Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:208
Zaaknummer
25-323/A/A
Zaaknummer
25-324/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klachten over het handelen van verweerder in een andere hoedanigheid, te weten in de rol van deskundige op het gebied van sanctiewetgeving zijn ongegrond. Er is geen sprake van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerder kan ten aanzien van de genoemde uitlatingen geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat de uitlatingen van verweerder klagers onwelgevallig zijn, maakt niet dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Dat verweerder zich middels het opmaken van een verklaring ten onrechte zou hebben gemengd in de procedure of dat hij hiermee een “verborgen procespartij” zou zijn geweest, en dat hij (daarom) het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Verweerder heeft een verklaring opgesteld omdat hierom werd verzocht. Een tuchtrechtelijk verwijt kan hem niet worden gemaakt. Het verwijt van klaagster 2 dat verweerder haar geheimhoudingsplicht op enige wijze zou hebben geschonden, kan de raad niet plaatsen. Ook hier geldt dat verweerder zijn uitlatingen heeft gedaan in zijn rol als deskundige. Niet valt in te zien waarom hij klaagster 2 hierover (vooraf) over had moeten informeren, laat staan dat hij met het nalaten hiervan de geheimhoudingsplicht van klaagster 2 heeft geschonden of het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 3 november 2025 in de zaken 25-323/A/A en 25-324/A/A naar aanleiding van de klachten van:
klagers
over:
verweerder gemachtigde: mr. S.F. Knijnenburg
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 19 en op 20 november 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) klachten ingediend over verweerder. 1.2 Op 20 mei 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken 2389604 en 2389605/JS/YH van de deken ontvangen. 1.3 De klachten is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klagers (klaagster 2 tevens in de hoedanigheid van gemachtigde van klager 1) enerzijds en verweerder en zijn gemachtigde anderzijds aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager 1 heeft een woonwinkel in Leiderdorp. Klager 1 heeft in 2016 een Iraans handelscentrum opgericht met de naam “Iran Netherlands Trade & Cultural Center” (hierna: INTCC). INTCC is gevestigd in hetzelfde pand als de woonwinkel. 2.3 Klaagster 2 is de partner van klager 1. Sinds 2000 is klaagster 2 werkzaam als advocate. 2.4 Klaagster 2 was in de periode van 26 oktober 2017 tot 9 maart 2018 de gevolmachtigde van een ander bedrijf (hierna: O1) dat ook stond ingeschreven op het adres van de woonwinkel. O1 is op 1 november 2018 verhuisd naar Den Haag. 2.5 Verweerder is sanctiespecialist. 2.6 Op 16 maart 2023 heeft BNNVARA een tv-programma van Zembla uitgezonden met de titel ‘Sluiproute Iran’. In deze uitzending (hierna ook: de uitzending) werd aandacht besteed aan de rol van klagers bij het ontduiken van sancties tegen Iran. Tijdens de uitzending werd een verband gelegd tussen de woonwinkel en het ontduiken van sancties. In de uitzending komt aan bod dat het Iraanse bewind via bedrijven in Nederland de sancties die aan Iran zijn opgelegd, probeert te ontduiken. Zembla heeft in de uitzending onderzocht hoe dat precies in zijn werk gaat en wat de overheid daartegen doet. Klagers en het INTCC maken onderdeel uit van de uitzending. In de uitzending wordt ook gezegd dat O1 een internationale tak is van OIEC. 2.7 In de uitzending van Zembla wordt verweerder als sanctiespecialist geraadpleegd en doet hij verschillende uitlatingen. In het klachtdossier bevindt zich het uitgewerkte transscript van de uitzending. 2.8 In een e-mailbericht van 20 maart 2023 heeft de advocaat van klagers (hierna: mr. C) aan verweerder geschreven, voor zover relevant: “Tot mij wendde zich [klagers] die momenteel beschuldigd worden van betrokkenheid bij illegale oliedeals. Heeft u afgelopen donderdag naar Zembla gekeken? In dit programma komt u aan het woord en het lijkt erop alsof u een oordeel velt over onze collega [klaagster 2] U zegt het niet met zoveel woorden, maar door de plaats in het programma, lijkt het alsof u alles weet over OIEC en hun rol en band met 01 International BV. En uw woorden worden vervolgens zodanig ingepast dat het lijkt alsof advocate [klaagster 2] diende te weten dat zij meewerkte aan illegale constructies... strafbaar zou zijn zelfs. Graag wilde ik weten of u inderdaad zulks zo bedoeld heeft? Heeft u kennis van het dossier 01 International BV? En zo ja op één van deze twee vragen, waarop u baseert dat 01 International BV daar nu bij betrokken is? En vervolgens of in 2017/201 8 dat ook al bekend had moeten zijn en kunnen wezen? Uw antwoorden zijn van belang om op korte termijn de positie van mijn cliënten te kunnen bepalen. Er staat immers een herhaling gepland voor donderdag a. s. en mijn cliënten willen dat middels een Kort Geding tegen kunnen gaan, maar kennis van alle relevante feiten is dan wel van belang. Uw medewerking wordt dan sterk op prijs gesteld. (…)” 2.9 Verweerder heeft hierop per e-mail van dezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant: “(…) Wat betreft uw vragen kan ik slechts melden dat mij gevraagd is bepaalde zaken sanctierechtelijk te duiden. Dat heb ik gedaan op basis van de feiten die zijn onderzocht door Zembla. Ik heb geen uitspraken gedaan -en kan dit ook niet - over de vraag of uw cliënte bepaalde zaken had moeten of kunnen weten. (…)'Dat is niet mijn rol als sanctierechtspecialist. Ik heb slechts aangegeven hoe een en ander sanctierechtelijk werkt (…).Bovendien heb ik aangegeven dat overtredingen van sanctiewetgeving strafbare feiten opleveren. Dat is een juridisch feit. Maar nogmaals, ik kan niet vaststellen of daaraan in het geval van uw cliënte sprake van is en dat heb ik -zoals u terecht schrijft- ook niet gedaan. Voor het feitenonderzoek verwijs ik u derhalve naar de redactie van Zembla. (…)” 2.10 Op 21 maart 2023 heeft een (andere) advocaat van klagers (hierna: mr. T) BNNVARA gesommeerd de uitzending offline te halen. BNNVARA heeft hieraan geen gehoor gegeven. Klagers hebben hierna in een kort gedingprocedure onder meer gevorderd BNNVARA te verbieden de uitzending openbaar te maken. 2.11 Op 28 maart 2023 heeft verweerder op verzoek van de redactie van Zembla een verklaring opgesteld, welke is ingebracht in de kortgedingprocedure. In de verklaring staat, voor zover relevant: “Mij is door de redactie van Zembla gevraagd een reactie te geven op de uitzending van Zembla van 16 maart 2023 getiteld 'Sluiproute Iran' waarin ik geïnterviewd ben (de "Uitzending"). Middels deze verklaring voldoe ik aan dat verzoek. Daarnaast geef ik in deze verklaring vanuit mijn expertise duiding over de sanctiewetgeving met betrekking tot Iran, meer specifiek ten aanzien van de casus 01 International B.V. ("01 International") (…)” 2.12 Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 14 april 2023 is de vordering van klagers afgewezen. Wel diende een rectificatietekst te worden geplaatst op de homepage van Zembla. 2.13 Bij arrest van 19 november 2024 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) is het vonnis vernietigd. In het arrest wordt onder meer een beschrijving gegeven van fragmenten uit de betreffende tv-uitzending. Het Hof gebiedt BNNVARA de Uitzending offline te halen. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de eer en goede naam van klagers weegt in dit geval zwaarder dan het volgens het Hof eveneens zwaarwegende belang van BNNVARA. Het Hof heeft daartoe overwogen, voor zover relevant: “4.8 BNNVARA heeft ervoor gekozen [klager 1] c.s. als voorbeeld te nemen voor de gestelde sanctieontduiking. Door [klager 1] in de pre-cap scene nadrukkelijk in beeld te brengen en dit beeld van hem in zijn woonwinkel in de Uitzending steeds te herhalen, kan bij de gemiddelde kijker de gedachte ontstaan dat hij de hoofdschuldige is van de ontduiking van de handelssancties tegen Iran en de gruwelijkheden die daarvan volgens het Programma anno 2023 het gevolg zijn. Door een verband te leggen met de huidige gruwelijkheden in Iran en die ook in beeld te brengen, zijn de mogelijke gevolgen daarvan voor [klager 1] c.s. groot. BNNVARA heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat zij zich daarvan ook bewust is en was, maar dat de ernst van de misstand dit rechtvaardigt. 4.9 De vraag is (…) of de in de Uitzending toegemeten rol van [klagers] gedragen wordt door de feiten (…) en daarom ook gerechtvaardigd was, zoals BNNVARA stelt. (…)” 4.11 Het hof stelt op basis van dit feitenmateriaal vast dat de rol van [klagers] bij sanctieontduiking veel beperkter was dan de rol die BNNVARA aan [klagers] in de uitzending heeft gegeven. In de periode van 2016 tot oktober 2018 (1) waren [klagers] betrokken bij de oprichting van de ondernemingen waarvan in de uitzending wordt gezegd dat die een rader zijn in het systeem van de sanctieontduiking en (2) hebben [klagers] ruimte boven de woonwinkel verhuurd aan één van die ondernemingen, terwijl vanaf januari 2016 economische sancties tegen Iran werden versoepeld, OIEC toen niet op de sanctielijst stond en volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken met OIEC zaken konden worden gedaan. 4.12 Door in de Uitzending niet voldoende concreet te maken welke (beperkte) werkzaamheden [klagers] voor de in de Uitzending genoemde ondernemingen hebben verricht en voorbij te gaan aan het tijdspad, suggereert de Uitzending dat de rol van [klagers] bij de onderzochte ontduiking van sancties tegen Iran veel groter is dan die door de feiten worden gedragen. Die suggestie wordt niet, althans onvoldoende, weggenomen door het getoonde weerwoord van [klagers]. (…) 4.13 Daarbij betrekt het hof het gezag van Zembla als onderzoeksprogramma. De gemiddelde kijker zal uitgaan van de juistheid van de daarin gesuggereerde rol van [klagers]. De in de Uitzending getoonde fragmenten van deskundigen bevestigen die bevindingen. Het weerwoord va [klager 1] biedt weinig tegenwicht tegen de deskundigen die aan het woord komen. De wijze van montage (hakkelend en ontkennend) in combinatie met de fragmenten van de deskundige die stelt dat het handelen van [klager 1] strafbaar is, draagt eerder bij, zoals [klagers] stellen aan verdere verdachtmaking van [klagers].” 2.14 De uitzending is hierna offline gehaald. 2.15 Op 19 en 20 november 2024 hebben klagers een klacht over verweerder ingediend bij de deken. 2.16 Op 19 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak van O1 tegen BNNVARA waarin O1 onder meer vorderde dat voor recht zou worden verklaard dat Zembla onrechtmatig jegens O1 International had gehandeld door het openbaar maken van de uitzending via televisie en op internet, door publicatie van het artikel “Sluiproute Iran” en hierover een rectificatie uit te zenden. Deze vorderingen zijn door de rechtbank Den Haag afgewezen.
3 KLACHT 3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klacht van klager 1 3.2 Klager 1 verwijt verweerder in een uitzending van Zembla als advocaat-deskundige uitingen te hebben gedaan over klager 1 en diens onderneming waaruit bij de gemiddelde kijker de gedachte ontstaat dat klager 1 de hoofdschuldige is van de ontduiking van handelssancties tegen Iran en de gruwelijkheden die daarvan volgens het programma anno 2023 het gevolg zijn. Verweerder heeft zich niet alleen in de Uitzending verwijtbaar negatief uitgelaten, maar ook in een verklaring aan de rechtbank. Verweerder heeft willens en wetens de goede naam en eer van klager 1 geschaad. Klacht van klaagster 2 3.3 Klaagster 2 verwijt verweerder dat hij haar in de uitzending heeft neergezet als een spin in het web van sanctie-ontduikingen. Verweerder heeft ook de geheimhoudingsplicht van klaagster geschonden door in de uitzending uitgebreid over haar en haar cliënt te praten zonder van tevoren met haar of met de deken in contact te treden. Verweerder had zich niet in de media niet moeten uitlaten over de handelingen van klaagster 2 uitgeoefend in het kader van haar werkzaamheden als advocaat met een bijzonder positie in het rechtsbestel 3.4 Daarnaast verwijt klaagster 2 verweerder zich te hebben gemengd in de kortgedingprocedure die door klaagster 2 en haar cliënt was opgestart. Dit heeft hij gedaan door een vertrouwelijke brief op te stellen aan de redactie van BNNVARA die vervolgens als productie is overgelegd, waarin verweerder in feite verweer voert tegen de dagvaarding, terwijl hij alleen een tegenreactie had mogen geven op de inhoud van het deskundigenadvies dat klaagster 2 in het geding had gebracht. Hij is een verborgen partij in de procedure geweest. 3.5 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook (volledig) gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 5.2 De verwijten van klagers richten zich enerzijds tegen de uitlatingen die verweerder heeft gedaan tijdens de uitzending, en anderzijds tegen een schriftelijke verklaring die verweerder ten behoeve van de kortgedingprocedure heeft opgesteld. Verweerder heeft met zijn uitlatingen volgens klagers een cruciale rol gespeeld in het tot stand komen van de uitzending. Daarnaast hebben diens verklaringen de rechter in eerste aanleg de doorslag gegeven de vordering van klagers af te wijzen. Verweerder heeft ongepaste uitlatingen en feitelijk onjuiste informatie over klager 1 en zijn onderneming gedaan. Bovendien heeft verweerder zich op ongeoorloofde wijze uitgelaten over klaagster 2 in het kader van de uitoefening van haar werkzaamheden als advocaat en daarmee ook aangezet tot haatreacties jegens klaagster. 5.3 De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier vast dat verweerder zijn uitlatingen in en rondom de uitzending steeds heeft gedaan als deskundige op het gebied van sanctiewetgeving. Van een advocaat-cliënt relatie met klagers of BNNVARA was geen sprake. Evenmin is verweerder opgetreden als onafhankelijk feitenonderzoeker. Naar het oordeel van de raad hadden deze gedragingen van verweerder onvoldoende aanknopingspunten met zijn beroep van advocaat om, met inachtneming van de hiervoor bedoelde toets, het tuchtrecht in volle omvang van toepassing te laten zijn en zal getoetst worden of verweerder zich zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Uitlatingen van verweerder in de uitzending 5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder met het doen van zijn uitlatingen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het vertrouwen in de advocaat heeft verweerder met zijn handelen niet geschaad. Verweerder heeft in de klachtprocedure en ter zitting naar voren gebracht dat hij ten behoeve van de uitzending als deskundige op het gebied van sanctiewetgeving was geraadpleegd en in die hoedanigheid zijn uitspraken heeft gedaan. Zijn uitlatingen waren, zo heeft verweerder terecht aangevoerd, grotendeels van algemene danwel hypothetische aard en niet toegespitst op de persoon van klagers. Op basis van de inhoud van het klachtdossier - waaronder het transcript van de uitzending - kan worden vastgesteld dat verweerder desgevraagd algemene informatie heeft gegeven over sancties tegen Iran en de ontduiking daarvan. Verweerder doet zijn uitlatingen in de uitzending naar aanleiding van informatie die door onderzoeksjournalisten aan hem werd voorgehouden, en hij beantwoordt de vragen die hem worden gesteld. Verweerder heeft dan ook geen zelfstandig onderzoek gedaan naar klagers en de betrokken ondernemingen. Naar aanleiding van de specifieke informatie die hem door de onderzoeksjournalisten van BNNVARA is voorgehouden, heeft verweerder (slechts) aangegeven dat uit díe informatie bleek dat er invloed vanuit de Iraanse overheid was op het door klager 1 opgerichte handelscentrum en dat er aanleiding was bij de oprichting van O1 nader onderzoek te doen. Ten aanzien van het verwijt van klaagster 2, dat verweerder zich niet had mogen uitlaten over haar handelingen in haar rol van (asiel)advocaat, overweegt de raad dat verweerder in de uitzending heeft opgemerkt dat hij het “opmerkelijk” vindt dat een Nederlandse asieladvocaat een periode de belangen van een bedrijf dat, kennelijk, actief is in de (Iraanse) olie- en gasindustrie, heeft beheerd. Ook deze uitlatingen deed verweerder, zo heeft verweerder aan de hand van het overgelegde transcript voldoende aangetoond, in een reactie op de aan specifiek hem voorgehouden informatie. Het is de redactie van het programma geweest, zo benadrukt verweerder terecht, dat aan de hand van hun bevindingen de uitzending heeft samengesteld en gemonteerd en in dat kader (delen van) de inbreng van verweerder heeft verwerkt. 5.5 Er is geen sprake van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerder kan ten aanzien van deze uitlatingen geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat de uitlatingen van verweerder klagers onwelgevallig zijn, maakt niet dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De klachten zijn ongegrond. Rol van verweerder in de kortgedingprocedure 5.6 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder zich met zijn verklaring van 28 maart 2023 ten onrechte zou hebben gemengd in de kortgedingprocedure en dat hij hierin een doorslaggevende rol zou hebben gespeeld, overweegt de raad het volgende. Nadat tegen BNNVARA een kortgeding was aangespannen waarin ook kritische kanttekeningen werden geplaatst bij de uitlatingen van verweerder heeft verweerder, zo heeft hij toegelicht, op verzoek van de redactie van Zembla een schriftelijke verklaring opgesteld om zijn uitlatingen toe te lichten. Verweerder had van de redactie een afschrift van de dagvaarding ontvangen. In zijn verklaring heeft verweerder uitgelegd waarom zijn uitlatingen tijdens de uitzending volgens hem steekhoudend zijn en wat zijn duiding van de sanctiewetgeving is met betrekking tot Iran. Deze verklaring is vervolgens door BNNVARA als productie in de procedure ingebracht. Dat verweerder zich middels het opmaken van deze verklaring ten onrechte zou hebben gemengd in de procedure of dat hij hiermee een “verborgen procespartij” zou zijn geweest, en dat hij (daarom) het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad, blijkt hieruit naar het oordeel van de raad niet. Verweerder heeft een verklaring opgesteld omdat hierom werd verzocht. Een tuchtrechtelijk verwijt kan hem niet worden gemaakt. 5.7 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat de klachten ook voor dit deel ongegrond zijn. Schending geheimhoudingsplicht 5.8 Het verwijt van klaagster 2 dat verweerder haar geheimhoudingsplicht op enige wijze zou hebben geschonden, kan de raad niet plaatsen. Ook hier geldt dat verweerder zijn uitlatingen heeft gedaan in zijn rol als deskundige. Niet valt in te zien waarom hij klaagster 2 hierover (vooraf) over had moeten informeren, laat staan dat hij met het nalaten hiervan de geheimhoudingsplicht van klaagster 2 heeft geschonden of het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad. 5.9 Dit onderdeel van de klacht is daarom naar het oordeel van de raad eveneens ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart beide klachten in zaaknummers 25-323/A/A en 25-324/A/A ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
