Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:206

Zaaknummer

25-372/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is in alle klachtonderdelen ongegrond. Er bestond voor verweerster naar het oordeel van de raad geen aanleiding om onderzoek te doen naar de herkomst, authenticiteit of echtheid van de ingebrachte leningsovereenkomst. Het verwijt dat verweerster met het inbrengen van dit stuk in de procedure bewust onjuiste informatie heeft verstrekt, faalt. Verweerster behartigde de belangen van haar cliënt toen zij de overeenkomst inbracht. Dat zij daarbij de belangen van klaagster onevenredigheid zou hebben geschaad, is de raad niet gebleken. Evenmin is het de raad gebleken dat verweerster met het leggen van het beslag de belangen van klaagster nodeloos en ontoelaatbaar zou hebben geschaad.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 3 november 2025 in de zaak 25-372/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster gemachtigde: mr. J. Mencke

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 9 en 13 september 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.  1.2    Op 16 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2372868/JS/AS digitaal van de deken ontvangen. 1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 6 september 2025 nagezonden stukken. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van het door klager op 17 september 2025 ingediende verzoek tot nadere uitbreiding/specificering van de klacht en het bezwaar van verweerder hiertegen van dezelfde datum. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster exploiteert onroerend goed. De heer S (de gemachtigde van klaagster) is indirect enig bestuurder van klaagster. 2.3    Op 27 juli 2016 heeft klaagster met bedrijf A een overeenkomst gesloten op grond waarvan klaagster een bedrijfspand in Amsterdam verhuurt aan bedrijf A (hierna de huurovereenkomst). In artikel 8.2 van de overeenkomst is een koopoptie ten gunste van bedrijf A opgenomen, waarin onder meer staat:  “Tussen partijen is een koopsom overeengekomen ter grootte van [1 miljoen euro]. (…) Indien [bedrijf A] de financiering toegezegd krijgt binnen een periode van 4 jaar dan zal deze huurovereenkomst automatisch van rechtswege worden beëindigd”.  2.4    Op 30 mei 2020 heeft bedrijf A de koopoptie ingeroepen. Volgens de heer S heeft bedrijf A de koopoptie niet rechtsgeldig ingeroepen. Ook verschilden partijen van mening over de uitleg van de koopoptie. Op 8 juni 2020 heeft klaagster bedrijf A daarom gedagvaard en ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het bedrijfspand gevorderd. 2.5    Op 18 augustus 2020 heeft bedrijf A conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand. 2.6    Op 7 oktober 2020 vond bij de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) een zitting plaats in een kortgedingprocedure tussen klaagster en bedrijf A. Ten behoeve van deze zitting heeft de toenmalig advocaat van bedrijf A (hierna: mr. D) daags voor de zitting producties ingediend, waaronder een geldleningsovereenkomst gedateerd op 20 juli 2020. De toenmalig advocaat van klaagster (hierna: H) heeft de authenticiteit van deze geldleningsovereenkomst ter discussie gesteld.  2.7    Bij vonnis van 14 oktober 2020 heeft de kantonrechter onder randnummers 12 tot en met 14, voor zover hier van belang, overwogen:  “12. (…) als belangrijkste voorwaarde voor eindigen van de huurovereenkomst geldt dat [bedrijf A] binnen een periode van vier jaar na aanvang van de huurovereenkomst (…) de financiering van de aankoop van het pad (…) toegezegd moet hebben gekregen. Uit de overgelegde stukken blijkt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet dat [berdrijf A] aan die voorwaarde heeft voldaan. (..)  13. Dat [bedrijf A] en (…) in deze kort geding procedure komen met een onderhandse overeenkomst van geldlening, gedateerd op 20 juli 2020, tot een bedrag van (…) kan hen in deze procedure niet helpen. Immers, tijdens de mondelinge behandeling hebben [bedrijf A] en (…) erkend dat deze overeenkomst eerst een dag voor de mondelinge behandeling aan [klaagster] is toegezonden. Niet gebleken is dat [klaagster] eerder kennis heeft kunnen nemen van deze overeenkomst, wat wel voor de hand had gelegen nu de financiering voor 1 augustus 2020 rond had moeten zijn. Sterker nog, terecht heeft [klaagster] opgemerkt dat [bedrijf A] in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 17 augustus 2020 in de bodemprocedure niet rept over een geldleningsovereenkomst van 20 juli 2020, maar zich op het standpunt stelt dat op 10 juli 2020 de volledige koopsom beschikbaar is voor [klaagster] (…)   14. De bodemrechter zal beoordelen of aan deze geldleningsovereenkomst alsnog waarde dient te worden gehecht. In een kort geding is immers geen gelegenheid om nader onderzoek te doen.”  2.8    Op 19 oktober 2020 heeft klaagster de huurovereenkomst met bedrijf A opgezegd per 31 juli 2021. Over de rechtsgeldigheid van deze huuropzegging door klaagster en van het inroepen van de koopoptie door bedrijf A is een bodemprocedure bij de kantonrechter gevoerd. 2.9    Bij vonnis van 14 juni 2021 heeft de kantonrechter in de bodemprocedure geoordeeld dat bedrijf A de koopoptie niet rechtsgeldig had ingeroepen en dat klaagster vervolgens de huurovereenkomst rechtsgeldig had opgezegd. Voor recht is verklaard dat de huurovereenkomst op 31 juli 2021 zou eindigen en dat bedrijf A het pand per die datum moest ontruimen.  2.10    Bedrijf A is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Verweerster is vanaf dat moment bedrijf A gaan bijstaan in het geschil met klaagster en de heer S. Op 14 september 2021 heeft verweerster namens bedrijf A een dagvaarding in hoger beroep uitgebracht. Daarbij is de geldleningsovereenkomst van 20 juli 2020 overgelegd. 2.11    Bij randnummer 2.6 van de appeldagvaarding staat:  “[bedrijf A] heeft bij e-mail van 30 mei 2020 (Productie 3) de Koopoptie (tijdig) ingeroepen. Ten behoeve van het inroepen van de Koopoptie heeft zij financiering ontvangen van de heren (…). Reeds op 16 april 2020 was de financiering toegezegd bij e-mail (Productie 4) en de voorwaarden in dat kader zijn later uitgewerkt In een samenwerkingsovereenkomst d.d. 7 juli 2020 (de Samenwerkingsovereenkomst - Productie 5) en een overeenkomst van geldlening d.d. 20 juli 2020 (de OvG - Productie 6), Door de notaris die [bedrijf A] had ingeschakeld om de levering van het Gehuurde te verzorgen, is bovendien bij e-mail (Productie 7) bevestigd dat op 22 juli 2020 op zijn kwaliteitsrekening de koopsom was gestort.” 2.12    Op 6 mei 2022 hebben klaagster en de heer S een kortgedingprocedure tegen bedrijf A gestart om het op 18 augustus 2020 op het bedrijfspand gelegde conservatoire beslag opgeheven te krijgen.  2.13    Op 25 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het door bedrijf A gelegde conservatoire beslag op het bedrijfspand opgeheven. De voorzieningenrechter was -samengevat- van mening dat de benarde financiële situatie van klaagster prevaleerde boven het belang van bedrijf A en dat klaagster had toegezegd dat zij het pand niet zou vervreemden gedurende de bodemprocedure.  2.14    Op 30 mei 2022 heeft klaagster het bedrijfspand verkocht aan bedrijf F, een vennootschap waarvan de heer S indirect enig bestuurder is. Vervolgens heeft bedrijf F het bedrijfspand doorverkocht aan bedrijf M, waarvan de heer S ook indirect bestuurder is. 2.15    Op 15 juni 2022 heeft verweerster namens bedrijf A opnieuw bij de rechtbank verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag. Op 16 juni 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verlof verleend. Op 17 juni 2022 heeft bedrijf A conservatoir beslag laten leggen. 2.16    Op 6 juli 2022 zijn klaagster en de heer S opnieuw een kortgeding tegen bedrijf A gestart waarin zij opheffing van het gelegde conservatoire beslag vorderen. 2.17    Bij vonnis van 12 juli 2022 heeft de voorzieningenrechter de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. Onder 4.8 van het vonnis heeft de rechter overwogen, voor zover relevant:  “[Bedrijf A] heeft een gegronde vrees dat [klaagster] het pand opnieuw zal verkopen (…) Al met al weegt daarom het belang [bedrijf A] bij handhaving van het beslag zwaarder dan opheffing daarvan voor [klaagster]. (…)” 2.18    Klaagster en de heer S zijn van het vonnis van 12 juli 2022 in hoger beroep gegaan.  2.19    Het hoger beroep is op de zitting van 31 augustus 2022 behandeld. Tijdens deze zitting hebben partijen een schikking bereikt. 2.20    Op 15 februari 2023 en op 15 maart 2023 heeft klaagster een klacht bij de deken ingediend tegen verweerster (zaaknummer 24-131/A/A). Die klacht zag, kort gezegd, op een verklaring die verweerster namens bedrijf A had ingebracht in de kortgedingprocedure tussen klaagster en bedrijf A. Klaagster verweet verweerster dat deze verklaring vals of vervalst was en dat verweerster deze niet in de lopende procedure had mogen inbrengen.  2.21    Klachtzaak 24-131/A/A is behandeld ter zitting van de raad van 14 juni 2024. Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster de raad verzocht de klachten over verweerster aan te vullen met het verwijt dat verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 6 door beslag te leggen op bijna 40 bankrekeningen van klaagster. De raad heeft dit verzoek afgewezen omdat het een nieuw verwijt betrof dat niet tot nauwelijks onderdeel had uitgemaakt van het onderzoek van de deken.  2.22    Bij beslissing van de raad van 5 augustus 2024 is klacht in de zaak 24-131/A/A gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een waarschuwing opgelegd.  2.23    Klaagster is van deze beslissing in hoger beroep gegaan. Het Hof van Discipline heeft nog geen uitspraak gedaan in het beroep. 2.24    Op 9 en 13 september 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht tegen verweerster ingediend.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster, met inachtneming van de ter zitting deels toegewezen aanvulling op de klacht, dat zij:  a)    het hof in de appeldagvaarding van 14 september 2021 onjuist heeft geïnformeerd door: (i)    een geldleningsovereenkomst in te brengen, waarvan verweerster wist althans behoorde te weten dat het niet authentiek is, althans dat deze overeenkomst tenminste was geantedateerd; (ii)    in randnummer 2.6 van de appeldagvaarding daarmee samenhangende feiten te beschrijven waarvan zij wist althans behoorde te weten dat deze niet waar zijn; (iii)    te hebben nagelaten het hof te informeren dat de authenticiteit en datering van de overeenkomst reeds door de wederpartij waren betwist en door de voorzieningenrechter in het vonnis van 14 oktober 2020 nadrukkelijk in twijfel waren getrokken, terwijl zij bovendien bekend was met de tegenstrijdige proceshoudingen van haar cliënte (eerst ABC-transactie, later eigen aankoop);  (iv)    alvorens de leenovereenkomst in te brengen, vanwege alle uitzonderlijke situaties met betrekking tot de authenticiteit (oordeel voorzieningenrechter, inconsistenties, niet inbrengen bodemprocedure, en fysieke aanwijzingen), meer onderzoek had moeten doen naar de authenticiteit. b)    ten laste van klaagster en de aan haar gelieerde (rechts)personen veertig keer beslag heeft gelegd onder banken en financieringsinstellingen. Het leggen van een dergelijke hoeveelheid beslagen op zichzelf, en meer waaronder bij financieringsinstellingen die typisch geen tegoeden van derden onder zich houden, maar waarvan verweerster wist dat klager afhankelijk is van financiering, kan niet anders worden uitgelegd dan het nodeloos en ontoelaatbaar schenden van de belangen van klaagster en is een duidelijke poging om klaagster onder druk te zetten en het zakendoen onmogelijk te maken. Dit is in strijd is met de kernwaarde onafhankelijkheid.  3.2    De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klaagster ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht.  4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Ne bis in idem?  5.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 5.2    Verweerster stelt dat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Klaagster had de klacht eerder kunnen meenemen bij de klachten die zij in 2023 tegen verweerster heeft ingediend. Het gaat om hetzelfde feitencomplex en met het handelen dat klaagster haar verwijt, was klaagster bij het indienen van de klachten in 2023 bekend. Klaagster moet volgens verweerster in de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.  5.3    De raad stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de beginselen van een behoorlijke procesorde alleen aan de inhoudelijke beoordeling van een klacht in de weg staan indien sprake is van een tweede klacht over hetzelfde feitencomplex en identieke verwijten, en er een zodanige verwevenheid is dat bundeling had moeten plaatsvinden. De raad stelt in deze zaak vast dat het verwijt van klaagster weliswaar eveneens ziet op handelingen van verweerder in het geschil tussen klaagster en bedrijf A, maar dat de aard van de verweten handeling verschilt van die waarover klaagster in klachtzaak 24-131/A/A heeft geklaagd. Er is ook geen sprake van een zodanige verwevenheid van de klachten dat klaagster deze klachten had moeten bundelen. Van schending van het ne bis in idem-beginsel is geen sprake. Dat betekent dat de raad aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt  Inhoudelijke beoordeling klacht 5.4    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.5    Bij de beoordeling van de klachtonderdelen betrekt de raad de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder ook de kernwaarden die in artikel 10a Advocatenwet zijn uitgewerkt. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Klachtonderdeel a, onderdelen i, ii, iii, iv)  5.6    Klachtonderdeel a) richt zich tegen de door verweerster in hoger beroepsprocedure ingebrachte leningsovereenkomst. Klager verwijt verweerster in de gespecificeerde onderdelen i) tot en met iv) dat verweerster deze overeenkomst, waarvan zij wist of had kunnen weten dat deze vervalst was, niet bij de appeldagvaarding van 14 september 2021 had mogen inbrengen en dat zij meer onderzoek naar de authenticiteit van dit stuk had moeten doen.  5.7    Klaagster verwijt verweerster dat zij de geldleningsovereenkomst zonder verder onderzoek heeft ingebracht in de hoger beroepsprocedure, ondanks haar kennis van de eerder door de advocate van klaagster geuite twijfels over de authenticiteit van de geldleningsovereenkomst en de tegenstijdige berichten daaromtrent van bedrijf A. Er bestond voor verweerster voldoende aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de door haar cliënt aan haar verstrekte informatie. Door hier geen navraag naar te doen en de rechter ook niet te informeren over de twijfels rondom de authenticiteit, heeft verweerster klachtwaardig gehandeld, aldus klaagster.  5.8    Naar het oordeel van de raad heeft verweerster geen tuchtrechtelijke norm overschreden door namens haar cliënt de leningsovereenkomst in het geding te brengen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 14 oktober 2020 enkele kanttekeningen geplaatst bij dat stuk en de wijze waarop dat destijds in het geding was gebracht, uit het vonnis – dat bovendien blijk geeft van een voorshands oordeel - volgt niet dat het stuk geantedateerd, vals of niet echt zou zijn. Zoals verweerster heeft toegelicht heeft zij , mede naar aanleiding van deze kanttekeningen, navraag naar de leningsovereenkomst gedaan bij haar cliënt. Haar cliënt heeft haar desgevraagd verzekerd dat de leningsovereenkomst een authentiek stuk betrof. Verweerster had geen aanleiding hier verder onderzoek naar te doen. Bovendien had verweerster namens bedrijf A in hoger beroep een e-mailbericht overgelegd waarin door de notaris werd bevestigd dat de koopsom voor het pand al op 22 juli 2020 door bedrijf A op zijn kwaliteitsrekening was gestort (haar cliënt nam immers het standpunt in dat voor het inroepen van de koopoptie voldoende was dat bedrijf A tijdig beschikte over financiering, en niet zozeer dat sprake moest zijn van eigen financiering zoals de wederpartij had bepleit). Ook tegen deze achtergrond had verweerster geen aanleiding om te twijfelen aan de echtheid van de leenovereenkomst.  5.9    Kortom, er bestond voor verweerster naar het oordeel van de raad geen aanleiding om onderzoek te doen naar de herkomst, authenticiteit of echtheid van de leningsovereenkomst. Het verwijt dat verweerster met het inbrengen van dit stuk in de procedure bewust onjuiste informatie heeft verstrekt, faalt. Verweerster behartigde de belangen van haar cliënt, bedrijf A, toen zij de overeenkomst inbracht. Dat zij daarbij de belangen van klaagster onevenredigheid zou hebben geschaad, is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.  Klachtonderdeel b)  5.10    Klaagster verwijt verweerster dat zij een tuchtrechtelijke norm heeft overschreden door veertig maal beslag te leggen. Deze beslagleggingen waren volgens klaagster excessief, hadden slechts als doel om klaagster en de aan haar gelieerde vennootschappen onder druk te zetten en de naam van klaagster te schaden. 5.11    De raad stelt op grond van het feitenrelaas vast dat door voorzieningenrechter op 16 juni 2022 verlof is verleend voor de door verweerster verzochte beslagleggingen ten laste van klaagster. Bij vonnis van 12 juli 2022 heeft de rechter in kort geding de vordering van klaagster tot opheffing van het beslag afgewezen. Daarbij heeft de rechter onder 4.8 van het vonnis overwogen dat bij bedrijf A een gegronde vrees bestond dat klaagster het pand opnieuw zou verkopen. Uit dit vonnis blijkt niet dat er bij de voorzieningenrechter twijfels bestonden over de doelmatigheid van de beslagleggingen. Dat de beslagleggingen door klaagster en de heer S als buitengewoon vervelend zijn ervaren en dat de heer S zich hierdoor onder druk gezet heeft gevoeld, maakt niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij het beslagrekest in het belang van haar cliënte heeft ingediend met als doel om de verhaalsrechten van bedrijf A veilig te stellen. Daarbij speelde mee dat klaagster, in strijd met een eerdere toezegging hierover, het pand had doorverkocht nadat het eerste beslag hierop was opgegeven. Tegen die achtergrond heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er bij bedrijf A een gegronde vrees bestond dat klaagster het pand zou doorverkopen en dat leggen van beslag daarom geoorloofd was. Nu het de raad ook verder niet is gebleken dat verweerster met het leggen van het beslag de belangen van klaagster nodeloos en ontoelaatbaar zou hebben geschaad, is de raad van oordeel dat klachtonderdeel b) ongegrond is. 

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op  3 november 2025. 

Griffier    Voorzitter

Verzonden: 3 november 2025