Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:205

Zaaknummer

25-580/A/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. De raad stelt voorop dat mr. B de opdracht aan verweerder had gegeven tot het opstellen van een (cassatie)advies. Tussen mr. B en verweerder bestond dus een advocaat-cliëntrelatie. Verweerder hoefde daarom alleen contact te onderhouden met mr. B als zijn opdrachtgever. Het was vervolgens aan mr. B om zijn cliënt, klager, op de hoogte te stellen van de inhoud van het advies van verweerder. Dat mr. B dat (kennelijk) niet heeft gedaan, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Verweerder kon en mocht zijn “quick scan”-advies opstellen zonder dat hij wist of klager hiervan op de hoogte was en hiervoor al dan niet expliciet zijn toestemming had gegeven. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. Ten aanzien van het verwijt dat verweerder in een belangenconflict zou zijn geraakt, overweegt de raad dat dit alleen had kunnen spelen als klager op enig moment (ook) de cliënt van verweerder zou zijn geweest, maar daarvan is geen sprake. Verweerder diende enkel het belang van mr. B en er bestond voor hem geen enkele noodzaak laat staan verplichting om klager hierover op enige wijze te informeren. Dat klager als gevolg van het (cassatie)advies van verweerder op enige wijze rechtstreeks in zijn belangen zou zijn geraakt, valt daarom niet in te zien. Het in klachtonderdeel c) gemaakte verwijt ziet op de kwaliteit en inhoud van het advies dat verweerder aan zijn cliënt, mr. B, verstrekte. Dat klager het kennelijk oneens was met deze opdracht en de deugdelijkheid van het advies, maakt niet dat klager een rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel is daarom niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam  van 3 november 2025 in de zaak 25-580/A/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager  gemachtigde: mr. E. van Bentum 

over:

verweerder gemachtigde: mr. S.A.A. Hendrickx

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 20 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.  1.2    Op 15 augustus 2025 heeft de raad van discipline te Den Haag het klachtdossier met kenmerk K173 2024 ia/lb van de deken ontvangen.  1.3    Bij beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 25 augustus 2025 is de klacht op grond van het bepaalde in artikel 46aa lid 3 Advocatenwet ter verdere behandeling verwezen naar de raad van discipline Amsterdam (hierna: de raad).  1.4    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren de gemachtigde van klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.5    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Op 1 maart 2018 is klager bij verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland onder meer veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding van € 10.768,97, te vermeerderen met rente en kosten. Bij vonnis van 16 augustus 2018 is het door klager daartegen ingestelde verzet, grotendeels ongegrond verklaard.  2.3    Klager heeft mr. B opdracht gegeven om namens hem in hoger beroep te gaan. Bij dagvaarding van 15 november 2018 heeft mr. B namens klager hoger beroep ingesteld van het vonnis van 16 augustus 2018.  2.4    Nadat de eerste termijn daartoe bijna was verstreken, heeft mr. B uitstel verkregen voor het nemen van een memorie van grieven tot 26 maart 2019. Bij e-mailbericht van 22 maart 2019 heeft mr. B aan klager voorgesteld om een comparitie na aanbrengen te verzoeken. Hiermee heeft klager ingestemd.  2.5    Op 25 maart 2019 heeft mr. B. namens klager verzocht tot het gelasten van een comparitie na aanbrengen danwel een nader uitstel voor het nemen van een memorie van grieven. Beide verzoeken zijn op 26 maart 2019 ter rolle van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) afgewezen.  2.6    Op 27 maart 2019 heeft mr. B het hof verzocht om herziening van voormelde beslissing en hem alsnog twee weken te gunnen voor het nemen van een memorie van grieven. Op 28 maart 2019 heeft de rolraadsheer van het hof ook dit verzoek afgewezen. Aan klager is verval van het recht om een memorie van grieven te nemen verleend. Mr. B heeft klager over een en ander volgens klager niet geïnformeerd.   2.7    Verweerder is cassatieadvocaat. Bij e-mailbericht van 2 april 2019 heeft mr. B verweerder verzocht hem te adviseren over de gang van zaken met betrekking tot het niet tijdig indienen van de memorie van grieven. Afgesproken werd dat verweerder bij wijze van ‘quickcan’ een voorlopige inschatting zou maken over de mogelijkheid en noodzaak van het instellen van een cassatieberoep tegen de rolbeslissingen en tegen de beslissing van de rolraadsheer van 28 maart 2019 en mr. B zou adviseren over andere mogelijkheden waarmee de grieven van klager ter kennis van het hof konden komen.  2.8    Op 5 april 2019 heeft verweerder aan mr. B een opdrachtbevestiging gezonden, waarin, voor zover relevant, staat:  “Hartelijk dank voor uw verzoek om in de bovengenoemde zaak doormiddel van een quick scan te onderzoeken of cassatie kan worden ingesteld tegen de beslissing van de rolraadsheer van het Hof Amsterdam. Ten vervolge op ons telefonisch contact en uw mailbericht van 2 april 2019 bevestig ik u dat ik u met genoegen in deze cassatiezaak zal bijstaan. U zond mij het verzetvonnis van 16 augustus 2018, een kopie roluitdraai en diverse correspondentie. (…) Ik streef ernaar u voor het einde van deze maand van een kort advies te voorzien over de vraag of met succes valt op te komen tegen de beslissing van het hof. (…)” 2.9    Bij arrest van 16 april 2019 heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Ook van de inhoud van dit arrest heeft mr. B klager toen niet op de hoogte gesteld. 2.10    In een e-mailbericht van 17 april 2019 heeft verweerder zijn quickscan-advies aan mr. B verstrekt. Verweerder heeft een negatief cassatieadvies aan mr. B gegeven. In het bericht staat, voor zover relevant:  “U vroeg mij om u te adviseren over de mogelijkheid de rolbeslissingen van 26 maart jl. (…) in cassatie met gerede kans op succes aan te vallen. (…) Ik moet u dan ook spijtig genoeg adviseren dat cassatie geen kans van slagen heeft. Het missen van een termijn, zo kan ik uit mijn beroepsaansprakelijkheidspraktijk bevestigen, is een beroepsfout die iedere advocaat kan overkomen. Daarmee is niet gezegd dat die advocaat ook aansprakelijk is. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat de grieven tot een gunstig arrest zouden hebben geleid. althans dat er een reële kans was geweest op een beter resultaat. Ik kan u daarover desgewenst nader adviseren en u, zou het tot een procedure komen, kunnen bijstaan. Het is (uw laatste vraag) raadzaam uw verzekeraar op korte termijn te melden dat u een beroepsfout hebt gemaakt. Wij bespraken al eerder dat u op grond van Gedragsregel 16 lid 2 uw cliënt op de hoogte dient te stellen. (…)” 2.11    Op 19 augustus 2020 is klager door de wederpartij gedagvaard in een schadestaatprocedure.  2.12    Naar aanleiding van deze dagvaarding heeft klager op 19 augustus 2020 aan mr. B (met zijn adviseur mr. D in de cc) gemaild:  “Er was toch Hoger Beroep??” 2.13    In een e-mailbericht van 16 september 2020 heeft mr. B aan klager geschreven, voor zover relevant:  “(…) Zoals jullie weten, zond ik op 27 maart 2019 een fax aan de rolraadsheer van het [Hof], met het verzoek de rolbeslissing van 26 maart 2019 te herzien en alsnog een termijn toe te staan van twee weken voor de indiening van de memorie van grieven in die zaak. Kort nadien heb ik aan jullie laten weten, dat de rolraadsheer dat verzoek heeft afgewezen. Er werd geen nadere termijn toegestaan voor het nemen van de memorie van grieven. Enige tijd later wees het [Hof] een arrest d.d. 16 april 2019, waarbij de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep werd uitgesproken. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken. De advocaat van de wederpartij zond mij nimmer een bericht, waarbij aanspraak wordt gemaakt op de betaling van die proceskosten. Voor zover aan mij bekend, zond ik jullie destijds reeds een kopie van dat gewezen arrest. Volledigheidshalve treffen jullie het arrest bijgaand nogmaals aan (bijlage). Een eventuele cassatieberoep had geen zin, nu het een feitelijke beslissing betreft en geen vormen zijn verzuimd en/of het recht is geschonden. (…)”  2.14    In een brief van 19 februari 2024 heeft de gemachtigde van klager (namens klager) mr. B aansprakelijk gesteld. Daartoe stelt klager dat hij te laat is geïnformeerd over het arrest van 16 april 2019 en over de gevolgen van dat arrest, waarvan klager pas in de loop van 2020 kennisnam na ontvangst van de dagvaarding in de schadestaatprocedure. Evenmin heeft mr. B klager geadviseerd cassatie in te stellen.  2.15    In een e-mailbericht 26 april 2024 heeft de verzekeraar van het kantoor van mr. B de aansprakelijkheidsstelling door klager van mr. B afgewezen. In dat bericht heeft de verzekeraar verwezen naar een e-mailbericht van 17 april 2019 van verweerder. De verzekeraar schrijft in dat verband:  “In tegenstelling tot hetgeen [u] stelt heeft verzekerde wel degelijk advies ingewonnen bij een cassatieadvocaat met betrekking tot de mogelijkheden/kansen om cassatie in te stellen. Bijgaand sturen wij u het door verzekerde ingewonnen cassatieadvies van 17 april 2019, waaruit duidelijk wordt dat cassatie geen kans van slagen had.”  2.16    In een e-mailbericht van 3 juli 2024 heeft de gemachtigde van klager te kennen gegeven dat klager de handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk wilde laten toetsen en verweerder namens klager aansprakelijk gesteld. De gemachtigde schrijft in het bericht, voor zover relevant:  “(…) Voor wat betreft de schade merk ik op dat in de eerste plaats uiteraard [mr. B] voor de gehele schade aansprakelijk is. Maar nu de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [mr. B] de afwijzing van aansprakelijkheid mede heeft gebaseerd op uw negatief cassatieadvies, ontstaat de situatie dat cliënt zich voor het maken van kosten geplaatst ziet die hij wellicht niet, of in mindere mate zou hebben hoeven te maken indien u een juist cassatieadvies zou hebben gegeven. Daar komt bij dat, zo u wel een goed cassatieadvies zou hebben gegeven, [mr. B] er niet aan zou zijn ontkomen om cliënt daarvan in kennis te stellen en cassatieberoep te doen instellen. Zou dat cassatieberoep gegrond zijn bevonden, dan was de zaak procesrechtelijk bezien hersteld, in die zin dat na cassatie en verwijzing alsnog van grieven gediend had kunnen worden. Bij deze stand van zaken stelt cliënt zich op het standpunt dat u in ieder geval aansprakelijk gehouden kunt worden voor de kosten van rechtsbijstand die gemaakt moeten gaan worden om de aansprakelijkheid van [mr. B] rechtens vast te doen stellen. (…)” 2.17    In een e-mailbericht van 16 juli 2024 van verweerder aan de gemachtigde van klager heeft verweerder geschreven, voor zover relevant:  “(…) [mr. B] heeft mij op 2 april 2019 een e-mail gezonden met de voor de vraagstelling relevante stukken en met het verzoek om advies. Het is gebruikelijk dat een advocaat in feitelijke instantie namens zijn cliënt een cassatieadvocaat raadpleegt indien een ongunstige uitspraak wordt gewezen. Er was voor mij niet de minste reden om te veronderstellen dat de opdracht van [mr. B] om te onderzoeken of in cassatie met gerede kans op succes viel op te komen tegen de litigieuze rolbeslissingen, niet de instemming van deze cliënt had of dat ik hem separaat had moeten infomeren. Het tegendeel volgt – anders dan uw opdrachtgever lijkt te menen – ook niet uit het slot van mijn advies van 17 april 2019, waarin ik aangeeft dat [mr. B], voor zover hij dat nog niet had gedaan, zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en uw opdrachtgever dient te informeren over de mijn bevindingen. Als [mr. B] hierin nalatig is geweest, is dat spijtig maar valt mij daarvan geen verwijt te maken. (…)” 2.18    Op 20 augustus 2024 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat:  a)    hij zonder de medeweten en toestemming van klager een cassatieadvies heeft uitgebracht; b)    hij misbruik zou hebben gemaakt van de schending van de geheimhoudingsplicht van klager door bij zijn advisering gebruik te maken van de (persoons)gegevens van de cliënt van klager zonder zijn toestemming en zonder klager daarvan op de hoogte te stellen (a en b). Tevens klaagt klager dat hij heeft nagelaten om hem tijdig te informeren over de verwerking van zijn persoonsgegevens (c). Dit zou ook in strijd zijn met de AVG; c)    het door hem uitgebrachte cassatieadvies niet zou voldoen aan de daaraan in de Voda gestelde eisen (a), inhoudelijk gezien ondeugdelijk zou zijn en in elk geval te stellig geformuleerd (b);  d)    hij – kort gezegd - bij de advisering een dubbele pet zou hebben opgehad en ten onrechte geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd, meer specifiek:  - hij heeft een dubbele pet op gehad bij de behandeling van de zaak van klager die zijn cliënt hem had voorgelegd. Hij is niet (voldoende) duidelijk geweest als het er om gaat voor wie hij zijn werkzaamheden heeft verricht;  - hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt en aan klager doen toekomen;  - indien en voor zover hij (mede) in opdracht van klager heeft gehandeld, heeft hij onzorgvuldig gehandeld door aan mr. B aan te bieden hem bij te staan in een eventuele beroepsaansprakelijkheidskwestie;  - hij heeft niet of te laat onderkend dat reeds bij aanvang van zijn werkzaamheden sprake was, althans dreigde te ontstaan, van een belangenconflict tussen klager en mr. B. Hij had in dat geval zijn opdracht moeten beëindigen en beide partijen daarover moeten informeren;  - indien hij uitsluitend voor mr. B heeft opgetreden, heeft hij ten onrechte in zijn e-mail van 16 juli 2024 gesteld – althans de indruk gewekt – dat hij op verzoek van mr. B ten behoeve van klager een cassatieadvies heeft opgesteld en uitgebracht.  3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid van de klacht  5.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).  5.2    De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 5.3    Verweerder heeft aangevoerd dat klager op 16 september 2020 bekend raakte met het arrest van het hof van 16 april 2019 en daarmee met het gewraakte handelen van mr. B. Met het op 19 februari 2024 aansprakelijk stellen van mr. B, raakte klager daarna (namelijk op 26 april 2024) pas bekend met het handelen van verweerder (in de vorm zijn cassatieadvies). Het is aan klager te wijten dat hij zo lang heeft gewacht met het aansprakelijk stellen van mr. B en dat hij zijn klacht tegen verweerder, ten gevolge daarvan, pas op 20 augustus 2024 heeft ingediend. Klager had redelijkerwijs eerder op de hoogte kunnen zijn van hetgeen hij nu over klaagt. Verweerder heeft de termijn als bedoeld in 46g Advocatenwet ongebruikt laten verstrijken. De klacht moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus verweerder.  5.4    De raad stelt vast dat klager niet eerder dan op 26 april 2024 bekend raakte met het cassatieadvies van verweerder en daarmee met de betrokkenheid en het handelen van verweerder. Dat klager vervolgens (pas) op augustus 2024 mr. B aansprakelijk heeft gesteld, kan hem niet worden tegengeworpen. Anders dan verweerder lijkt aan te voeren, ziet het in artikel 46g lid 1 Advocatenwet genoemde “redelijkerwijs bekend raken met de feiten” naar het oordeel van de raad niet op een actieve kennisvergaring door klager, maar op feiten waarmee klager in algemene zin redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Daarvan is naar het oordeel van de raad geen sprake. Naar het oordeel van de raad is de in artikel 46g lid 1 Advocatenwet daarom niet overschreden. Van een situatie zoals bedoeld in lid 2 is evenmin sprake.  5.5    Dit betekent dat de klacht ontvankelijk is. Klachtonderdelen a) en d)  5.6    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten moet toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.   5.7    De raad ziet in de inhoud van de klachtonderdelen a) en d) aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling. De raad stelt bij de beoordeling van de klachtonderdelen voorop, zoals ook uit de opdrachtbevestiging van 5 april 2019 blijkt, dat mr. B de opdracht aan verweerder had gegeven tot het opstellen van een (cassatie)advies. Tussen mr. B en verweerder bestond dus een advocaat-cliëntrelatie. Verweerder hoefde daarom alleen contact te onderhouden met mr. B als zijn opdrachtgever. Het was vervolgens aan mr. B om zijn cliënt, klager, op de hoogte te stellen van de inhoud van het advies van verweerder. Dat mr. B dat (kennelijk) niet heeft gedaan, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Verweerder was in ieder geval niet gehouden om actief (bij mr. B) navraag te doen over het al dan niet geven van een akkoord door klager voor het inwinnen van advies door mr. B bij verweerder. Daarbij heeft in het onderhavige geval bovendien te gelden dat de adviesaanvraag van mr. B aan verweerder voortkwam uit een (mogelijke) beroepsfout door mr. B, gevolgd door een mogelijke aansprakelijkheidsstelling van mr. B door klager, zodat deze adviesaanvraag in zoverre geen “standaard” cassatieadvies ten aanzien van een (eind)arrest betrof.  5.8    Gelet op het voorgaande kon en mocht verweerder zijn “quick scan”-advies opstellen zonder dat hij wist of klager hiervan op de hoogte was en hiervoor al dan niet expliciet zijn toestemming had gegeven. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.  5.9    Voor het in klachtonderdeel d) aan verweerder gemaakte verwijt dat hij een dubbele pet op zou hebben gehad en ten onrechte geen opdrachtbevestiging aan klager heeft verstuurd, geldt eveneens dat er tussen klager en verweerder geen sprake was van een advocaat-cliëntrelatie op grond waarvan verweerder gehouden was om (ook) een opdrachtbevestiging aan klager te sturen. Dat het advies aan mr. B (uiteindelijk) ook ten goede zou (kunnen) komen aan klager, maakt dit niet anders. Verweerder diende enkel en alleen het belang van zijn cliënt mr. B. Niet valt in te zien waarom verweerder - op wie bovendien ook een geheimhoudingsplicht rustte – gehouden zou zijn informatie over zijn opdracht van mr. B rechtstreeks met klager te delen. Dat verweerder op enige wijze de indruk zou hebben gewekt dat niet mr. B, maar klager zijn cliënt was, is de raad evenmin gebleken. Dit kan in ieder geval niet uit de inhoud van het e-mailbericht van 16 juli 2024 worden afgeleid.  5.10    Ten aanzien van het verwijt dat verweerder in een belangenconflict zou zijn geraakt, overweegt de raad dat dit alleen had kunnen spelen als klager op enig moment (ook) de cliënt van verweerder zou zijn geweest, maar daarvan is, als overwogen, geen sprake. Verweerder diende enkel het belang van mr. B en er bestond voor hem geen enkele noodzaak laat staan verplichting om klager hierover op enige wijze te informeren.  5.11    Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat klachtonderdeel d) in alle onderdelen ongegrond is.  Klachtonderdeel b)  5.12    Voor zover dit klachtonderdeel inhoudt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) faalt het. Het is niet aan de tuchtrechter om vast te stellen of sprake is van handelen in strijd met de AVG. De beoordeling daarvan is in principe voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens. De tuchtrechter dient te beoordelen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en dat in het kader van de verwerking van persoonsgegevens tuchtrechtelijke normen zijn overschreden, is de raad niet gebleken. Daarbij weegt de raad mee dat het voor de behartiging van de belangen van mr. B – waartoe verweerder zich met het aanvaarden van de opdracht had verplicht – nodig was over zekere gegevens betreffende het dossier van klager te beschikken. Dat verweerder misbruik heeft gemaakt van een schending van de geheimhoudingsplicht door mr. B jegens klager volgt de raad evenmin. Voor zover door mr. B aan verweerder informatie is verstrekt vond dat plaats in het kader van zijn zorgplicht om de gevolgen van een door hem gemaakte fout of omissie in het belang van zijn cliënt (klager) zoveel mogelijk te redresseren of beperken. Voor zover dat laatste niet (meer) mogelijk was, vond de informatievoorziening plaats in het kader van de advisering over de (eigen) rechtspositie van mr. B in diens hoedanigheid van advocaat van klager. 5.13    Klachtonderdeel b) is ongegrond.  Klachtonderdeel c)  5.14    Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel geldt dat alleen de (rechts)persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt, of kan worden, getroffen, het recht heeft hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 5.15    De raad stelt voorop dat verweerder zich in zijn (cassatie)advies aan mr. B niet heeft uitgelaten over de kansen van klager in zijn huurzaak waarover een procedure bij de kantonrechter was gevoerd en wat de inzet was, althans had moeten zijn, van het hoger beroep. Dat klager als gevolg van het (cassatie)advies van verweerder op enige wijze rechtstreeks in zijn belangen zou zijn geraakt, valt daarom niet in te zien. Het in klachtonderdeel c) gemaakte verwijt ziet op de kwaliteit en inhoud van het advies dat verweerder aan zijn cliënt, mr. B, verstrekte. Dat klager het kennelijk oneens was met deze opdracht en de deugdelijkheid van het advies, maakt niet dat klager een rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel.  5.16    Klachtonderdeel c) is daarom niet-ontvankelijk. 

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klachtonderdelen a), b) en d) ongegrond; - verklaart klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 3 november 2025