Rechtspraak
Uitspraakdatum
06-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:223
Zaaknummer
250360
Inhoudsindicatie
Klacht wordt niet verwezen. Het hof overweegt dat het indienen van een klacht tegen een advocaat die in dit geval ook deken is, niet de geëigende wijze is om de weigering van die deken om een advocaat aan te wijzen aan de orde te stellen. De weigering van de deken om een advocaat aan te wijzen kent in de Advocatenwet een zelfstandige rechtsgang, te weten het artikel 13-beklag. Klaagster is daarvan op de hoogte en kan bij het hof een dergelijk beklag indienen. Zij heeft er echter voor gekozen om dit niet te doen en in plaats daarvan een klacht tegen de deken in te dienen. Aangezien de klacht verder geen omschrijving bevat van enig handelen of nalaten van de deken op grond waarvan de tuchtrechter tot de conclusie zou kunnen komen dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, ziet het hof geen aanleiding om de klacht voor onderzoek naar een andere deken te verwijzen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 6 november 2025 in de zaak 250360
naar aanleiding van de klacht van: klaagster tegen:
verweerder
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van datum 27 oktober 2025 van klaagster. Hierin heeft klaagster aan de voorzitter van het hof een klacht over verweerder onder de aandacht gebracht.
1.2 De klacht houdt in dat klaagster het er niet mee eens is dat de deken haar niet nogmaals een advocaat wil aanwijzen. Tussen klaagster en de door de deken aangewezen advocaat is een vertrouwensbreuk ontstaan. Daarom heeft klaagster aan de deken verzocht om haar nogmaals een advocaat aan te wijzen. De deken heeft klaagster laten weten dat hij geen nieuwe advocaat zal aanwijzen. Hierbij heeft de deken aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de deken voor eenzelfde geschil één keer een advocaat aanwijst. Klaagster is het daar niet mee eens, zij wijst erop dat in de zaak Taghi ook een tweede advocaat is aangewezen en zij ziet niet in waarom dat bij deze zaak niet zou kunnen.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Het hof stelt vast dat de door klaagster geformuleerde klacht bestaat uit één, zoals onder 1.2 weergegeven, grond.
2.3 Het hof overweegt dat het indienen van een klacht tegen een advocaat die in dit geval ook deken is, niet de geëigende wijze is om de weigering van die deken om een advocaat aan te wijzen aan de orde te stellen. De weigering van de deken om een advocaat aan te wijzen kent in de Advocatenwet een zelfstandige rechtsgang, te weten het artikel 13-beklag. Klaagster is daarvan op de hoogte en kan bij het hof een dergelijk beklag indienen. Zij heeft er echter voor gekozen om dit niet te doen en in plaats daarvan een klacht tegen de deken in te dienen.
2.4 Aangezien de klacht verder geen omschrijving bevat van enig handelen of nalaten van de deken op grond waarvan de tuchtrechter tot de conclusie zou kunnen komen dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, ziet het hof geen aanleiding om de klacht voor onderzoek naar een andere deken te verwijzen. Op basis van het voorhanden dossier is immers onduidelijk wat zou moeten worden onderzocht. Het hof zal het verwijzingsverzoek daarom niet honoreren.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 6 november 2025 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 november 2025.
