Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:151

Zaaknummer

25-242/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van het (vermeend) slachtoffer over de advocaat van de verdachte. Vrijheid van meningsuiting in een strafrechtelijke procedure. Verweerder heeft de aan hem toekomende ruime vrijheid niet overschreden. Niet gebleken van een evident kansloos verweer. Klacht ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 3 november 2025 in de zaak 25-242/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 22 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 12 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-125 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1-1 tot en met 6.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is advocaat en was voorheen [volksvertegenwoordiger]. Op 14 en 15 april 2021 hebben diverse kranten bericht over beschuldigingen van grensoverschrijdend seksueel gedrag bij (destijds) minderjarige jongens door klager.

2.3    Op 27 maart 2023 is de heer T veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete, omdat hij klager een ‘[scheldnaam]’ had genoemd. Diezelfde dag heeft een presentatrice van [omroep] daarover getweet:

“Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[klager] “[scheldnaam]” werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid af gestraft en rent het systeem alleen voor je als je lid bent van [politieke partij]. Typisch.”

2.4    Klager heeft tegen deze presentatrice aangifte gedaan van smaad en laster. Verweerder heeft de presentatrice bijgestaan als advocaat in de strafzaak waar deze aangifte toe leidde.

2.5    Op 21 november 2024 heeft de rechtbank Den Haag de strafzaak op zitting behandeld. Klager was daarbij niet aanwezig. Een rechtbankverslaggever heeft op Twitter live verslag gedaan van de zitting. Verweerder heeft op de zitting een pleitnota voorgedragen. Daaruit volgt, voor zover van belang:

“(…) [Klager] is een [leeftijd]-jarige (strafrecht)advocaat die kortstondig [volksvertegenwoordiger] is geweest namens [politieke partij]. Hij werd op [datum] als [volksvertegenwoordiger] beëdigd. Zijn [rol van volksvertegenwoordiger] was echter van korte duur. Op 14 april 2021 komen de eerste berichten in de media naar buiten waaruit blijkt dat [klager] minderjarige jongens – sommigen slechts zestien of vijftien jaar oud – zou hebben benaderd voor seks. Met een aantal van hen had hij, naar zeggen van de jongens, ook seks of verrichtte hij seksuele handelingen. [Klager] zelf heeft de aantijgingen nooit ontkend, maar slechts vermeld dat hij zich binnen de grenzen van de wet heeft begeven en nooit strafrechtelijk vervolgd dan wel veroordeeld is.  Er ontstaat naar aanleiding van de aantijgingen van de jongens jegens [klager] veel ophef in de media. Op 14 en 15 april 2021 berichten vrijwel alle nationale kranten (AD, NRC, Volkskrant, Trouw, Parool) over de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag, seksuele handelingen met minderjarigen en “grooming” van [klager]. Hij moet ten gevolge van de enorme maatschappelijke ophef terugtreden als [volksvertegenwoordiger]. De toenmalig partijleider van [politieke partij], [naam], noemt zijn terugtreden ‘onvermijdelijk’. Voornoemde lijkt begrijpelijk: de beschuldigingen aan het adres van [klager] liegen er niet om. Een van de jongens verklaarde dat [klager] tegen hem zei dat zijn ‘foutste fantasie’ was om seks te hebben met iemand onder de 16. Hij gaf tevens aan dat [klager] had gezegd het risico wel te willen nemen als hij iemand onder de 16 zou kennen en de jongen hem zou vertrouwen. Een andere jongen, J. B., werd op vijftienjarige leeftijd uitgenodigd op het advocatenkantoor van [klager]. Een derde slachtoffer, B., toen vijftien jaar oud, vertelt dat [klager] hem ongevraagd over zijn bovenbeen wreef en hem vroeg of hij al beenbeharing had. Deze verklaringen zijn te vinden op X, in de voornoemde landelijke kranten en tevens op televisie te horen, bijvoorbeeld bij Hart voor Nederland. Op basis van voornoemde verklaringen van slachtoffers en berichten in de media is onmiskenbaar de indruk gewekt dat [klager] in ieder geval een voorkeur heeft voor minderjarige jongens – en daar ook naar handelt. Daar blijft het niet bij. Onlangs werd bekend dat [klager] via zijn Instagramaccount jonge tot zeer jonge Aziatische kinderen volgt. Er ontstond wederom ophef en [klager] ontvolgde volgens berichten na die ophef ongeveer 600 accounts. Het volgen van een groot aantal accounts van jonge, schaars geklede Aziatische jongens lijkt het beeld dat in eerdere mediaberichten geschetst is niet tegen te spreken.  Zijn seksuele voorkeur was ten tijde van zijn terugtreden en is nu nog steeds – gezien het feit dat [klager] zijn achternaam gister, wederom trending was op X en zelfs bovenaan heeft gestaan – onderdeel van het maatschappelijk debat. Een Twitteraar refereert eergister nog expliciet aan de handelingen van [klager] die eerder in de media bekend werden. Saillant detail, er zijn al vier gevallen van veroordelingen bekend voor soortgelijke tenlastegelegde feiten als de onderhavige naar aanleiding van aangiftes van [klager] ([naam], [naam], [naam] en een Groningse vrouw) en twee gevallen van succesvolle vraag tot vervolging ([naam] en de onderhavige zaak).  Nieuwsrechts maakt in een artikel op haar website melding van het selectieve vervolgingsbeleid van het OM. Wierd Duk heeft aangifte tegen [klager] gedaan vanwege een nazi-vergelijking. Recent vergeleek [klager] het gehele nieuw kabinet met nazi’s. [Naam] deed eveneens aangifte tegen [klager] vanwege het verspreiden van verkeerde persoonlijke informatie over hem. Ook rapper [naam] deed aangifte wegens smaad en laster.  Bovenstaande is bij het publiek bekend en dit is relevant in deze zaak. Tegen deze achtergrond moet namelijk ook de tweet van [naam], die [klager] een “[scheldnaam]” noemde, worden begrepen. [Naam] is veroordeeld tot een voorwaardelijke boete van 750,- euro en een schadevergoeding van 250,- euro aan [klager]. In het krantenartikel, geplaatst in het AD, wordt expliciet vermeld dat de drie Twitterberichten waar het in die zaak om ging expliciet in het kader van het debat over [klager] en zijn seksuele voorkeur zijn geplaatst. [Naam] geeft eveneens aan dat hij de term ‘[scheldnaam]’ niet letterlijk bedoelde. [Naam] wordt op 27 maart 2023 toch veroordeeld. Op die dag werd er getweet en gesproken over de veroordeling – en in relatie daartoe ook wederom over de seksuele voorkeur en gedragingen van [klager].  Duiding door cliënte  Cliënte vond de veroordeling van [naam] absurd en wel om drie redenen: (1) er is, zoals in de rechtszaak tegen [naam] ook naar voren kwam, ruimschoots vast komen te staan dat [klager] een voorkeur heeft voor jonge jongens, (2) het woord “[scheldnaam]” is niet letterlijk bedoeld, hetgeen in zijn algemeenheid, gegeven hetgeen bekend is over [klager], zou moeten worden begrepen en (3) [klager] is iemand die zelf veelvuldig uitdeelt, tegen hem worden en zijn ook meerdere aangiften gedaan: waarom weet hij keer op keer mensen voor de rechter te krijgen, heeft cliënte gedacht en gaan die rechters ook nog eens mee daarin.  Als rechtsfilosoof, gepromoveerd jurist en opiniemaker heeft cliënte een speciale interesse om rechtszaken te volgen. Zij probeert als opiniemaker, als gezegd, debat aan te zwengelen over maatschappelijk relevante thema’s. Zij weet uit persoonlijke ervaring ook dat de zaken waarin tegen [klager] aangifte is gedaan niet worden opgepakt door justitie. Dat is de reden dat zij op 27 maart 2023, na de veroordeling van [naam], de volgende tekst tweette:  “Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[klager] "[scheldnaam]" werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid af gestraft en rent het systeem alleen voor je als je lid bent van [politieke partij]. Typisch.”  Zij sloot met deze uitlating aan bij het maatschappelijk debat dat gevoerd werd en wordt over de seksuele voorkeur van [klager] als prominent persoon en de rechtszaken daaromheen. Ten eerste om duidelijk te maken dat het woord “[scheldnaam]” evident in ironische en overdrachtelijke zin is genoemd en dus waar is verwijzend naar de seksuele voorkeur en verlangens van [klager] en verwijzend naar de daadwerkelijke handelingen met minderjarige jongens.  Daarnaast wilde cliënte kritiek uiten op de rechtspraak, die in haar ogen niet goed was door een woord als ‘[scheldnaam]”, dat evident overdrachtelijk bedoeld was en voor iedereen ook duidelijk was, letterlijk te nemen en [naam] daarop te veroordelen. Zij wilde daarbij ook als maatschappelijk onderwerp de ongelijkheid in middelen aankaarten: [klager] heeft het systeem achter zich staan terwijl [naam] zichzelf verdedigt tegenover de politierechter. En tot slot wilde zij het meten met twee maten van Justitie naar voren brengen en bekritiseren in de publieke ruimte: [klager] deelt uit, er zijn veelvuldig aangiften tegen hem gedaan, maar hij wordt nooit vervolgd.  Drie verweren ten aanzien van feit 2  (1) Er is hier sprake van het woord “[scheldnaam]”, dat op zichzelf, los van context, als beledigend kan worden aangemerkt. Alleen haalt de context het beledigende karakter daarvan weg. De gehele context en de evident overdrachtelijke zin waarin dit woord “[scheldnaam]” is gebruikt in het kader van het maatschappelijk debat door cliënte als opiniemaker, maken dit dus geheel anders. Dit maakt ook dat cliënte geen opzet tot belediging heeft gehad.  De tweet had meerdere maatschappijkritische lagen, zoals cliënte heeft aangegeven. Hieronder ook de laag waarbij kritiek werd geleverd op de rechterlijke uitspraak waarin leek te zijn miskend dat het genoemde woord “[scheldnaam]” evident overdrachtelijk bedoeld was. En dat deze in die overdrachtelijke zin, zoals allen wisten, waar is met betrekking tot aangever. Want iedereen wist al dat [klager] seks had met een jongen van 16 en dat hij fantaseert over nog jongere minderjarige jongens.  Ik bedoel, als we iemand “stresskip” noemen, dan betekent dat toch ook niet dat we denken dat hij letterlijk een kip is, waardoor hetgeen we over die persoon zeggen onwaar is. Dat was onder andere het punt dat zij wilde maken, naast het gegeven dat het rechtssysteem aan de kant lijkt te staan van progressieven.  Cliënte heeft hierbij in de tweet ook duidelijk gemaakt dat het woord “[scheldnaam]” een citaat is en op een bijzondere betekeniswijze, namelijk overdrachtelijk met chargering en ironie, is bedoeld door aanhalingstekens te plaatsen bij het woord. Het kon echter los daarvan niemand zijn ontgaan dat hier een zekere overdrijving en ironie in zat, gelet op wat in de media al bekend was over [klager]. Het past ook bij het medium X en mensen weten dit in zijn algemeenheid.  Ook het aspect dat cliënte met deze tweet vooral kritiek leverde op een concrete uitspraak van de rechter en het probleem wilde aankaarten dat de aangiften van [klager] wel werden vervolgd is van groot belang. Het EHRM zegt over de rol van opiniemakers en de rechterlijke macht het volgende:  ‘The press is one of the means by which politicians and public opinion can verify that judges are discharging their heavy responsibility in a manner that is in conformity with the aim which is basis of the task entrusted to them’.  Conclusie, het woord “[scheldnaam]” heeft in deze context evident geen beledigend karakter om meerdere redenen. De overdrachtelijke zin is daar een van maar ook de context van het openlijk aan de kaak stellen van misstanden in het rechtssysteem.  Er was evenmin opzet tot het beledigen op deze wijze. Dit maakt ook dat de goede naam en eer in strafrechtelijke zin niet kan zijn aangetast hierdoor.  Al deze onderdelen van de tenlastelegging onder feit 2 kunnen daarom niet worden bewezen. Reden waarom ik u verzoek cliënte vrij te spreken.  Verweer (2): In het geval van smaadschrift dient sprake te zijn van een ‘bepaald’ feit dat iemand ten laste wordt gelegd. Er moet sprake zijn van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. Daarvan is geen sprake als een algemene eigenschap aan iemand wordt toegedicht. Ook als het een gedraging betreft die in algemene termen is aangeduid is dit onvoldoende.  De term “[scheldnaam]”, in letterlijke en overdrachtelijke zin, is te algemeen van aard. Het omschrijft een algemene eigenschap van iemand. Hiermee is dus geen concrete gedraging, een voldoende bepaald feit, tenlastegelegd aan [klager] door cliënte. Dit maakt dat dit onderdeel van de tenlastelegging evenmin kan worden bewezen. Hetgeen eveneens dient te leiden tot vrijspraak (ofschoon in de jurisprudentie ook wordt aangegeven dat dit tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden). Verweer (3): Ook bij feit twee geldt hetgeen eerder is aangevoerd. De eer en goede naam was op dit punt van de seksuele oriëntatie van [klager] al aangetast.  Alle relevante verweren onder feit 1 die ook hier van toepassing zijn onder feit 2, dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.  Dit zijn de redenen waarom cliënte ook van feit 2 vrijgesproken dient te worden. (…)”

2.6    Op 22 november 2024 heeft verweerder bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 1, 7, 8, 12 en 24 door lasterlijke uitlatingen te doen over klager en deze als waarheid te presenteren.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Toetsingskader

5.1    Het gaat hier om een klacht van iemand die aangifte heeft gedaan tegen de advocaat van de verdachte in een strafrechtelijke procedure. Hiervoor sluit de raad aan bij het toetsingskader zoals dat geldt voor klachten tegen de wederpartij (zie ook HvD 13 november 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:203, onder 5.5). Dat is: Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Ook advocaten hebben het recht van vrije meningsuiting, zoals dat recht is verankerd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die vrijheid van meningsuiting wordt begrensd door, voor zover hier van belang, beperkingen waarin bij wet is voorzien en die strekken tot de bescherming van de goede naam of rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Bovendien brengt (ook) volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de speciale aard van het beroep van advocaat mee dat, onder omstandigheden, beperkingen worden gesteld aan zijn gedrag. Dat kan meebrengen dat de advocaat onder omstandigheden terughoudend in zijn publieke uitingen dient te zijn en, als hij ze doet, dient hij daarbij discreet, eerlijk en waardig, dus in overeenstemming met de ‘ethics of the legal profession’ (zie EHRM 30 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1130JUD001080704, Veraart/Nederland) te zijn. Daarvan afwijkend handelen resulteert in de schending van een beroepsnorm. Voor zover dat een beperking oplevert van de uitingsvrijheid van verweerder, is deze beperking bij de wet voorzien en betreft deze een legitiem doel, te weten het beschermen van de waardigheid en integriteit van de beroepsgroep van advocaten.

5.3    De raad stelt daarbij vast dat de uitlatingen waarop deze klacht ziet, door verweerder zijn gedaan in het kader van een strafrechtelijke procedure waarin hij voor de verdachte optrad als advocaat. Gelet daarop komt hem een ruime uitingsvrijheid toe, die slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden beperkt (zie EHRM 23 april 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0423JUD002936910, Morice/Frankrijk, onder 137). Bij een beperking moet bovendien een ‘chilling effect’ worden vermeden, omdat dit ten koste gaat van de rechtszoekenden en het vertrouwen in de rechtspraak (vergelijk EHRM 15 december 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1215JUD007379701, Kyprianou/Cyprus, onder 174 en 175; en EHRM 23 april 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0423JUD002936910, Morice/Frankrijk, onder 127). 

Beoordeling

5.4    De cliënte van verweerder werd ervan verdacht zich lasterlijk uit te hebben gelaten over klager. Verweerder heeft in dat verband verweer gevoerd namens zijn cliënte. Anders dan klager, ziet de raad niet dat verweerder zich daarin heeft vereenzelvigd met zijn cliënte; uit de pleitnota volgt helder dat verweerder het standpunt als advocaat van zijn cliënte innam. Met het enkele verdedigen daarvan, maakt verweerder zich die woorden niet eigen. Dit zal klager bekend zijn, aangezien hij zelf ook strafrechtadvocaat is. Dat verweerder regelmatig zou aanschuiven bij het televisieprogramma waarvoor zijn cliënte werkt, is door klager niet onderbouwd en pas voor het eerst ter zitting en daarmee te laat aangevoerd (zie artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet). Bovendien is dat niet iets waarbij klager een eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft als aangever in de strafzaak.

5.5    Om de belangen van zijn cliënte zo goed mogelijk te verdedigen, heeft verweerder in de rechtszaal een ruime vrijheid in wat hij aanvoert. Verweerder heeft de uitlating van zijn cliënte zo voordelig mogelijk mogen uitleggen, door de uitlating in een zekere context te plaatsen, onder verwijzing naar de berichtgeving over klager en uit te leggen dat zijn cliënte dit als overdrijving (‘overdrachtelijk’) bedoeld heeft en om een maatschappelijke discussie over een strafrechtelijk vonnis op gang te brengen. Dat het voor klager niet fijn is om deze woorden herhaald te zien door de advocaat van degene waartegen hij aangifte heeft gedaan is begrijpelijk, maar dat laat onverlet dat deze verdachte – en daarmee haar advocaat – de ruimte moet krijgen om zich te verweren tegen wat haar ten laste wordt gelegd. Hoewel die ruimte voor een (strafrecht)advocaat niet onbeperkt is, mag er een vrije en zelfs krachtige uitwisseling van argumenten plaatsvinden. Dat mag tot zekere hoogte ook schuren, waarbij de raad in aanmerking neemt dat verweerders uitlatingen enkel zijn gedaan om zijn cliënte te verdedigen (zie EHRM 21 maart 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0321JUD003161196, Nikula/Finland, onder 49 en 51).

5.6    Klager heeft daarover op de zitting aangevoerd dat een argument een redelijke kans van slagen moet hebben, voordat het gevoerd mag worden. Omdat de bewoording volgens hem per definitie beledigend is, had verweerder niets over die bewoording mogen aanvoeren maar slechts waarom het in de gebruikte context niet strafbaar is. Hij heeft er ook op gewezen dat de rechtbank wat verweerder op dit punt heeft aangevoerd voor geen seconde serieus heeft genomen. Dat zou blijken uit het vonnis (Rb. Den Haag 5 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20123) waarin daarop in het geheel niet wordt ingegaan en ook omdat zijn cliënte een hogere straf heeft gekregen dan het openbaar ministerie eiste.

5.7    De raad volgt klager daar niet in. Vooropgesteld wordt dat het in eerste instantie niet aan de tuchtrechter, maar aan de strafrechter is om de argumenten van verweerder te beoordelen. Het is de raad niet gebleken dat verweerders pleidooi geen redelijke kans van slagen had. Verweerder heeft in dat verband toegelicht dat hij tijdens de strafzitting heeft beoogd het beledigende karakter van de uitlating van zijn cliënte weg te nemen, door deze in context te plaatsen als overdrijving en te wijzen op het publieke debat dat zijn cliënte over een strafvonnis wilde voeren. In dat verband heeft verweerder ook gewezen op een vonnis van de rechtbank Rotterdam (Rb. Rotterdam 19 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:12672) waarin een bewoording om die reden niet onnodig grievend werd geacht en daarmee de verdachte heeft vrijgesproken. Gelet daarop ziet de raad niet in dat het pleidooi van verweerder evident kansloos was. Het stond verweerder vrij om dit verweer te voeren ter verdediging van zijn cliënte. Daarbij is hij binnen de aan hem toekomende, ruime vrijheid gebleven. Dat het verweer uiteindelijk door de rechtbank niet is gevolgd, leidt nog niet tot de conclusie dat dit evident kansloos was.

5.8    De raad zal de klacht dan ook ongegrond verklaren.       

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. A.A.T van Ginderen en U.T. Hoekstra, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.

Griffier    Voorzitter Verzonden op: 3 november 2025