Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:225
Zaaknummer
250043
Inhoudsindicatie
Klacht eigen advocaat. Verweerster heeft klager bijgestaan in een arbeidsrechtelijke procedure in hoger beroep. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerster hem heeft bijgestaan. Volgens klager is verweerster bij de behandeling van zijn zaak in ernstige mate tekortgeschoten in de uitoefening van het beroep van advocaat. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster en heeft de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich – na toepassing van een ruimhartige uitleg van de beroepsgronden – bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in alle klachtonderdelen ongegrond. Bekrachtiging raadsbeslissing.
Uitspraak
Beslissing van 10 november 2025 in de zaak 250043
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een arbeidsrechtelijke procedure in hoger beroep. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerster hem heeft bijgestaan. Volgens klager is verweerster bij de behandeling van zijn zaak in ernstige mate tekortgeschoten in de uitoefening van het beroep van advocaat. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster en heeft de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich – na toepassing van een ruimhartige uitleg van de beroepsgronden – bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in alle klachtonderdelen ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-605/A/A) een beslissing gewezen op 30 december 2024. In deze beslissing is de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:225 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 29 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Daarbij heeft klager ook apart zijn bezwaren ingediend tegen de inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij de raad op 18 november 2024.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerster. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 september 2025. Daar zijn klager en verweerster verschenen. Klager en verweerster hebben ieder hun standpunt toegelicht.
3 FEITEN
3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
3.2 Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Klager was vanaf 24 juni 2019 bij zijn toenmalige werkgever werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. Hij is op 23 oktober 2019 vanwege vermeende ongeoorloofde afwezigheid op staande voet ontslagen. Klager is daarop een procedure tegen zijn voormalige werkgever begonnen. Daarin werd klager in eerste aanleg bijgestaan door een andere advocaat. De kantonrechter heeft de verzoeken van klager afgewezen.
3.3 Verweerster heeft klager vervolgens bijgestaan in het door hem ingestelde hoger beroep. Het beroepschrift is door verweerster na aanpassing en een akkoord van klager ingediend. Voor de zitting van 28 oktober 2021 heeft verweerster pleitnotities opgesteld die zij in concept aan klager heeft voorgelegd. Klager is daarop niet akkoord gegaan met de pleitnotities, hij wilde niet dat verweerster de pleitnotities zou voordragen. Verweerster kon niet instemmen met de door klager voorgestelde wijzigingen. Vervolgens is besproken dat verweerster als procesbewaker de zitting van 28 oktober 2021 zou bijwonen en verweerster het hof zou verzoeken klager het woord zelf te laten doen. Klager is door het gerechtshof Den Haag in het gelijk gesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig bevonden en heeft aan klager een gefixeerde schadevergoeding toegekend ter grootte van 7 maandsalarissen. Ook is de toenmalige werkgever in de proceskosten veroordeeld.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster een onorthodoxe en ongebruikelijke handelwijze en een slechte dienstverlening. Volgens klager is verweerster in de periode van 21 april 2021 tot en met 28 oktober 2021 in ernstige mate tekortgeschoten in de uitoefening van het beroep van advocaat door:
a) na te laten om klager voorafgaand aan het aanvaarden van de opdracht schriftelijk te informeren over de redelijkerwijs te verwachten financiële gevolgen voor klager en de specifieke kosten als hij de rechtszaak in hoger beroep zou verliezen;
b) na te laten om bij het aanvaarden van de opdracht aan klager een schriftelijke opdrachtbevestiging te sturen;
c) na te laten om bij het aanvaarden van de opdracht met klager duidelijke financiële afspraken met klager te maken, zoals over het honorarium van verweerster en andere financiële zaken, zodat er achteraf geen misverstand en/of geschil en/of onzekerheid zou ontstaan indien klager na de resultaatbeoordeling van de Raad voor Rechtsbijstand zelf alle kosten van de advocaat zou moeten dragen;
d) na te laten om direct na het aanvaarden van de opdracht – zoals het hoort – bij de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging voor klager aan te vragen;
e) na te laten om bij het aanvaarden van de opdracht het volledige procesdossier in eerste aanleg bij klager op te vragen;
f) na te laten om zich bij het aanvaarden van de opdracht zo goed mogelijk te verdiepen in de inhoud van de tussenbeschikking van 25 februari 2020;
g) na te laten om zich bij het aanvaarden van de opdracht zo goed mogelijk te verdiepen in de inhoud van de eindbeschikking van 20 april 2021;
h) na te laten om schriftelijk een plan van aanpak en de strategie met betrekking tot de behandeling van de zaak aan klager toe te sturen;
i) na te laten om bij het aanvaarden van de opdracht zo snel mogelijk een afspraak te maken met klager om de kernpunten van het omvangrijke procesdossier te bespreken;
j) na te laten om na het aanvaarden van de opdracht zo snel mogelijk duidelijke en concrete afspraken met klager te maken over de datum van het klaar maken van het concept-verzoekschrift in hoger beroep;
k) na te laten om klager schriftelijk op de hoogte te brengen van de belangrijke informatie en feiten en de vraagstukken in de tussenbeschikking van 25 februari 2020 en de eindbeschikking van 20 april 2021;
l) na te laten de belangrijke informatie en de afspraken met klager over de inhoudelijke gesprekken, het voorbereiden en indienen van het verzoekschrift en de voorbereiding op de zitting van 28 oktober 2021 concreet en eenduidig vast te leggen, zodat er achteraf geen misverstand of geschil zou kunnen ontstaan.
m) na te laten om bij het aanvaarden van de opdracht en/of voorafgaand aan het toesturen van het eerste concept-verzoekschrift op 5 juli 2021 met klager concreet, eenduidig en transparant te overleggen en klager schriftelijk op de hoogte te brengen van alle mogelijke opties en de mogelijkheden wat de verzoeken en vorderingen betreft bij het ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig is gegeven, zodat klager als rechtzoekende weloverwogen en geïnformeerd een beslissing had kunnen nemen.
n) na te laten om de datum van de afspraak, het tijdstip en de duur van de afspraak en het doel van de afspraak met klager op het kantoor van verweerster schriftelijk vast te leggen en deze afspraak werkelijk na te komen, zodat er achteraf geen misverstand of geschil kan ontstaan;
o) na te laten om voldoende afspraken te maken om de belangrijke processtukken in eerste aanleg en de ingewikkelde rechtszaak volledig en zorgvuldig met klager door te spreken;
p) na te laten om eenduidig, concreet en schriftelijk aan klager te bevestigen en vast te leggen waarover verweerster tussen 22 april 2021 en 19 juli 2021 op haar kantoor met klager overleg heeft gepleegd en/of geadviseerd;
q) na te laten om bij het opstellen van het concept-verzoekschrift eenduidig en concreet vast te leggen en schriftelijk aan klager te bevestigen welke stukken en/of documenten en/of bewijsstukken verweerster als productie met het verzoekschrift mee zou sturen, zodat er achteraf geen misverstand of geschil kan ontstaan;
r) pas op de 76ste dag van de beroepstermijn (van 90 dagen) het eerste concept-verzoekschrift aan klager toe te sturen;
s) de gemaakte afspraken met klager tussen 21 april 2021 en 28 oktober 2021 niet na te komen;
t) zeer bewust en met opzet niet eerlijk, niet eenduidig en niet transparant met klager te communiceren;
u) tekort te schieten en na te laten om haar taak en werkzaamheden in de opdrachtrelatie met klager zo goed en zo vroeg mogelijk rustig en zorgvuldig in orde te maken;
v) tussen 21 april 2021 en 28 oktober 2021 in alle e-mailberichten aan klager zeer bewust en met opzet te vage termen en bewoordingen te gebruiken en alles in het midden te laten en/of zeer bewust met woorden te spelen;
w) tussen 21 april 2021 en 28 oktober 2021 op de concrete en de eenduidige vragen van klager niet eerlijk en niet eenduidig en niet transparant te reageren en/of ontwijkende antwoorden te geven, zodat ze later twee kanten op zou kunnen;
x) tussen 21 april 2021 en 28 oktober 2021 de kantjes er vanaf te lopen;
y) na te laten om het procesdossier in eerste aanleg zo vroeg mogelijk te kopiëren en in orde te maken, zodat het met het verzoekschrift in hoger beroep meegestuurd kon worden;
z) na te laten om de producties voor het verzoekschrift in het hoger beroep zo vroeg mogelijk te kopiëren en in orde te maken;
aa) de definitieve versie van het verzoekschrift in hoger beroep op het allerlaatste moment op de 90ste dag van de beroepstermijn om 13:09 uur aan klager voor akkoordbevestiging op te sturen;
bb) het verzoekschrift in hoger beroep op het allerlaatste moment, op de 90ste dag van de beroepstermijn, bij het gerechtshof Den Haag in te dienen;
cc) niet bereid te zijn om de correcties van de door haar gemaakte typefouten en de onjuistheden (14x) en de feitelijk onjuiste beweringen in het verzoekschrift van 19 juli 2021 aan het gerechtshof op te sturen en recht te zetten;
dd) na te laten om klager inhoudelijk voor te bereiden op de zitting van 28 oktober 2021;
ee) na te laten om als advocaat schriftelijk aan klager te bevestigen en eenduidig en expliciet aan te geven welke zaken nog belangrijk zijn voor de zitting op 28 oktober 2021;
ff) de pleitaantekeningen op het allerlaatste moment voor de zitting van 28 oktober 2021 op te sturen, terwijl er op 27 oktober 2021 om 20:14 uur heel veel dingen voor verweerster nog absoluut niet duidelijk waren en verweerster deze nog met klager wilde bespreken;
gg) na te laten om de pleitaantekeningen ruim van tevoren met klager door te spreken en goed voor te bereiden, zodat er op 28 oktober 2021 op het laatste moment geen geschil en/of misverstand kan ontstaan;
hh) niet bereid te zijn en niet te kunnen begrijpen en te willen accepteren dat de belangen van klager als rechtzoekende tegen zijn voormalig werkgever boven haar eigen imago en haar persoonlijke belangen gaan;
ii) niet bereid te zijn om de feitelijk onjuiste beweringen in de pleitaantekeningen te corrigeren en de onjuistheden eruit te halen, zodat verweerster als advocaat klager niet de problemen zou brengen en de belangen van klager niet zou schaden;
jj) na te laten om klager als cliënt tijdens de zitting van 28 oktober 2021 te verdedigen;
kk) zich op 28 oktober 2021 voor en tijdens de zitting in strijd met de artikel 10a van Advocatenwet ernstig onpartijdig en buitengewoon onprofessioneel op te stellen en de belangen van haar cliënt op het spel te zetten;
ll) na te laten en zeer bewust te weigeren om haar eigen typefouten (14x) in het verzoekschrift en de door haar daarin gemaakte fout aan het gerechtshof kenbaar te maken en al haar persoonlijke type- en/of fouten in het verzoekschrift eerlijk en transparant en zorgvuldig recht te zetten, zodat klager financieel niet benadeeld wordt;
mm) zich vlak voor de zitting op 28 oktober 2021 in ernstige mate dreigend en intimiderend op te stellen en klager aan de telefoon onredelijk agressief, schreeuwend en intimiderend en dreigend toe te spreken, terwijl verweerster wist dat klager last heeft van ernstige psychische klachten en beperkingen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft na uiteenzetting van de toegepaste uitgangspunten – samengevat – het volgende overwogen over de (gedeeltelijk gezamenlijk behandelde) klachtonderdelen.
klachtonderdelen a), b) en c): financiële afspraken en opdrachtbevestiging; klachtonderdelen l), n), p), q): procedurele schriftelijke vastlegging
5.2 De raad heeft vastgesteld dat de verwijten in voornoemde klachtonderdelen zien op nalaten van het maken van (schriftelijke) afspraken met klager over de diverse procedurele en financiële aangelegenheden van de zaak waarin verweerster klager bijstond. In de klachtonderdelen a), b) en c) verwijt klager verweerster dat zij heeft nagelaten om financiële afspraken met hem te maken en een opdrachtbevestiging aan hem te sturen. In de klachtonderdelen l), n), p) en q) verwijt klager verweerster nalatig te zijn geweest in de schriftelijke vastlegging betreffende de vraagstukken in de beschikkingen, over hetgeen tussen klager en verweerster mondeling op kantoor is besproken en over de vraag welke stukken verweerster met het verzoekschrift mee zou sturen. 5.3 De raad heeft geoordeeld dat een advocaat gehouden is een hem verleende opdracht, alsmede de daarvoor geldende voorwaarden schriftelijk te bevestigen (Gedragsregel 16) en dat de achtergrond daarvan is dat onduidelijkheden en misverstanden over wat er tussen advocaat en cliënt is afgesproken zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. In dit geval had het – naar het oordeel van de raad – de voorkeur verdiend indien verweerster een schriftelijke opdrachtbevestiging aan klager had verstrekt en dat alle afspraken met klager door haar schriftelijk waren vastgelegd, maar is het de raad niet gebleken dat er tussen klager en verweerster op enig moment onduidelijkheden of misverstanden zijn ontstaan over de inhoud van de opdracht en de tussen hen gemaakte afspraken. Uit de inhoud van de overgelegde correspondentie blijkt dat er tussen klager en verweerster veelvuldig contact is geweest, dat klager verweerster bleef bevragen en dat verweerster op al deze vragen steeds zo adequaat mogelijk heeft gereageerd. Het was in de gegeven omstandigheden voor verweerster echter ondoenlijk om van iedere (deel)afspraak een schriftelijke bevestiging op te stellen en dit was daarbij ook niet strikt noodzakelijk nu er als gezegd tussen klager en verweerster geen onduidelijkheid bestond over de inhoud van deze afspraken, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat tegen deze achtergrond, waarbij niet gebleken is dat verweerster anders heeft gehandeld dan hetgeen zij met klager had besproken, geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. De klachtonderdelen a), b), c), l), n), p) en q) zijn naar het oordeel van de raad daarom ongegrond.
klachtonderdeel d): toevoegingsaanvraag
5.4 Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft de raad geoordeeld dat voor het verwijt dat verweerster heeft nagelaten om bij de Raad voor de Rechtsbijstand een toevoeging voor hem aan te vragen geen enkele grondslag bestaat. Verweerster heeft op 3 mei 2021 de gegevens van klager en zijn partner ontvangen ten behoeve van een toevoegingsaanvraag en op dezelfde dag heeft verweerster de aanvraag voor een toevoeging ingediend bij de Raad voor de Rechtsbijstand, aldus de raad. Uit de op 19 en 20 mei 2021 tussen klager en verweerster gevoerde correspondentie blijkt dat de toevoegingsaanvraag ook is toegewezen. De raad acht klachtonderdeel d) ongegrond.
klachtonderdeel e): procesdossier niet opgevraagd
5.5 Met betrekking tot het verwijt in klachtonderdeel e) dat verweerster niet het volledige procesdossier bij klager zou hebben opgevraagd, heeft de raad geoordeeld dat uit de overgelegde correspondentie (waaronder een e-mailbericht van 20 mei 2021) blijkt dat tussen klager en verweerster meermaals is gesproken over het aanleveren van stukken ten behoeve van het verzoekschrift in hoger beroep. Verweerster heeft daarnaast genoegzaam aangevoerd dat zij het verzoekschrift in hoger beroep (vanzelfsprekend) heeft opgesteld op basis van alle door klager aan haar verstrekte processtukken, aldus de raad. Dat dit anders zou zijn gegaan en dat verweerster niet om de benodigde stukken heeft gevraagd, dan wel dat zij niet over het volledige dossier zou hebben beschikt, is de raad niet gebleken. De raad acht klachtonderdeel e) eveneens ongegrond.
klachtonderdelen f) en g): niet verdiept in de beschikkingen
5.6 De raad heeft klager evenmin gevolgd in zijn verwijt dat verweerster zich niet zou hebben verdiept in de beschikkingen van 25 februari 2020 en van 20 april 2021 en heeft deze klachtonderdelen eveneens ongegrond verklaard. Volgens de raad blijkt uit de inhoud van de tussen klager en verweerster gevoerde correspondentie niet dat verweerster de beschikkingen van 25 februari 2020 en 20 april 2021 niet zou hebben gelezen of bestudeerd. Klaagster en verweerder hebben veelvuldig met elkaar gesproken over de zaak en uit de correspondentie, zoals bijvoorbeeld uit het e-mailbericht van 2 juli 2022 van verweerster aan klager, volgt dat verweerster zich heeft verdiept in de (tussen)beschikkingen en dat zij hierover ook inhoudelijke opmerkingen heeft gemaakt, aldus de raad.
klachtonderdelen h), i), j), k) en m): processtrategie
5.7 De raad heeft uiteengezet dat klager verweerster in de klachtonderdelen h), i), j), k), m) verwijt dat zij heeft nagelaten om een goede processtrategie met klager te bepalen en de relevante knelpunten met hem te bespreken. Ook ten aanzien van deze klachtonderdelen heeft de raad vastgesteld dat verweerster en klager meerdere keren uitvoerig met elkaar hebben gesproken over de zaak. Uit niets blijkt dat het voor klager daarbij onduidelijk was wat er in het verzoekschrift (zijnde het beroepschrift) zou komen te staan. In één van de eerste e-mailberichten van verweerster aan klager van 22 april 2021 heeft verweerster ook direct een opmerking geplaatst over de relevantie van de ziekmelding van klager op 21 oktober 2019. Nadat de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand bekend werd, heeft verweerster klager in haar e-mailbericht van 19 mei 2021 voorgesteld om een week later een bespreking in te plannen. Deze eerste bespreking heeft op 25 mei 2021 plaatsgevonden en daarna is verweerster begonnen aan het opstellen van het verzoekschrift. Gezien de omvang van het dossier vergde het tijd om het verzoekschrift op te stellen en blijkens de inhoud van de correspondentie hebben klager en verweerster in deze periode ook veelvuldig contact met elkaar gehad, aldus de raad. Daarbij is klager door verweerster op meerdere momenten in de gelegenheid gesteld om zijn input te leveren, waarna het verzoekschrift met akkoord van klager op 19 juli 2021 door verweerster is ingediend. Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat geen feitelijke grondslag bestaat voor de verwijten van klager dat verweerster zou hebben nagelaten om een processtrategie met klager te bespreken en de relevante knelpunten niet met hem zou hebben doorgenomen. De raad heeft geoordeeld dat de klachtonderdelen h), i), j), k) en m) ongegrond zijn.
klachtonderdeel o): onvoldoende afspraken
5.8 Met betrekking tot het verwijt van klager in klachtonderdeel o) dat verweerster heeft nagelaten om in eerste aanleg voldoende afspraken met hem te maken zodat het procesdossier goed kon worden besproken, heeft de raad geoordeeld dat niet valt in te zien waarom de verschillende (langdurige) besprekingen tussen klager en verweerster op haar kantoor (op 25 mei 2021, 6 juli 2021 en 16 september 2021) en telefonisch (op 26 oktober 2021) onvoldoende zouden zijn geweest voor het maken van afspraken tussen klager en verweerster en het met elkaar doornemen van het procesdossier. Volgens de raad heeft klager dit verwijt ook niet nader geconcretiseerd. De raad acht ook dit klachtonderdeel ongegrond.
klachtonderdelen r), y), z), aa), bb): onvoldoende voorbereiding hoger beroep
5.9 De raad heeft uiteengezet dat klager verweerster in deze klachtonderdelen verwijt dat zij geen goede bijstand aan hem heeft verleend in de voorbereiding van het hoger beroep. Meer in het bijzonder verwijt klager (met verwijzing naar de e-mailberichten van verweerster van 19 juli 2021 om 13:09 uur en om 17:47 uur) dat zij de stukken pas op het laatste moment heeft ingeleverd, dat zij veel tijd nodig had om het verzoekschrift op te stellen en dat zij op de laatste dag van de beroepstermijn nog steeds bezig was om het procesdossier bij elkaar te verzamelen en in orde te maken. De raad heeft vervolgens geoordeeld dat niet gebleken is dat de late indiening van het verzoekschrift en de pleitnota aan het onzorgvuldig handelen van verweerster te wijten is. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster genoegzaam aangevoerd dat zij op 5 juli 2021 een eerste concept verzoekschrift aan klager had opgestuurd en dat klager vervolgens om meerdere aanpassingen van het concept verzocht, waaraan verweerster steeds gehoor heeft gegeven. Zij heeft blijkens de overgelegde correspondentie geprobeerd om zoveel mogelijk in samenspraak met klager een verzoekschrift op te stellen. Daarbij diende de wederpartij ook pas in een zeer laat stadium stukken in, waardoor verweerster haar pleitnota niet eerder kon afmaken, aldus de raad. De raad heeft geconcludeerd dat de klachtonderdelen r), y), z), aa) en bb) ongegrond zijn.
klachtonderdelen s), t), u), v), w), x) communicatie
5.10 De raad heeft vastgesteld dat klager tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder zijn verwijt(en) dat verweerster niet op een juiste wijze met hem heeft gecommuniceerd, gebruik heeft gemaakt van ontwijkend taalgebruik en op slinkse wijze heeft geprobeerd om belangrijke punten in het midden te laten, onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de raad kunnen in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Daarmee is niet gebleken dat verweerster is tekortgeschoten in haar communicatie richting klaagster, aldus de raad. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, heeft de raad ook deze klachtonderdelen ongegrond verklaard.
klachtonderdeel cc), ii), ll): herstellen van (type)fouten
5.11 De raad heeft uiteengezet dat klager in deze klachtonderdelen verweerster verwijt dat zij heeft geweigerd om de hem geconstateerde (type)fouten in het verzoekschrift en in de pleitaantekeningen te herstellen. Verweerster heeft volgens klager geweigerd om de door hem op 19 oktober 2021 aan verweerster toegestuurde lijst met typefouten recht te zetten bij het hof, waardoor verweerster hem financieel heeft benadeeld. De raad heeft vervolgens vastgesteld dat verweerster in haar berichtgeving richting klager heeft toegelicht waarom zij geen reden zag om de door klager genoemde correcties aan het Hof toe te sturen. Verweerster achtte dit niet zinvol en voor zover er inhoudelijk ergens op teruggekomen diende te worden, kon dat tijdens de mondelinge behandeling worden toegelicht. Verweerster staat nog steeds achter de inhoud van het verzoekschrift en haar pleitaantekeningen en zij heeft in haar correspondentie van 28 oktober 2021 ook duidelijk aan klager uitgelegd waarom zij niet meeging in zijn verzoek om haar pleitaantekeningen weg te gooien, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat de stelling van klager dat verweerster hem hierdoor financieel zou hebben benadeeld, niet door de raad kan worden gevolgd en dat klager dit verwijt ook niet nader heeft onderbouwd. De raad acht ook de klachtonderdelen cc), ii) en ll) ongegrond.
klachtonderdelen dd), ee), ff), gg) en mm): geen goede bijstand door verweerster in de voorbereiding naar de zitting
5.12 De raad heeft geoordeeld dat de verwijten in deze klachtonderdelen dat verweerster geen goede bijstand zou hebben geleverd in de voorbereiding naar de zitting van 28 oktober 2021 (doordat zij niet op tijd aan de slag is gegaan om de zaak goed voor te bereiden), niet slagen. De raad heeft met betrekking tot de vorige klachtonderdelen reeds overwogen dat klager en verweerster op meerdere momenten in de aanloop naar de mondelinge behandeling gesprekken met elkaar hebben gevoerd, dat er een gedegen voorbereiding heeft plaatsgevonden en dat op basis daarvan door verweerster pleitaantekeningen zijn opgesteld. Volgens de raad is daarbij niet gebleken dat verweerster zich dreigend en intimiderend in de richting van klager zou hebben opgesteld. De raad heeft geconcludeerd dat ook de klachtonderdelen dd), ee), ff), gg) en mm) ongegrond zijn.
Klachtonderdeel hh) belangen van klager niet in acht genomen
5.13 Met betrekking tot het verwijt van klager in klachtonderdeel hh) dat verweerster zijn belangen niet in acht heeft genomen en haar eigen imago heeft laten prevaleren, heeft de raad geoordeeld dat het de raad niet gebleken is dat verweerster de belangen van klager niet zou hebben gerespecteerd, dan wel op enige andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster gemotiveerd aangevoerd dat het haar taak als advocaat is om naar behoren en op zorgvuldige wijze de belangen van haar cliënt te behartigen en dat uit niets is gebleken dat zij dit onvoldoende zou hebben gedaan. Verweerster heeft in haar berichtgeving richting klager op 25 oktober 2021 duidelijk uitgelegd dat zij de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die haar goeddunkt en dat zij niet verplicht is gevolg te geven aan verzoeken van haar cliënt die zij kansloos acht of waarvan zij meent dat deze de zaak niet ten goede komen (zij is ‘dominus litis’). Verweerster heeft in dat kader in haar haar correspondentie richting klager duidelijk toegelicht welke keuzes zij bij de behandeling van de zaak van klager heeft gemaakt, aldus de raad. De raad heeft gelet op het voorgaande ook klachtonderdeel hh) ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen jj) en kk) geen goede bijstand direct voorafgaand aan en op de zitting
5.14 De raad is van oordeel dat ook deze klachtonderdelen, waarin klager verweerder verwijt dat zij geen goede bijstand aan hem heeft geleverd op, en direct voorafgaand aan, de zitting van 28 oktober 2021 en waarin hij verwijst naar de volgens hem agressieve ondertoon van verweerster in haar e-mailberichten van 28 oktober 2021, ongegrond zijn. Volgens de raad heeft verweerster voldoende toegelicht dat zij, juist om te voorkomen dat klager in zijn belangen zou worden geschaad, - en na overleg met de Orde - tijdens de mondelinge behandeling als procesbewaker heeft gefungeerd. Zij heeft op deze manier, en voor zover dit op dat moment nog mogelijk was door de tussen klager en verweerster ontstane verhouding, geprobeerd om klager op zitting bij te staan, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat uit niets is gebleken dat verweerster daarbij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 5.15 De raad heeft tot slot in het dictum de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft in het door hem ingediende stuk genaamd “beroepschrift” aangevoerd dat de beslissing van de (voorzitter van de) raad is gebaseerd op persoonlijke, niet verifieerbare opvattingen, dat de klachtonderdelen niet feitelijk zijn onderzocht aan de hand van het beschikbare bewijsmateriaal, dat enkel is afgegaan op niet verifieerbare beweringen van verweerster, dat de klachtonderdelen zijn vervalst met als doel om de klachtonderdelen ongegrond te verklaren, en tot slot dat de raad de zaak niet objectief en onpartijdig heeft beoordeeld. Klager heeft ook in dit stuk het hof verzocht om alle klachtonderdelen a) tot en met mm) alsnog grondig en feitelijk te onderzoeken. Klager heeft het hof daarnaast verzocht om verweerster aansprakelijk te stellen voor haar beroepsfouten en de schade die zij klager en zijn gezin heeft toegebracht.
Verweer verweerster
6.2 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
- Bezwaren tegen het proces-verbaal van de raad
7.3 Voor zover klager bezwaren heeft geuit tegen het proces-verbaal van de behandeling bij de raad, heeft het hof daarvan kennis genomen. De bezwaren tegen (de inhoud van) het proces-verbaal kunnen echter niet tot een ander dictum leiden. Bij het bezwaar gericht tegen (de inhoud van) het proces-verbaal heeft klager geen belang, reeds omdat hetgeen daarin staat opgenomen de beslissing van de raad (dat wil zeggen: het dictum) niet draagt. Die beslissing volgt uit hetgeen in het lichaam van de beslissing is overwogen. Het bezwaar kan mitsdien niet tot een ander dictum leiden (zie Hof van Discipline, 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:153). Het hof laat de bezwaren tegen de inhoud van het proces-verbaal dan ook buiten beschouwing.
- Beroepsgronden
7.4 Uit het door klager opgestelde beroepschrift kan het hof evenwel geen concrete beroepsgronden tegen de beslissing van de raad afleiden. Het hof kan echter – ruimhartig uitleggend – uit het door klager ingediende stuk “bezwaren tegen het proces-verbaal” wel afleiden dat klager het niet eens is met de beslissing van de raad en dat hij op een aantal punten zijn standpunten handhaaft. Ter zitting heeft klager de bij hem bestaande kern van de kritiek op de behandeling van zijn zaak door verweerster nader toegelicht. Het hof begrijpt dat klager het verweerster nog altijd verwijt dat zij een aantal van de op haar als advocaat rustende verplichtingen, waaronder het toesturen van een opdrachtbevestiging, niet is nagekomen. Daarnaast handhaaft klager zijn standpunt dat verweerster te lang over het opstellen van het beroepschrift heeft gedaan. Klager handhaaft bovendien zijn standpunt dat verweerster ten onrechte de door hem geconstateerde typefouten/verschrijvingen niet heeft hersteld.
- Geen opdrachtbevestiging
7.5 Klager heeft op de zitting bij het hof nader toegelicht dat hij uit meerdere tuchtrechtelijke uitspraken heeft begrepen dat het sturen van een opdrachtbevestiging cruciaal is en als een advocaat dat nalaat dat verwijtbaar is. Om onduidelijkheden te voorkomen, moet er (wat klager betreft hoe dan ook) een opdrachtbevestiging worden gestuurd. Volgens klager heeft verweerster door hem geen opdrachtbevestiging te sturen haar informatieplicht geschonden.
7.6 Het hof stelt voorop dat op grond van Gedragsregel 16 een advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. In de toelichting op de Gedragsregel is verder opgenomen dat een advocaat gehouden is om een aan hem verleende opdracht, alsmede de daarvoor geldende voorwaarden schriftelijk te bevestigen. In dit geval is het hof echter met de raad van oordeel dat het weliswaar de voorkeur had verdiend dat verweerster een schriftelijke opdrachtbevestiging aan klager had verstrekt, maar dat niet gebleken is dat er tussen klager en verweerster op enig moment onduidelijkheden of misverstanden zijn ontstaan over de inhoud van de opdracht en de tussen hen gemaakte afspraken. Daarnaast is niet gebleken dat klager enig nadeel heeft ondervonden van het feit dat verweerster geen schriftelijke opdrachtbevestiging aan hem heeft verstrekt. Verweerster heeft onderkend dat het beter was geweest als zij wel een opdrachtbevestiging had verzonden en dat zij dit normaal gesproken ook altijd doet. Het hof is van oordeel dat deze eenmalige omissie, die niet tot enig nadeel of onduidelijkheid heeft geleid, in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert. - Niet voortvarend opstellen van het beroepschrift
7.7 Klager verwijt verweerster ook in hoger beroep dat zij het beroepschrift niet voortvarend genoeg heeft opgesteld. Ter zitting bij het hof heeft hij nader verklaard dat hij meermaals aan klaagster heeft gevraagd wanneer zij het beroepschrift zou indienen en dat hij daarop alleen het antwoord kreeg dat verweerster er nog mee bezig was. Volgens klager was dit voor hem een heel belangrijke zaak en hij heeft zich ernstige zorgen gemaakt of verweerster het beroepschrift wel binnen de daarvoor gestelde termijn zou indienen. Op 22 april 2021 heeft verweerster zijn zaak al geaccepteerd en pas op 5 juli 2021 was er een eerste concept, aldus klager.
7.8 Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde correspondentie volgt dat tussen klager en verweerster veelvuldig is gecorrespondeerd over het opstellen van het beroepschrift. In haar bericht van 11 juni 2021 (door de raad weergegeven in rov. 2.13) heeft verweerster aan klager geschreven dat zij in de aankomende periode het beroepschrift zou gaan opstellen, waarna klager het concept zou ontvangen en naar aanleiding waarvan nog aanvullingen/wijzigingen en/of correcties konden worden doorgevoerd. In haar e-mail van 5 juni 2021 (weergegeven door de raad in rov. 2.14) heeft verweerster klager laten weten dat zij haar best zou doen om het concept uiterlijk op 24 juni a.s. gereed te hebben. Ook in haar e-mailberichten van 25 juni 2021, 1 juli 2021 en 2 juli 2021 (weergegeven door de raad in rov 2.15, 2.16 en 2.17) heeft verweerster klager geïnformeerd over de voortgang van het beroepschrift. Op 5 juli 2021 heeft verweerster klager vervolgens het eerste concept toegezonden. Daarna heeft er op 6 juli 2021 een bespreking tussen klager en verweerster op het kantoor van verweerster plaatsgevonden en heeft klager nog wijzigingen kunnen doorgeven. Dit was ruim voor het verstrijken van de beroepstermijn op 20 juli 2021.
7.9 Op 19 juli 2021 is het beroepschrift tijdig naar het gerechtshof Den Haag verzonden. Naar het oordeel van het hof heeft klager tegen deze achtergrond onvoldoende onderbouwd dat verweerster het beroepschrift niet voortvarend zou hebben opgesteld; het eerste concept is immers ruim voor de beroepstermijn aan klager verzonden en de definitieve versie is ook tijdig ingediend. Bovendien heeft verweerster klager steeds duidelijk geïnformeerd over de opgetreden vertragingen in de opstelling van het beroepschrift en de redenen daarvoor. Ook op dit punt is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster.
- Herstel typefouten/verschrijvingen
7.10 Klager handhaaft in hoger beroep zijn verwijt aan verweerster dat zij heeft geweigerd de door hem op 19 oktober 2021 opgestelde lijst met typefouten recht te zetten bij het gerechtshof. In zijn toelichting op de zitting in dit hoger beroep heeft klager aangegeven dat verweerster de typefouten niet wilde verbeteren. Zij zou hem hebben gezegd dat hij zijn eigen glazen zou ingooien als hij de correcties alsnog zou aanbrengen. Klager neemt het verweerster daarnaast kwalijk dat zij weliswaar heeft gezegd dat de correcties ook nog op de zitting aan de orde zouden kunnen komen, maar dat zij dit nooit heeft gedaan omdat zij op de zitting alleen als procesbewaker aanwezig was.
7.11 Het hof sluit zich hier aan bij het oordeel van de raad dat verweerster in haar berichtgeving aan klager heeft toegelicht waarom zij geen reden zag om de door klager genoemde correcties aan het gerechtshof toe te sturen. Verweerster achtte dit niet zinvol en voor zover er inhoudelijk ergens op teruggekomen diende te worden, kon dat tijdens de mondelinge behandeling worden gedaan en toegelicht. Vanuit haar rol als dominus litis is haar dat ook toegestaan (en is zij daartoe zelfs gehouden, hetgeen is uitgewerkt in Gedragsregel 14).
7.12 Dat verweerster er vervolgens niet aan toegekomen is om eventuele correcties op de zitting bij het gerechtshof Den Haag door te geven, heeft te maken met de vertrouwensbreuk die tussen klager en verweerster is ontstaan naar aanleiding van een discussie over de pleitnota en een eerder door klager ingediende klacht. Verweerster heeft ter zitting bij het hof gemotiveerd aangegeven dat zij, nadat klager een klacht tegen haar had ingediend, contact heeft opgenomen met de Orde van Advocaten en dat zij op verzoek van de Orde van Advocaten klager alsnog als procesbewaker heeft bijgestaan tijdens de zitting bij het gerechtshof Den Haag. Hierover heeft verweerster klager in haar e-mail van 28 oktober 2021 (weergegeven door de raad in rov 2.43) uitvoerig geïnformeerd. Ook hier is geen sprake van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. 7.13 Voor zover klager zich op de zitting in dit hoger beroep nog op het standpunt heeft gesteld dat verweerster ten onrechte de foutief opgenomen vordering van zeven maanden salaris niet heeft willen wijzigen in een vordering van acht maanden salaris, heeft hij zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Verweerster heeft ter zitting bij het hof gemotiveerd betwist dat er sprake was van een misverstand over de vordering. Volgens haar is het zo besproken en ingediend. Klager heeft tot het laatste moment nog verzoeken tot wijziging van het beroepschrift doorgegeven, maar niet aangegeven dat er acht maanden in plaats van zeven maanden moesten worden gevorderd. Volgens verweerster is die discussie (die volgens verweerster ook onjuist is) pas ontstaan na de uitspraak in hoger beroep.
- Overige klachtonderdelen
7.14 Met betrekking tot de overige verwijten die klager verweerster heeft gemaakt, ziet het hof op basis van de beroepsgronden (als die al kunnen worden afgeleid uit het beroepschrift) van klager, die louter een herhaling van eerder door klager ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad.
7.15 Het hof sluit zich aan bij die overwegingen van de raad en neemt die over.
Slotsom
7.16 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klacht van klager in alle klachtonderdelen ongegrond acht. Het beroep van klager slaagt dan ook niet. De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 30 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-605/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 november 2025.
