Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:204

Zaaknummer

25-609/A/NH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening is kennelijk ongegrond. De klacht feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat verweerder de belangen van de klager niet goed zou hebben behartigd of dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan flessentrekkerij of oplichting.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van 27 oktober 2025  in de zaak 25-609/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Haarlem (hierna: de deken) van 10 september 2025 met kenmerk re/ss/25-147/2479694, digitaal door de raad van discipline te Amsterdam (hierna: de raad) ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft een geschil met zijn verhuurder (hierna: de verhuurder). Verweerder is klager vanaf 11 januari 2024 gaan bijstaan in dit geschil. 1.2    In een brief van 18 juni 2024 heeft verweerder een concept conclusie van antwoord gestuurd. Daarbij heeft hij aan klager geschreven, voor zover relevant:  “Ik stel u voor bijgevoegd weerwoord begin volgende week in te dienen. Klopt dit zo. Kunt u zich vinden in dit concept. Graag heb ik nog bewijsstukken die uw stellingen onderbouwen. Ik heb niets. Nu is dit wel erg mager. (… ) Mag ik deze week vernemen.(…)” 1.3    Op 3 juli 2024 heeft een eerste mondelinge behandeling van de zaak ter zitting bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) plaatsgevonden.  1.4    Op 3 december 2024 heeft een tweede mondelinge behandeling van de zaak bij de rechtbank plaatsgevonden.  1.5    Op 8 januari 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Klager is in het ongelijk gesteld en de vorderingen van de verhuurder zijn toegewezen. In het vonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat door klager geen stukken zijn overgelegd die zijn standpunt (dat sprake was van een gebrek aan de woning) onderbouwden.  1.6    Bij brief van 16 januari 2025 heeft verweerder het vonnis aan klager gestuurd.  1.7    Op 4 februari 2025 heeft verweerder in een brief aan klager geschreven, voor zover relevant:  “In reactie op uw brief van 26 januari jl. bericht ik u dat ik wel inhoudelijke kennis had van de zaak. Waarom zou dit anders zijn! Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan flessentrekkerij. Evenmin betrof het een eenvoudig, op voorhand niet te verliezen zaak. Ik heb u hierover geïnformeerd en met u alle procesrisico's besproken, zowel de gunstige als de ongunstige uitkomsten. Daarnaast heb ik u uitgelegd wat de gevolgen van een procesverlies kunnen zijn en welke kosten hiermee gepaard gaan. De rechter heeft u in de gelegenheid gesteld om eventuele onvolkomenheden mijnerzijds (welke?) te benoemen en te corrigeren, voor zover deze zich hebben voorgedaan. U heeft immers expliciet de vraag gekregen of u nog opmerkingen had of iets wilde toevoegen. (…) In het verleden heb ik u het concept van de conclusie van antwoord toegezonden, waarop u - ongetwijfeld in overleg met uw juridische adviseurs - opmerkingen heeft geplaatst. Deze opmerkingen heb ik verwerkt in de definitieve versie die bij de rechtbank is ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling zijn u en mij vervolgens na aanleiding van deze conclusie van antwoord vragen gesteld, waarop u ook de gelegenheid heeft gehad te antwoorden.  Gezien het voorgaande adviseer ik u met klem om hoger beroep in te stellen indien u van mening bent dat er in eerste aanleg procedurele of inhoudelijke fouten zijn gemaakt. Dit rechtsmiddel biedt u de mogelijkheid om eventuele onjuistheden te laten corrigeren en een nieuwe beoordeling van uw zaak te verkrijgen. (…)” 1.8    Op 10 maart 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door de belangen van klager tijdens een zitting onvoldoende te behartigen.  

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  4.2    Klager verwijt verweerder dat hij zijn zaak heeft verpest. Als gevolg van de handelswijze van verweerder heeft klager zijn zaak verloren. Verweerder had ter zitting geen pleitnota. Ook gaf verweerder stotterend antwoord op de vragen van de kantonrechter en hij had zich niet ingelezen. Verweerder heeft daarnaast geprobeerd om klager een bedrag van € 800,-- te laten betalen voor de zaak. Er is sprake van oplichting en flessentrekkerij, aldus klager.  4.3    Naar het oordeel van de voorzitter mist de klacht feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat verweerder de belangen van de klager niet goed zou hebben behartigd of dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan flessentrekkerij of oplichting. Zoals door verweerder gemotiveerd is aangevoerd, en ook uit het klachtdossier blijkt, had verweerder voorafgaand aan de zitting een concept conclusie van antwoord aan klager gestuurd met daarbij de vraag of klager zijn stellingen met bewijsstukken kon onderbouwen. Hierop heeft klager niet gereageerd. Dat de kantonrechter in het vonnis heeft overwogen dat door klager geen stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt, kan verweerder dan ook niet worden tegengeworpen. Dit geldt ook voor het verwijt van klager dat verweerder geen pleitnota bij zich had. Verweerder had met het indienen van de conclusie van antwoord het laatste woord in de schriftelijke procedure. Het indienen van pleitaantekeningen was daarom niet noodzakelijk.  4.4    Voor zover klager verweerder verwijt dat hij zich niet goed had voorbereid op de zitting, dat hij stotterde en dat hij klager ook nog een bedrag afhandig heeft proberen te maken, overweegt de voorzitter dat klager ook ten aanzien van deze verwijten geen onderbouwing heeft gegeven en dat dit de voorzitter ook overigens niet is gebleken.  4.5    De voorzitter zal de klacht gelet op het voorgaande, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr.  W. Aardenburg, voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025. 

Griffier         Voorzitter

Verzonden op:  27 oktober 2025