Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:150
Zaaknummer
25-476/DB/OB/D
Inhoudsindicatie
Schrapping wegens het jarenlang en op zeer grote schaal misbruik maken van het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand en het vervalsen van vonnissen.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 3 november 2025 in de zaak 25-476/DB/OB/D naar aanleiding van de klacht van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost Brabantdeken
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 juli 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerster.
1.2 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij was de deken aanwezig, bijgestaan door zijn adjunct-secretaris. Verweerster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar en de daarin genoemde bijlagen en van het verweerschrift van 14 september 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster was voorheen strafrechtadvocaat.
2.3 Op 2 juli 2025 heeft de deken een signaal van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangen over de aantekeningen mondeling vonnis (hierna: vonnis) die verweerster heeft ingediend bij haar toevoegingen. Het was de Raad voor Rechtsbijstand opgevallen dat in deze vonnissen namen van politierechters stonden die niet in het Register Beroepsgegevens van de Rechtspraak stonden. Ook zouden er in de vonnissen gelijkenissen zijn aangetroffen als parketnummers, pleegdata, barcodes, beslissingen en was er een vermoeden van een vervalste handtekening.
2.4 De deken heeft daarop onderzoek gedaan naar de echtheid van de vonnissen.
2.5 Op 3 juli 2025 heeft de teamvoorzitter strafrecht van de rechtbank Noord-Holland laten weten dat de twee in kopie verstrekte vonnissen niet door de rechtbank Noord-Holland zijn verstrekt en afwijken van het standaardformat. Zo zouden de concipiënt en politierechter nooit hebben gewerkt voor de rechtbank, is er tekst toegevoegd die niet bij het format hoort, is de weergegeven kwalificatie niet conform de wet, wijkt de lay-out op diverse punten af en kunnen de verificatiecode en barcode van de vonnissen niet gelijk zijn aan elkaar.
2.6 Op 4 juli 2025 heeft de coördinator van de griffie strafrecht van de rechtbank Gelderland laten weten dat het format uit de vonnissen van verweerster afwijkt van het format van de rechtbank Gelderland. Zo is het parketnummer de rechtbank niet bekend, komt de opmaak op punten niet overeen, schrijft de rechtbank de naam van de raadsvrouw niet voluit, zijn er geen artikelen benoemd of afkortingen gebruikt en is een onjuiste code opgenomen.
2.7 Op 11 juli 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand verweerster opgeroepen voor een gesprek op 14 juli 2025.
2.8 Ook de deken heeft verweerster opgeroepen voor een gesprek op het Ordebureau, dat op 14 juli 2025 voorafgaand aan het gesprek met de Raad voor Rechtsbijstand heeft plaatsgevonden. Tijdens het gesprek heeft de deken verweerster geconfronteerd met twee vonnissen en gevraagd of zij deze zelf heeft opgesteld. Aanvankelijk heeft verweerster ontkend dit te hebben gedaan, waarna de deken heeft verteld de rechtbanken te hebben gebeld en dat deze vonnissen niet bestonden. Verweerster heeft daarop verklaard dat alleen die twee zaken niet bestonden. De deken heeft daarop gereageerd te weten dat dit niet zo is en dat verweerster op hele grote schaal vonnissen heeft bedacht en geconcipieerd. Verweerster heeft vervolgens verklaard niet te durven zeggen vanaf wanneer zij dit voor het eerst heeft gedaan. De betalingen heeft zij op haar commanditaire vennootschap laten betalen, waarvan zij een deel doorbetaalde aan haar besloten vennootschap voor de jaarlijks financiële kengetallen. De helft van de toevoegingen zouden declaraties zijn voor bestaande zaken. Verweerster heeft, nadat de deken haar heeft gevraagd waarvoor het geld is gebruikt, verklaard dat zij acht jaar geleden een huis heeft gekocht en het heel veel geld kostte om dat te verbouwen. De deken heeft verweerster daarop voorgehouden dat zij zichzelf kon uitschrijven of dat hij een schorsingsverzoek kon indienen bij de tuchtrechter. Verweerster heeft zich daarop uitgeschreven als advocaat en haar (bestaande) zaken overgedragen aan haar waarnemer.
2.9 Verweerster heeft vervolgens geprobeerd om de afspraak bij de Raad voor Rechtsbijstand van diezelfde dag af te zeggen, omdat zij overstuur was van het gesprek met de deken. De Raad voor Rechtsbijstand heeft daarop gezegd dat uitstel niet mogelijk was, omdat er zeer sterke vermoedens waren van misbruik van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Verweerster is vervolgens alsnog verschenen en heeft bevestigd dat dit het geval is geweest. Ze zou in de problemen zijn gekomen toen haar ex-partner failliet is gegaan, waardoor zij alleen kwam te staan voor de zorg van twee kinderen. Omdat ze een groot en duur pand had, is zij in de financiële problemen geraakt en in 2019 gestart met frauderen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft geschat dat er 400 fictieve zaken zouden zijn aangevraagd en gedeclareerd, wat een schade van € 800.000,- zou zijn. Verweerster heeft daarop geantwoord dat dit wel ongeveer kon kloppen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft vervolgens medegedeeld aangifte te zullen gaan doen en dat de Rechtspraak dat waarschijnlijk ook zal gaan doen.
2.10 Op 17 juli 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand aan verweerster medegedeeld dat de verstrekte toevoegingen en vergoedingen uit 2025 worden ingetrokken, zodat er een vordering van circa € 109.000,- op verweerster ligt. Daarbij is verweerster verzocht om in een Excellijst, met daarin alle gedeclareerde zaken vanaf de start van haar praktijk, aan te geven of sprake is van een onrechtmatig aangevraagde toevoeging en/of declaratie. Ook deze zullen worden ingetrokken door de Raad voor Rechtsbijstand. Verweerster heeft nadien een betalingsregeling van € 1.000,- per maand getroffen met de Raad voor Rechtsbijstand.
2.11 De Landelijke Organisatie Toezicht Advocatuur heeft de deken op 17 juli 2025 medegedeeld dat verweerster over 2022 € 66.481,- en over 2023 € 63.214,- aan opbrengsten had volgens de aangeleverde financiële kengetallen.
2.12 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Tijdens deze zitting heeft de deken toegelicht dat het bedrag aan onterecht uitgekeerde toevoegingen inmiddels boven de € 1 miljoen wordt geschat.
3 KLACHT
3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft op zeer grote schaal toevoegingen aangevraagd terwijl haar niet om rechtsbijstand is verzocht. Ze heeft hierbij gebruik gemaakt van valse ‘eigen verklaringen bij vrijheidsontneming’; b) Verweerster heeft vonnissen (en andere stukken, zoals e-mailwisselingen) vervalst; c) Verweerster heeft door haar handelswijze de Raad voor Rechtsbijstand toevoegingsvergoedingen aan haar laten uitkeren zonder dat recht bestond op die vergoedingen; d) Verweerster heeft misbruik gemaakt van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, meer in het bijzonder van het feit dat op verweerster High Trust van toepassing was waarbij het proces van het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand eenvoudiger is gemaakt door een duurzame samenwerking tussen de Raad voor Rechtsbijstand en de advocaat; e) Verweerster heeft opzettelijk onwaarheid gesproken tegen de deken over deze handelswijze en heeft de opbrengsten niet opgegeven in de kantooropgaven en niet verantwoord aan de fiscus.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft toegelicht de eerste vier klachtonderdelen niet te kunnen, zullen en willen ontkennen. Daarover heeft verweerster toegelicht dat haar partner medio 2019 failliet ging, wat leidde tot veel financiële problemen. Medio 2020 zou verweerster de woning volgens de curator verliezen als ze haar partner niet uitkocht. Verweerster werd arbeidsongeschikt door de druk die zij daarvan ondervond, terwijl zij geen vangnet of arbeidsongeschiktheidsverzekering had. Om de omzet te proberen te verhogen, is zij op kleine schaal begonnen. Omdat het steeds lukte, werd het steeds groter. De arbeidsongeschiktheid nam vervolgens toe door fysieke klachten na een zwangerschap en slaaptekort doordat haar kind langdurig ziek was. Nadat verweerster in juni 2024 is aangehouden in verband met een strafzaak gericht op haar partner, heeft zij drie-en-een-halve dag in beperkingen gezeten op het politiebureau. Haar partner bleef vastzitten, waardoor zij er weer alleen voor stond met haar twee kinderen en zonder financieel vangnet. Verweerster heeft haar frauduleuze werkwijze toen uitgebreid. Ze benadrukt dat zij wel écht heeft gewerkt en dat het overzicht van zaken niet bestaat uit alleen maar valse zaken.
4.2 Tegenover de deken heeft verweerster niet uit eigen beweging openheid van zaken gegeven vanwege de toestand waarin zij verkeerde in de hoop dat het probleem zo klein mogelijk zou blijven. Verweerster begrijpt dat zij dingen heeft gedaan die echt niet kunnen en misbruik heeft gemaakt van de middelen die haar ter beschikking zijn gesteld, waarvoor zij zich schaamt. Verweerster is inmiddels een traject gestart met de praktijkbegeleider van haar huisarts en gebruikt medicatie. Verweerster heeft zich inmiddels uitgeschreven als advocaat, haar praktijk overgedragen en afgesloten en probeert haar leven weer op de rails te krijgen met een nieuwe baan en een betalingsregeling met de Raad voor Rechtsbijstand.
4.3 Omdat verweerster de bedragen weer terugbetaalt, inclusief de btw, wordt klachtonderdeel e) weer teruggedraaid.
4.4 Verweerster verzoekt tot slot om af te zien van het opleggen van een maatregel, omdat dit weinig meer toevoegt.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
Beoordeling
5.2 Uit de verklaringen van verweerster tegenover zowel de deken als de Raad voor Rechtsbijstand en haar eigen verweerschrift, maakt de raad op dat verweerster de verwijten die de deken haar maakt erkent. Zij heeft daartegen ook (grotendeels) geen verweer gevoerd. De raad kan daarom met voldoende zekerheid vaststellen dat verweerster heeft gehandeld zoals dat haar door de deken wordt verweten. Daarmee heeft verweerster in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit.
5.3 Slechts bij het laatste klachtonderdeel over het niet melden van de opbrengsten in de kantooropgave en belastingaangifte heeft zij in haar verweer toegelicht dat dit wordt teruggedraaid, omdat zij de opbrengsten moet terugbetalen. Dat doet er echter niet aan af dat verweerster de opbrengsten toen wel had moeten melden. Door dat niet te doen heeft zij in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit.
5.4 Het dekenbezwaar is geheel gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Het behoeft geen uitleg dat een advocaat die misbruik maakt van het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand en daarvoor (ook) vonnissen vervalst – laat staan op deze schaal – niet thuishoort in de beroepsgroep. Verweerster heeft de kernwaarde integriteit op grove wijze geschonden. Dat verweerster zich al op eigen initiatief heeft uitgeschreven als advocaat, vormt geen reden om af te zien van het opleggen van een maatregel. Om het vrijblijvende karakter van die uitschrijving te ontnemen, maar ook ter verantwoording naar de beroepsgroep en de samenleving ziet de raad geen andere mogelijkheid dan het opleggen van de maatregel van schrapping.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerster de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2;
Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. A.A.T van Ginderen en U.T. Hoekstra, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
