zijn de klachtonderdelen b), c), d) e) en f) niet-ontvankelijk verklaard en zijn de klachtonderdelen g), h), i) en j) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:8 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 27 januari 2025 door de griffie van de raad van discipline Amsterdam doorgestuurd naar de griffie van het hof en aldus tijdig ontvangen.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder. - een verweerbrief van 2 september 2025 van klaagster met een aanvulling op het beroepschrift en bijlagen 17 tot en met 36 en 37 tot en met 47. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 september 2025. Daar zijn klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, de gemachtigde van verweerder mede aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen, met dien verstande dat klaagster terecht heeft opgeworpen dat de e-mails van verweerder van 31 oktober 2017, 1 december 2017, 22 augustus 2018 en 27 augustus 2018 (respectievelijk weergegeven in overwegingen 2.37, 2.39, 2.53 en 2.54 in de beslissing van de raad) alleen aan haar (ex-)partner (en niet aan klaagster) zijn verstuurd. De door de raad vastgestelde feiten vormen met deze aanvulling in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht. 3.2 De zaak gaat – kort gezegd – om het volgende. Klaagster heeft in 2010 een verkeersongeval gehad waaraan zij letsel heeft overgehouden. Tussen klaagster en de verzekeraar is een geschil ontstaan over (vergoeding van) de door klaagster geleden schade. Verweerder heeft klaagster bijgestaan in het geschil met de WA-verzekeraar.
3.3 Op enig moment (omstreeks 2016) is discussie ontstaan over de noodzaak van medewerking door klaagster aan een geneeskundig onderzoek door een verzekeringsarts. Verweerder heeft aan klaagster laten weten dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek nodig is om ongeval gerelateerde beperkingen vast te stellen. Klaagster heeft aan verweerder laten weten daarin niet te willen meegaan omdat al haar klachten al bekend zijn bij de WA-verzekeraar. Verweerder heeft over het plannen van een afspraak met de verzekeringsarts voornamelijk contact gehad met de (ex-)partner van klaagster. Deze liet aan verweerder weten dat ze bezig waren met het maken van een afspraak, maar ook dat klaagster aan terugkrabbelen was. In oktober 2017 heeft verweerder nog geïnformeerd of het onderzoek door de verzekeringsarts al was verricht.
3.4 Op 24 mei 2018 heeft verweerder klaagster er aan herinnerd dat de zaak al lang stil ligt en dat de WA-verzekeraar de zaak wil afwikkelen. Daarop heeft op 28 mei 2018 de (ex-)partner van klaagster in een e-mail aan verweerder laten weten dat het niet wenselijk is om het contact via klaagster te laten verlopen, omdat zij zwanger is van een tweeling en nog in de kritieke fase zit en dat elke vorm van belasting of stress niet goed is voor haar.
3.5 Bij e-mail van 15 mei 2019 heeft klaagster weer zelf contact gezocht met verweerder. Zij schrijft in haar e-mail dat het al weer even geleden is dat klaagster en verweerder persoonlijk contact hebben gehad en dat zij nu het contact weer overpakt van haar (ex-)partner. Ook deelde ze mee dat zij en haar partner uit elkaar zijn gegaan. In februari 2020 heeft klaagster uitgebreid telefonisch contact gehad met een medewerker van het kantoor van verweerder en gaf ze aan dat ze niks wist van wat haar ex-partner allemaal met verweerder had besproken. In dat gesprek is klaagster helemaal bijgepraat. Vanaf dat moment is er verder met klaagster (en met de WA-verzekeraar) gediscussieerd over het bereiken van een minnelijke regeling, zonder dat er nog een geneeskundig onderzoek zou plaatsvinden. Klaagster heeft in dat verband in ieder geval op 18 oktober 2020 laten weten het niet eens te zijn met een schadestaat die uitgaat van een tijdsduur van 10 jaar. Op 3 februari 2023 heeft verweerder alle correspondentie tussen hem en klaagster dan wel de ex-partner van klaagster, als ook alle correspondentie tussen hem en de WA-verzekeraar van januari 2017 tot 12 juni 2020 aan klaagster toegestuurd. Klaagster is niet akkoord gegaan met het schikkingsvoorstel van de verzekeraar. Verweerder heeft klaagster vervolgens laten weten de gang naar de rechter niet zinvol te achten, gezien de lopende medische discussie over de causaliteit en beperkingen. Op 29 oktober 2023 heeft klaagster haar klachten over verweerder bij de deken ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij:
a) (….)
b) pas in februari 2023 meerdere, belangrijke, vijf jaar oude brieven van de WA-verzekeraar heeft doorgestuurd waaronder een brief van 20 augustus 2018 waaruit bleek dat de WA-verzekeraar bereid was de letselschadezaak af te handelen;
c) zonder haar toestemming haar adresgegevens en telefoonnummer aan een verzekeringsarts van de WA-verzekeraar heeft verstrekt, met welke verstrekking klaagster in februari 2023 bekend raakte;
d) zonder haar overleg en toestemming van klaagster een medische expertise, in haar woning, door een verzekeringsarts van de WA-verzekeraar heeft gearrangeerd;
e) ondanks meerdere verzoeken van klaagster niet eerder dan in 2022 een schadestaat heeft opgesteld en aan klaagster heeft toegestuurd;
f) zonder toestemming van klaagster en buiten haar om, met de WA-verzekeraar is overeengekomen dat de schadestaat een tijdsduur zal hebben van 10 jaar;
g) (….)
h) (….)
i) (….)
j) (….)
5 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP 5.1 Klaagster heeft ter zitting bij het hof aangegeven dat hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd, niet iets nieuws is en dat dit al eerder bekend was. Volgens klaagster staat haar klacht in de aanbiedingsbrief aan de raad niet goed geformuleerd. Klaagster heeft in haar “verweerbrief “ van 2 september 2025 de klacht opnieuw geformuleerd.
5.2 Het hof stelt voorop dat klaagster niet meer kan terugkomen op de klachtomschrijving in de aanbiedingsbrief van de deken, zoals die door de raad is overgenomen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad blijkt namelijk dat klaagster desgevraagd heeft verklaard dat zij het eens is met de in de aanbiedingsbrief geformuleerde klachtomschrijving. Het hof is bij beoordeling van (de omvang van) de klacht in hoger beroep aan deze klachtomschrijving gebonden en daarvan kan niet meer worden teruggekomen (HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:77).
5.3 Daarnaast geldt dat voor zover klaagster in hoger beroep nieuwe verwijten tegen verweerder heeft geformuleerd (dat verweerder zonder haar toestemming heeft gecommuniceerd met de ex-partner van klaagster en hem cruciale beslissingen heeft laten nemen waardoor er een verkeerd beeld is ontstaan over de zaak en over klaagster), het hof deze nieuwe verwijten buiten beschouwing laat. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep kunnen geen nieuwe klachten in behandeling worden genomen.
5.4 Klachtonderdeel a) (dat erop zag dat verweerder met een gebrek aan voortvarendheid de zaak heeft behandeld) is door de raad gegrond bevonden. Op grond van artikel 56, eerste lid, Advocatenwet staat tegen gegrond verklaarde klachtonderdelen geen beroep door klaagster open. Dit klachtonderdeel is in hoger beroep om die reden niet langer aan de orde.
5.5 Het hof heeft – ook bij een ruimhartige lezing – geen beroepsgronden aangetroffen tegen het oordeel van de raad over klachtonderdelen g) (het niet doorsturen van medische stukken), h) (geen voorschot in kort geding) , i) (geen inhoudelijke reactie op brief van WA-verzekeraar van 16 juni 2022) en j) (druk heeft uitgeoefend akkoord te gaan met de aanpak van verweerder). De enkele mededeling van klaagster tijdens de zitting bij het hof dat zij wel alle klachtonderdelen aan de orde heeft willen stellen, is hiervoor onvoldoende. Klachtonderdelen g), h), i) en j) zijn in hoger beroep ook niet langer aan de orde.
5.6 Het hof begrijpt de beroepsgronden van klaagster aldus dat zij het niet eens is met het oordeel van de raad dat de klachtonderdelen b), c), d), e) en f) niet-ontvankelijk zijn, omdat zij zijn ingediend na het verloop van drie jaren na de dag waarop klaagster kennis heeft genomen of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten van verweerder waarop de klachten betrekking hebben. Het hoger beroep beperkt zich daarmee tot de klachtonderdelen b), c), d), e) en f). Het hof zal deze klachtonderdelen (en de ontvankelijkheid daarvan) in het navolgende beoordelen.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard en de klachtonderdelen g), h), i) en j) ongegrond verklaard.
6.2 Ten aanzien van de klachtonderdelen b), c), d), e) en f) heeft de raad allereerst uiteengezet dat op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien deze wordt ingediend na het verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De ratio van deze bepaling is dat de rechtszekerheid meebrengt dat een advocaat niet tot in lengte van dagen bedacht hoeft te zijn op tuchtklachten over gedragingen in het verleden. Op deze regel bevat lid 2 van genoemd artikel een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De ratio van deze bepaling is dat het niet rechtvaardig is een klager zijn klachtrecht te ontzeggen als hij eerst later op de hoogte raakt van de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat. Het gaat hier om een vervaltermijn die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.
6.3 De raad heeft vervolgens de klachtonderdelen b), c), d), e) en f) gezamenlijk beoordeeld en heeft geconcludeerd dat deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk zijn omdat de hiervoor genoemde termijn van drie jaar is overschreden. Volgens de raad is in géén van de gevallen sprake van een situatie als omschreven in artikel 46g lid 2 van de Advocatenwet en is ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijdingen in deze klachtonderdelen verschoonbaar kunnen worden geacht. De raad heeft vervolgens met betrekking tot de verschillende klachtonderdelen toegelicht waarom deze niet-ontvankelijk zijn.
6.4 Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad overwogen dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op brieven waarmee klaagster pas bekend zou zijn geraakt toen deze op 3 februari 2023 door de secretaresse van verweerder aan haar werden toegezonden, waaronder ook een e-mailbericht van de verzekeraar aan verweerder over een mogelijk afwikkeling van de zaak en diverse rappelbrieven van de verzekeraar aan verweerder waar klaagster niet van op de hoogte was. Klaagster stelt dat zij daarom niet kon weten dat de verzekeraar al in 2018 bereid was om de letselschadezaak van klaagster af te handelen. De raad heeft vervolgens vastgesteld dat verweerder in een e-mailbericht van 27 augustus 2018 contact heeft gehad met klaagster over het schrijven van de verzekeraar van 20 augustus 2018 en de geplande telefonische afspraak met de verzekeraar op 28 augustus 2018 over een mogelijke afwikkeling van de zaak. Daarnaast heeft de kantoorgenoot van verweerder klaagster in een e-mailbericht van 30 september 2020 geinformeerd over het volgens haar door verweerder niet reageren op de rappelberichten van de verzekeraar. De raad heeft geoordeeld dat klaagster in ieder geval op 27 augustus 2018 op de hoogte was van de kans op een mogelijke afwikkeling van haar zaak en op 30 september 2020 van de rappelbrieven van de verzekeraar aan verweerder en dus met het door haar gestelde verwijtbare handelen van verweerder. Door hierover pas op 29 oktober 2023 een klacht in te dienen, heeft klaagster de wettelijke termijn van drie jaar overschreden. 6.5 Met betrekking tot klachtonderdelen c) en d) heeft de raad overwogen dat klaagster met deze klachten verweerder verwijt dat haar persoonsgegevens zonder haar toestemming door verweerder aan de deskundige zijn verstrekt en dat verweerder zonder haar toestemming een medische expertise in haar woning door de verzekeringsarts heeft gearrangeerd. De raad volgt klaagster stelling dat zij dit pas op 3 februari 2023 heeft ontdekt niet. De raad heeft vastgesteld dat klaagster op 12 oktober 2016 en op 10 november 2016 aan verweerder heeft gemaild over hetgeen zij verweerder in deze verwijt. Volgens de raad was klaagster reeds op 12 oktober 2016 bekend met het inplannen van een huisbezoek door de verzekeringsarts en op 10 november 2016 met het feit dat haar persoonsgegevens (in ieder geval haar telefoonnummer) ook bij deze arts bekend waren. Door over deze handelingen pas op 29 oktober 2023 een klacht in te dienen, is naar het oordeel van de raad eveneens sprake van een overschrijding van de termijn van drie jaar.
6.6 Met betrekking tot klachtonderdeel e) heeft de raad weergegeven dat klaagster verweerder verwijt dat hij haar pas in 2022 een schadestaat heeft gestuurd, terwijl klaagster daar reeds meermaals om had verzocht. De raad heeft vervolgens vastgesteld dat klaagster reeds in haar e-mailbericht van 23 september 2020 aan de kantoorgenoot van verweerder heeft bericht dat zij geen schadestaat van verweerder had ontvangen. Daarmee droeg zij volgens de raad reeds vanaf 23 september 2020 kennis van het verwijtbare handelen van verweerder en heeft zij door pas op 29 oktober 2023 een klacht in te dienen de termijn van drie jaar overschreden, aldus de raad.
6.7 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel f) uiteengezet dat klaagster verweerder verwijt dat hij bepaalde toezeggingen richting de verzekeraar heeft gedaan zonder toestemming en medeweten van klaagster, zoals het opmaken van een schadestaat met een tijdsduur van tien jaar. De raad heeft vervolgens vastgesteld dat klaagster de kantoorgenoot van verweerder op 18 oktober 2020 heeft geschreven over haar ontdekking dat verweerder een schadestaat had opgemaakt met een tijdsduur van tien jaar. In dit e-mailbericht beschrijft klaagster dus reeds het door haar in dit klachtonderdeel gestelde verwijtbaar handelen door verweerder, aldus de raad. Klaagster was hiermee dan ook in ieder geval reeds op 18 oktober 2020 bekend en zij heeft hierover pas op 29 oktober 2023 een klacht ingediend, waarmee eveneens sprake is van een overschrijding van de termijn van drie jaar.
Maatregel
6.8 Omdat de raad klachtonderdeel a) gegrond heeft verklaard (verweerder heeft de zaak van klaagster onvoldoende voortvarend behandeld waardoor de zaak onnodig lang heeft geduurd en in een impasse is geraakt), heeft de raad de oplegging van een waarschuwing passend geacht.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
7.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Klaagster heeft in haar beroepschrift naast een aantal bezwaren tegen de feitenvaststelling door de raad (waarmee het hof in het voorgaande rekening heeft gehouden) de volgende bezwaren tegen de uitspraak van de raad aangevoerd.
7.2 Het hof begrijpt dat klaagster in het beroepschrift, haar verweerbrief en in haar toelichting op de zitting haar standpunt handhaaft dat zij pas op 3 februari 2023 - toen zij de e-mailcorrespondentie tussen verweerder en haar ex-partner ontving - heeft ontdekt dat verweerder volgens haar klachtwaardig heeft gehandeld. Klaagster was naar haar zeggen niet op de hoogte van een e-mailbericht van de verzekeraar aan verweerder over een mogelijk afwikkeling van de zaak (in 2018) en diverse rappelbrieven van de verzekeraar aan verweerder. Ook is met haar niet gecommuniceerd over het onderzoek door de verzekeringsarts en het aansturen op een pragmatische regeling zonder medisch onderzoek. Daarnaast zou verweerder buiten haar om hebben afgesproken met de verzekeraar dat een berekening van de schade met een looptijd van 10 jaar zou worden gemaakt, zonder verder medisch onderzoek, aldus klaagster. 7.3 Klaagster heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat zij haar klacht eerst bij het kantoor van verweerder heeft neergelegd en daarna bij de deken. Zij was als leek niet op de hoogte van de termijn van drie jaar na ontdekking van de klacht en is hier door verweerder ook niet op gewezen. Volgens klaagster was zij tot 2023 in de veronderstelling dat de fout bij de verzekeraar lag en niet bij verweerder. Met het verkrijgen van een deel van de e-mails uit 2017/2018 werd haar pas duidelijk dat er van alles verkeerd is gegaan in haar zaak en heeft zij zich tot de Orde van Advocaten gewend, aldus klaagster.
Verweer verweerder
7.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid klachtonderdelen b), c), d), e) en f)
- Maatstaf
8.1 Het hof stelt evenals de raad voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.
Klachtonderdeel b) (bereidheid verzekeraar in 2018 om de letselschadezaak van klaagster af te handelen)
8.2 Klaagster verwijt verweerder dat zij in 2018 door hem niet goed op de hoogte is gehouden van het feit dat de verzekeraar bereid was om de zaak af te handelen. Volgens klaagster heeft verweerder in die periode ten onrechte en zonder haar toestemming (alleen) met haar ex-partner gecommuniceerd en was zij niet op de hoogte van de voortgang in haar zaak. Klaagster heeft in hoger beroep expliciet betwist dat zij het e-mailbericht van 27 augustus 2018 (waaruit zou volgen dat verweerder contact heeft gehad met klaagster over het schrijven van de verzekeraar van 20 augustus 2018 en de geplande telefonische afspraak met de verzekeraar op 28 augustus 2018) heeft ontvangen. Volgens klaagster is dit e-mailbericht alleen aan haar ex-partner gestuurd en heeft zij dit bericht ook niet met haar ex-partner besproken.
8.3 Het hof volgt klaagster niet in haar betoog. Op de zitting bij het hof heeft klaagster erkend dat zij er in 2018 van op de hoogte was dat de verzekeraar de zaak wilde afwikkelen. Dit al dan niet via haar (ex-)partner, die met haar toestemming in de zaak betrokken was en de contacten gedurende enkele maanden voor zijn rekening heeft genomen. Daarnaast heeft zij in hoger beroep onvoldoende betwist dat zij (door toezending op 29 september 2020 door verweerder) op 30 september 2020 van de rappelbrieven van de verzekeraar aan verweerder (om de zaak te willen afwikkelen) op de hoogte was en dus met het door haar gestelde verwijtbare handelen van verweerder bekend was. Door over deze handelingen pas op 29 oktober 2023 een klacht in te dienen, is – ook naar het oordeel van het hof - sprake van een overschrijding van de termijn van drie jaar. Klaagster kan niet worden ontvangen in haar klacht.
Klachtonderdelen c), d), e), en f).
8.4 Met betrekking tot de klachtonderdelen c), d) e) en f), ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klaagster, die louter een herhaling van eerder door klaagster ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een ander beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Slotsom
8.5 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, klaagster niet-ontvankelijk acht in klachtonderdelen b), c), d), e) en f). De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-687/A/A, voor zover aan zijn oordeel onderworpen.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 november 2025.
