Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:217

Zaaknummer

240266

Inhoudsindicatie

Het betreft een klacht over verweerder die door de raad deels gegrond is verklaard. De raad heeft geoordeeld dat verweerder niet helder is geweest in het maken van financiële afspraken en dat klager in de veronderstelling was gebracht dat zijn zaak door verweerder was aangenomen. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof breidt de klacht van de raad op klachtonderdeel a) uit en verklaart klachtonderdeel a) gegrond. Net als de raad verklaart het hof klachtonderdeel b) ongegrond.

Uitspraak

 

Beslissing van 31 oktober 2025

in de zaak 240266

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder

 

tegen:

 

klager

 

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht over verweerder die door de raad deels gegrond is verklaard. De raad heeft geoordeeld dat verweerder niet helder is geweest in het maken van financiële afspraken en dat klager in de veronderstelling was gebracht dat zijn zaak door verweerder was aangenomen. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof breidt de klacht van de raad op klachtonderdeel a) uit en verklaart klachtonderdeel a) gegrond. Net als de raad verklaart het hof klachtonderdeel b) ongegrond.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-258/DB/ZWB) op 19 augustus 2024 een beslissing gewezen. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:117 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 15 september 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad. 

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 september 2025. Daar is verweerder verschenen. Klager heeft het hof voorafgaand aan de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Verweerder is advocaat in Nederland. Hij is (indirect) enig eigenaar van [naam kantoor] Advocaten B.V., een advocatenkantoor in Nederland, en [naam kantoor], eveneens een rechtspersoon naar Nederlands recht dat een advocatenkantoor drijft met vestigingen in [land 1],  [land 2] en [land 3].

3.3 Zowel [naam kantoor] Advocaten B.V. als [naam kantoor] handelen sinds 2022 onder de naam [handelsnaam] (voorheen gebruikten beide vennootschappen de handelsnaam [naam kantoor] Advocaten). Ook gebruiken beide vennootschappen dezelfde domeinnaam voor hun e-mailadressen, “@[naam kantoor].nl”.

3.4 Klager heeft de Belgische nationaliteit en woont in Portugal. Klager heeft een geschil met een bedrijf in Spanje, waarop Spaans recht van toepassing is. Voor advies over dat geschil heeft klager op 16 februari 2023 een mailbericht verzonden naar het e-mailadres “madrid@[naam kantoor].nl”.

3.5 Op 16 februari 2023 schreef verweerder in reactie daarop aan klager vanaf het e‑mailadres “[verweerder]@[naam kantoor].nl” (met als afsluiter ‘Advocaat | Eigenaar’ gevolgd door het logo van [handelsnaam]):

“In Spanje werken wij met een uurtarief van 150 euro per uur ex btw. U moet er rekening mee houden dat wij voor de eerste werkzaamheden (correspondentie, studie dossier, opstellen concept) 2 a 3 uur nodig hebben.”

3.6 Op 2 november 2023 schreef verweerder aan klager vanaf het e-mailadres “info@[handelsnaam].com”, met het e‑mailadres “barcelona@[naam kantoor].nl” in de cc:

“Allereerst merk ik op dat de vordering mogelijk verjaard is, maar dat zou onderzocht kunnen worden. Ons uurtarief is € 180 euro ex btw met een voorschot van € 1.500 ex btw wij aanvang van de zaak. Voor een dergelijke zaak buiten rechte moet u rekening houden met 10 uur werk.”

3.7 Op 7 november 2023 schreef klager aan verweerder via het e-mailadres “info@[handelsnaam].com”:

“Hoeveel uur hebt u ongeveer nodig voor het vooronderzoek? Dan kan ik daar al een voorschot op betalen en zo kunnen we verder.”

3.8 Op 8 november 2023 schreef verweerder aan klager vanaf het e‑mailadres “[verweerder]@[handelsnaam].com” :

“Het is lastig in te schatten omdat ik niet bekend ben met de omvang van de stukken, maar reken op 3 uur ongeveer.”

3.9 Op 8 november 2023 heeft klager aan verweerder op dat laatstgenoemde e-mailadres kenbaar gemaakt dat hij € 500,- als voorschot kan storten en de documenten kan opsturen.

3.10 Op 9 november 2023 hebben klager en verweerder diverse e-mails gewisseld (van en naar het e-mailadres “[verweerder]@[handelsnaam].com”) over het opsturen van de stukken per post, dan wel digitaal. Klager heeft onder meer gevraagd of hij de stukken naar Barcelona per post kon sturen.

3.11 Op 9 november 2023 heeft verweerder klager verzocht om zijn adresgegevens, zodat verweerder vervolgens een dossier kan aanmaken.

3.12  Op 11 december 2023 schreef verweerder aan klager onder meer:

“De toegezonden stukken heb ik gescand en samengevat komt het er op neer dat de wederpartij nog 3 werken van u heeft en dat deze geveild zouden worden. Nadien hebt u niets meer vernomen. Klopt dat? U zou dan ofwel een vordering hebben uit hoofde van de opbrengst, dan wel een vordering om de werken terug te krijgen.

Wij zouden een dossier aan moeten maken om de wederpartij aan te schrijven. Vervolgens moet er een procedure bij de rechtbank gestart worden als de wederpartij geen gehoor geeft.

Graag verneem ik of u deze route wilt bewandelen. Er dient een voorschot van 2.500 euro te worden voldaan bij aanvang van de zaak en ons uurtarief is 150 euro ex btw.”

3.13 Op 27 december 2023 schreef verweerder aan klager vanaf het e-mailadres “[verweerder]@[handelsnaam].com”:

“Op 11 december heb ik u een bericht gestuurd dat wij de zaak op kunnen pakken tegen een uurtarief van 150 euro ex btw per uur en dat wij bij aanvang van de zaak 2.500 euro ex btw in rekening brengen. Als u gebruik wilt maken van onze diensten, dan ontvang ik graag uw adresgegevens zodat wij een dossier aan kunnen maken.”

3.14 Klager heeft daarop diezelfde dag gereageerd:

“Uw mail is mij niet ontgaan van 11 december. Graag een rekeningnummer met de gepresteerde uren om die 7 vragen te beantwoorden. Dit duurt zeker geen 16.5 uren en het lijkt me overbodig om 2500 euro te betalen als voorschot als u van mening bent dat het geen zin heeft om te procederen als ik ongelijk ga halen. Als die 7 vragen beantwoord zijn en als die in mijn voordeel zijn hebben we een zaak en zal ik zeker uw andere uren voldoen.

Indien het oordeel van mijn aangebrachte argumenten negatief is wat de kans op slagen nihil is hebt u geen +- 16.5 uur nodig maar eerder 2 a 3 uur zoals u zelf in uw mail van schreef 02/10 waar u een voorschot vroeg van 1500 euro in plaats van 2500 euro. […] Graag al een rekening voor het vooronderzoek zodat ik met zekerheid weet dat we deze zaak onverweild gaan halen. Mijn adres werd al per mail op 09/10 kenbaar gemaakt aan u. […]”

3.15 Op 28 december 2023 heeft verweerder aan klager kenbaar gemaakt bij nader inzien ervoor gekozen te hebben zijn zaak niet in behandeling te nemen.

3.16  Op 29 december 2023 schreef verweerder aan klager:

“Het staat u vrij om een klacht bij de deken neer te leggen omdat ik uw zaak niet in behandeling neem. Een advocaat heeft namelijk altijd de vrijheid een zaak aan te nemen of af te wijzen. Daarbij betreft dit een zaak naar Spaans recht, dus een advocaat uit Spanje zou de zaak moeten behandelen. Namens mijn kantoor heb ik een quick scan gedaan waar geen kosten voor zijn gerekend. Daarop heb ik u een reactie toegezonden. Nadien heb ik besloten dat mijn kantoor in Spanje u niet bij zal staan.”

 

4 KLACHT

4.1 De klacht zoals de raad die heeft omschreven en beoordeeld houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij

a) onduidelijk is geweest over het uurtarief en voorschot dat hij hanteerde, door steeds wisselende bedragen te noemen, en

b) de zaak neer te leggen nadat klager hem aansprak over de wisselende bedragen die werden gehanteerd.

Het hof stelt vast dat de klachtomschrijving zoals klager deze in het webformulier heeft geformuleerd ruimer is dan zoals die door de raad is omschreven.  

Klager heeft in het formulier namelijk ook vermeld dat hij contact heeft gehad met een Nederlandse advocaat om een zaak in Spanje te verdedigen, dat hij dacht dat verweerder de zaak van klager zou behandelen en dat volgens klager een overeenkomst was gesloten nadat hij zijn gegevens had gegeven zodat een dossier kon worden opgestart. Het hof heeft dit verweerder op zitting voorgehouden en verweerder is in staat gesteld hierop te reageren.

Het hof zal klachtonderdeel a) op die aldus verruimde omschrijving beoordelen.

 

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a)

5.1 De raad heeft vooropgesteld dat advocaten richting hun (potentiële) cliënten helder dienen te communiceren over de vraag of er een opdracht is overeengekomen, welke financiële afspraken er worden gemaakt, welke werkzaamheden worden verricht en door wie dat wordt gedaan en daarbij onder meer verwezen naar de artikelen 7.4 en 7.5 van de Verordening op de advocatuur en gedragsregel 17. Volgens de raad heeft verweerder die helderheid niet verschaft.

5.2 Wat betreft het uurtarief dat verweerder hanteert, stelt de raad vast dat verweerder een uurtarief van € 150,- hanteerde en dat het in de e-mail van 2 november 2023 eenmalig genoemde bedrag van € 180,- een ongelukkige verschrijving is. Daarbij is verweerder volgens de raad ook onvoldoende duidelijk geweest in het honorarium dat hij zou rekenen, door twee verschillende ureninschattingen te geven (van 2 à 3 uur en 10 uur) en daarvoor een voorschot te vragen van eerst € 1.500,- en vervolgens € 2.500,-, terwijl dat laatste bedrag zou neerkomen op 16 uur en 40 minuten aan werkzaamheden. Bovendien heeft verweerder niet uitgelegd waarop de verschillen in die inschattingen en voorschotten gebaseerd waren, zodat de financiële afspraken voor klager niet helder waren en heeft verweerder klager al in de veronderstelling gebracht dat verweerder zijn zaak had aangenomen. De raad komt dan ook tot de conclusie dat klachtonderdeel a) gegrond is.

Klachtonderdeel b)

5.3 De raad heeft geoordeeld dat het verweerder vrij stond om de werkzaamheden voor klager neer te leggen, daargelaten of er al een opdracht tot stand was gekomen. Bovendien is niet gebleken dat verweerder de werkzaamheden ontijdig heeft neergelegd omdat de zaak volgens verweerder immers al verjaard leek te zijn. De raad heeft klachtonderdeel b) dan ook ongegrond verklaard.

5.4 Ten overvloede heeft de raad verweerder meegegeven dat hij meer inzicht had moeten geven over zijn rol in [naam kantoor] en vooraf helder had moeten vastleggen als niet hij, maar een Spaanse advocaat de zaak van klager zou behandelen. Daarnaast had verweerder duidelijker kunnen zijn dat hij eerst een inschatting van de zaak zou maken voordat hij de opdracht zou aannemen.

5.5 Omdat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende helderheid te verschaffen over de financiële aspecten van de dienstverlening en hij volgens de raad zorgvuldiger had moeten zijn in de communicatie daarover richting klager legt de raad aan verweerder een waarschuwing op.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Volgens verweerder heeft de raad niet het gehele feitencomplex bij de beoordeling betrokken en ten onrechte verschillende situaties met elkaar vergeleken.

Ten aanzien van het eerste voorstel van 16 februari 2023 heeft verweerder aangevoerd dat hij toen een algemene inschatting heeft gegeven van hoeveel tijd er normaal gesproken nodig is voor het bestuderen van een nieuwe kwestie en het opstellen van één brief naar de wederpartij en daarbij aangegeven dat 2 à 3 uur nodig zou zijn en dat een uurtarief van 150 euro per uur ex BTW wordt gerekend.

Na ontvangst van de door klager geruime tijd later aan verweerder toegezonden documenten werd het voor verweerder duidelijk dat er meer tijd zou gaan zitten in de zaak. Verweerder heeft toen op 2 november 2023 aan klager gemaild dat de zaak buiten rechte 10 uur in beslag zou kunnen nemen en dat bij aanvang van de zaak een voorschot van 1.500 euro ex btw voldaan moest worden. Verweerder heeft dus een indicatie van de te verwachten tijdsbesteding gegeven voor buitengerechtelijke werkzaamheden. Verweerder verwijst daarbij naar het arrest ECLI:EU:C:2023:14. Volgens verweerder zijn deze werkzaamheden niet gelijk aan de werkzaamheden zoals genoemd in het eerste voorstel van 16 februari 2023, omdat de werkzaamheden in het eerste voorstel onderdeel zijn van de werkzaamheden zoals genoemd in het tweede voorstel van november 2023.

Vervolgens heeft verweerder als reactie op een vraag van klager hoeveel uur er nodig is voor enkel een vooronderzoek op 8 november 2023 aan klager gemeld dat dit ongeveer 3 uur zal kosten, hetgeen overeenkomst met de inschatting zoals verweerder die op 16 februari 2023 heeft gedaan.

Nadat klager op 18 november 2023 aan verweerder een ongeordende stapel documenten heeft gestuurd, heeft verweerder klager op 11 december 2023 laten weten wat hij voor klager kon betekenen. Daarbij was het uurtarief nog steeds hetzelfde, maar is het voorschot een bedrag van 2.500 euro ex btw geworden omdat daarbij ook rekening is gehouden met het opstarten van een gerechtelijke procedure. Volgens verweerder kan dit voorstel dan ook niet vergeleken worden met het eerdere gevraagde voorschot en moet het als een op zichzelf staand voorschot worden gezien.

Verweer klager

6.2 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Daarnaast betrekt het hof bij de beoordeling van het beroep net als de raad de artikelen 7.4 en 7.5 van de Verordening op de advocatuur en gedragsregel 17, waaruit volgt dat advocaten richting hun (potentiële) cliënten helder dienen te communiceren over de vraag of er een opdracht is overeengekomen, welke financiële afspraken er worden gemaakt, welke werkzaamheden worden verricht en door wie dat wordt gedaan.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel a)

7.3 Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijk dat klager op zoek was naar een Nederlandstalige advocaat in Spanje en is via de website van [naam kantoor] bij het Spaanse kantoor van verweerder terechtgekomen. Klager heeft vervolgens enkel contact gehad met verweerder. Klager verwijt verweerder dat hij klager in de veronderstelling heeft gebracht dat hij de zaak van klager had aangenomen (nadat klager hem zijn adresgegevens had toegestuurd) en dat er een overeenkomst tot stand was gekomen. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst klager naar de e-mail van verweerder van 9 november 2023, waarin verweerder schrijft dat als klager gebruik wil maken van de diensten van verweerder, hij graag de adresgegevens van klager ontvangt, zodat verweerder een dossier aan kan maken.

7.4 Verweerder heeft meermalen met klager gecommuniceerd vanaf verschillende e-mailadressen, te weten vanaf de algemene infomailbox, e-mailadressen met de plaatsnamen madrid en barcelona@[naam kantoor], en later vanuit zijn eigen e-mailadres, welke e-mails verweerder afsloot met ‘Advocaat | Eigenaar’. Klager mocht op basis daarvan aannemen dat verweerder als zijn advocaat met hem communiceerde. Verweerder heeft onder meer door het opwerpen van een mogelijke verjaring van de zaak van klager en door voor te stellen dat de wederpartij kon worden aangeschreven of dat er geprocedeerd kon worden ook doen voorkomen dat hij inhoudelijk naar de zaak had gekeken. Voor verweerder was het echter vanaf het begin duidelijk dat hij als Nederlandse advocaat de zaak voor klager in Spanje niet zelf zou doen. Verweerder heeft klager daar echter niet over geïnformeerd en heeft onduidelijkheid laten bestaan over de rol die verweerder had in [naam kantoor], over de hoedanigheid waarmee hij met klager communiceerde en de vraag met wie klager precies zaken deed. Verweerder heeft daarbij verder ten opzichte van klager de indruk gewekt dat hij, verweerder, de zaak had aangenomen. Verweerder heeft naar het oordeel van het hof derhalve onvoldoende duidelijk gecommuniceerd over de vraag wie welke werkzaamheden voor klager zou verrichten en of daarover een opdracht tot stand was gekomen.

7.5 Daarnaast is verweerder volgens klager door het noemen van verschillende bedragen onvoldoende duidelijk geweest op welke financiële basis voor klager zou worden gewerkt. Dat sprake is van een eenmalige verschrijving ten aanzien van het uurtarief (180 euro in plaats van 150) rekent het hof verweerder niet aan, maar verweerder heeft vanaf november 2023 wisselende bedragen aan voorschotten genoemd en wisselende urenaantallen tijdsbesteding, en waarbij de hoogte van de voorschotten niet in lijn waren met de opgegeven tijdsbesteding en het gehanteerde uurtarief van 150 euro. Een goede uitleg voor die verschillen heeft verweerder aan klager niet gegeven. Dat maakt dat het hof met de raad van oordeel is dat verweerder jegens klager onvoldoende duidelijk is geweest over de financiële aspecten van zijn inschakeling. Het hof verklaart klachtonderdeel a gegrond.

Klachtonderdeel b)

7.6 Volgens klager heeft verweerder besloten de zaak neer te leggen toen klager hem aansprak op de verschillende tarieven die verweerder hanteerde. Met de raad is het hof van oordeel dat het verweerder in dit geval vrij stond de werkzaamheden voor klager neer te leggen, voor zover al zou kunnen worden gezegd dat verweerder als advocaat voor klager is gaan optreden en dat dit niet ontijdig is gebeurd.

Het hof verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom

7.7 Het hof verklaart klachtonderdeel a) gegrond en klachtonderdeel b) ongegrond.

 

MAATREGEL

8.1 Het hof is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft onduidelijkheid laten bestaan over zijn rol in de communicatie met klager, over de vraag welke werkzaamheden hij zou verrichten en of reeds een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen was en over de gevraagde voorschotten in relatie tot de uit te voeren werkzaamheden. Gelet op de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de maatregel van waarschuwing op zijn plaats is.

 

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.2 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:       

a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair);

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 bekrachtigt de beslissing van 19 augustus 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-258/DB/ZWB, met dien verstande dat klachtonderdeel a) is uitgebreid zoals hiervoor onder 4.1 is omschreven.

10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 31 oktober 2025 .