Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:198
Zaaknummer
25-325/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; klacht is gedeeltelijk niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de vervaltermijn van drie jaar (46g lid 1 onder a Advocatenwet) en verder gegrond. Verweerder had zijn declaraties met betrekking tot de uitstotingsprocedure tegen klaagster niet ten laste van de Vennootschap mogen laten komen, aangezien dit een procedure betrof tussen de aandeelhouders van de Vennootschap, waar de Vennootschap geen partij (meer) in was. Klaagster heeft door verweerders werkwijze als aandeelhouder van de Vennootschap meebetaald aan de advocaatkosten van de andere twee aandeelhouders in een procedure die tegen klaagster werd gevoerd. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Waarschuwing en kostenveroordeling.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 oktober 2025 in de zaak 25-325/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigden: mrs. S.J.B. Drijber en S. Parijs
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 27 februari 2024 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 14 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2319885/JS/AS van de deken ontvangen. 1.3 Naast het reguliere klachtonderzoek heeft de deken een vertrouwelijk onderzoek gedaan. In het kader van het vertrouwelijk onderzoek heeft de deken meerdere stukken van verweerder ontvangen. Klaagster heeft ermee ingestemd dat de raad kennisneemt van deze stukken zonder dat deze met klaagster worden gedeeld. Om die reden heeft deken deze vertrouwelijke stukken bij aparte brief van 14 mei 2025 aan de raad toegezonden. 1.4 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 september 2025. Klaagster werd op zitting vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer D en bijgestaan door haar gemachtigde mr. D. Ook verweerder was op zitting met zijn kantoorgenoot mr. Van der S aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 27 augustus 2025 namens verweerder nagezonden stukken.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 De heren D, W en TM (hierna: D, W, en TM) hebben via hun persoonlijke holdings een gezamenlijke vastgoedportefeuille. - D is enig aandeelhouder en bestuurder van BBB B.V. (hierna: klaagster); - W is enig aandeelhouder en bestuurder van S Projecten B.V (hierna: SP); - TM is enig aandeelhouder en bestuurder van JWTM Vastgoed B.V (hierna: JWTM). 2.3 Klaagster, SP en JWTM houden ieder 33,33% van de aandelen in de besloten vennootschap Beleggingsmaatschappij D.I.G. (hierna: de Vennootschap). De Vennootschap houdt zich voornamelijk bezig met de exploitatie van onroerend goed. 2.4 SP en JWTM vormen het bestuur van de Vennootschap en zijn als bestuurders zelfstandig bevoegd de Vennootschap te vertegenwoordigen. 2.5 Vanaf 2016 is tussen de aandeelhouders van de Vennootschap (klaagster enerzijds en SP en JWTM anderzijds) en hun respectievelijke aandeelhouders-natuurlijke personen (D, W en TM) onenigheid ontstaan over de exploitatie van het onroerend goed, het financiële beleid en de gewenste ontvlechting van hun verschillende belangen in en buiten de Vennootschap. 2.6 Sinds januari 2021 staat verweerder in dit geschil de Vennootschap bij. Zijn kantoorgenoot mr. B stond op dat moment al SP als advocaat bij. 2.7 Bij brief van 21 januari 2021 heeft verweerder zich bij de voormalig advocaat van klaagster (mr. K) bekend gemaakt als de advocaat van de Vennootschap. Hij schrijft hierin voor zover relevant: “[De Vennootschap] (cliënte) heeft mij benaderd over het volgende. Cliënte heeft van diverse derden vernomen dat de heer D(…), uw cliënt, zich i) voordoet als bestuurder van cliënte (althans de suggestie bij derden wekt dat hij namens cliënte vertegenwoordigingsbevoegd is) en ii) in sterke bewoordingen structureel negatief uitlaat over cliënte en beide bestuursleden van cliënte. Mijn kantoorgenoot mr. B(…) heeft mij laten weten dat u optreedt namens de heer D(…) in een ander dossier op grond waarvan ik mij direct tot u wend. Indien u niet namens de heer D(…) alsmede aan hem verbonden vennootschappen optreedt in het onderhavige geval, dan verzoek ik u mij dat te laten weten. (…)” 2.8 Op 1 februari 2021 heeft de voormalig advocaat van klaagster, mr. K, namens klaagster een bezwarenbrief aan de Vennootschap gestuurd. 2.9 Op 26 april 2021 heeft klaagster bij de Ondernemingskamer een enquêteprocedure aanhangig gemaakt tegen de Vennootschap. De Ondernemingskamer heeft dit verzoek bij beschikking van 25 februari 2022 afgewezen. 2.10 Op 24 december 2021 heeft het bestuur van de Vennootschap bij klaagster (en D) een beheervergoeding gefactureerd voor door de Vennootschap ten behoeve van klaagster en D verrichte beheerwerkzaamheden. Klaagster en D weigeren betaling hiervan. 2.11 Tijdens de aandeelhoudersvergaderingen op 30 september 2022 en 25 april 2023 is namens klaagster aan het bestuur van de Vennootschap verzocht om in de vast te stellen jaarrekeningen de stijging van de advocaatkosten toe te lichten. 2.12 Op 7 juni 2023 heeft klaagster een tweede enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer geëntameerd tegen de Vennootschap met bestuurders SP en JWTM als belanghebbenden. 2.13 Op 11 juli 2023 zijn SP, JWTM en de Vennootschap met bijstand van verweerder tegen klaagster (en haar enig aandeelhouder en bestuurder D) een dagvaardingsprocedure gestart. In die bodemprocedure is primair van klaagster nakoming gevorderd van reeds gemaakte procesafspraken tot afwikkeling van de samenwerking en betaling gevorderd van de door klaagster en D verschuldigde beheervergoeding, en is subsidiair uitstoting van klaagster als aandeelhouder gevorderd (hierna: ook de uitstotingsprocedure). 2.14 Bij beschikking van 9 oktober 2023 heeft de Ondernemingskamer de verzoeken van klaagster toegewezen en is mr. E als bestuurder van de Vennootschap met beslissende stem benoemd. Daarnaast heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken binnen de Vennootschap over de periode vanaf 1 januari 2017. 2.15 Mr. E heeft na zijn aanstelling de opdracht aan (het kantoor van) verweerder beëindigd. Vanaf dat moment treedt verweerder in de lopende uitstotingsprocedure - met goedkeuring van mr. E - alleen nog op voor SP en JWTM. 2.16 Op 14 november 2023 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden van de Vennootschap. In de notulen hiervan, staat onder meer: “Advocaatkosten [kantoor verweerder] De kosten zijn allemaal door de vennootschap betaald. Er moet wel inzichtelijk gemaakt worden voor wie deze werkzaamheden zijn verricht. Of het alleen voor de vennootschap is verricht of ook voor de aandeelhouders. Ze zijn niet alleen maar voor de vennootschap opgetreden. De heer [E] zegt dat er afspraken gemaakt moeten worden over alle facturen van [het kantoor van verweerder]; Hoeveel% voor welke aandeelhouder en hoeveel% voor de vennootschap? Facturen [kantoor verweerder] alsnog met rekening courant verrekenen als er een deel voor de aandeelhouders komt.” 2.17 Op 29 november 2023 heeft mr. E een memo gestuurd aan de aandeelhouders. Hierin staat het volgende, voor zover relevant: “De kosten die de vennootschap heeft voldaan aan [het kantoor van verweerder] zien deels op werkzaamheden die zijn verricht voor de aandeelhouders [JWMT] en [SP]; deze kosten zullen voor rekening van de aandeelhouders komen, en in rekening-courant geboekt worden. Ik zal het geheel van de kosten in kaart brengen, en beoordelen welk gedeelte mijns inziens doorbelast dienen te worden. Daarna kan besproken worden of dit akkoord is.” 2.18 Bij beschikking d.d. 27 december 2023 heeft de Ondernemingskamer (zoals was bepaald in de eerdere beschikking van 9 oktober 2023) mr. H benoemd tot onderzoeker. 2.19 Op 17 mei 2024 heeft de nieuwe advocaat van de Vennootschap de in rov. 2.13 genoemde dagvaardingsprocedure (de uitstotingsprocedure) namens de Vennootschap ingetrokken. Op 17 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam in deze procedure vonnis gewezen en daarbij de vordering van SP en JWTM tot uitstoting van klaagster afgewezen. 2.20 Op 27 februari 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 2.21 Op 29 november 2024 heeft mr. H haar onderzoeksrapport opgeleverd. Haar bevindingen luiden voor zover relevant: “Naar inzicht Onderzoeker: - Behoren de kosten inzake de OK-procedure [klaagster] versus [de Vennootschap] tot de kosten van [de Vennootschap], aangezien [de Vennootschap] deze kosten moet maken teneinde zich te verweren in deze procedure. - Behoren de gefactureerde kosten door [het kantoor van verweerder] m.b.t. de uitstotingsprocedure niet ten laste van het resultaat van [de Vennootschap] te komen aangezien dit een procedure betreft tussen de aandeelhouders van [de Vennootschap], waar [de Vennootschap] geen partij in is.”
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: a) verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling door in dezelfde kwestie op te treden voor de Vennootschap, SP en JWTM, terwijl de belangen van de Vennootschap niet parallel liepen aan de belangen van SP en JWTM; b) verweerder heeft zijn werkzaamheden voor SP en JWTM gedeclareerd aan de Vennootschap waarmee hij niet heeft gezorgd voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Tijdigheid klachtonderdelen 5.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen, ziet hij zich voor de vraag gesteld of klaagster haar klacht over verweerder tijdig heeft ingediend. Hiervoor geldt het volgende toetsingskader. 5.2 Om de klacht inhoudelijk te kunnen beoordelen moet deze worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat de klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als de klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat de klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn. 5.3 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. Tijdigheid klachtonderdeel a) 5.4 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door in dezelfde kwestie op te treden voor de Vennootschap, SP en JWTM, terwijl de belangen van de Vennootschap niet parallel liepen aan de belangen van SP en JWTM. 5.5 Verweerder heeft van januari 2021 tot 9 oktober 2023 bijstand verleend aan de Vennootschap. Klaagster raakte hiermee in ieder geval op 21 januari 2021 bekend. Op deze datum heeft verweerder zich bij (de toenmalige advocaat van) klaagster (mr. K) gesteld als de advocaat van de Vennootschap (zie rov. 2.7). Voor zover verweerder heeft bestreden dat hij in die (volledige) periode zowel voor de Vennootschap als voor SP en JWTM heeft opgetreden, is dit volgens klaagster niet relevant; volgens klaagster is het tegenstrijdige belang reeds een gegeven met het feit dat zijn kantoorgenoot, mr. B, op het moment dat verweerder zich stelde als advocaat voor de Vennootschap, al optrad voor SP (en W) in een procedure tegen klaagster en D. D heeft ter zitting verklaard dat hij - toen verweerder zich stelde als de advocaat van de Vennootschap - wist dat verweerder de kantoorgenoot van mr. B was. 5.6 Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de raad vast dat klaagster derhalve vanaf 21 januari 2021 bekend was met het handelen van verweerder, waarover zij zich beklaagt (de gestelde belangenverstrengeling). De klachttermijn ving daarmee aan op 21 januari 2021 en liep af op 21 januari 2024. De klacht is ingediend op 27 februari 2024, waardoor klaagster haar klacht buiten de termijn van drie jaar - en dus te laat - heeft ingediend. 5.7 Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij pas met de beschikking van de Ondernemingskamer van 9 oktober 2023 bekend is geworden met het gestelde verwijtbare handelen van verweerder. Op die datum heeft de Ondernemingskamer namelijk mr. E benoemd tot bestuurder van de Vennootschap, die kort daarna de door de Vennootschap aan verweerder verstrekte opdracht heeft beëindigd. De raad volgt klaagster niet in dit standpunt en overweegt dat, zoals volgt uit het in rov. 5.2 beschreven toetsingskader, voor het aanvangen van de klachttermijn niet van belang is of klaagster het besef had dat het handelen van verweerder mogelijk klachtwaardig zou zijn. Het gaat om de feitelijke vaststelling van het handelen of nalaten waarop de klacht betrekking heeft (zie Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 25 augustus 2025, ECLI:NL:TADRARL:2025:196). 5.8 Voor zover klaagster subsidiair meent dat zij met de beschikking van 9 oktober 2023 pas bekend is geworden met de gevolgen van verweerders handelen en op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet de verjaringstermijn pas een jaar nadien (op 9 oktober 2024) verstreek, kan dit klaagster evenmin baten. Het moment waarop klaagster stelt bekend te zijn geworden met het vermeende verwijtbare handelen van verweerder (te weten op 9 oktober 2023) valt immers nog binnen de driejaarstermijn; klaagster had toen nog tot 21 januari 2024 de tijd om haar klacht over verweerder in te dienen. 5.9 Van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) moet worden geacht, is de raad niet gebleken. Voor zover klaagster stelt dat de periode van 21 januari 2021 tot 27 februari 2021 ten opzichte van de gehele klachtperiode dermate kort is dat het onredelijk zou zijn om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren, kan dit niet gelden als een dergelijke bijzondere omstandigheid. 5.10 Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdeel a) op grond van artikel 46g lid 1 onder a niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de raad niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van klachtonderdeel a). Tijdigheid klachtonderdeel b) 5.11 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij zijn werkzaamheden voor SP en JWTM heeft gedeclareerd aan de Vennootschap en dat hij daarmee niet heeft gezorgd voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. 5.12 Met betrekking tot de vraag of klachtonderdeel b) tijdig is ingediend, geldt het volgende. Voor de aanvang van de driejaarstermijn is relevant wanneer klaagster wist dan wel redelijkerwijs kon weten hoe verweerder zijn declaraties had ingericht. Hoewel uit de feiten blijkt dat namens klaagster onder meer tijdens aandeelhoudersvergaderingen op 30 september 2022 en 25 april 2023 aan het bestuur van de Vennootschap is verzocht om in de vast te stellen jaarrekeningen de stijging van de advocaatkosten toe te lichten, is niet gebleken dat klaagster hier een (duidelijk) antwoord op kreeg. Evenmin is gebleken dat klaagster inzage in de facturen van verweerder aan de Vennootschap had. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat klaagster niet eerder dan op 29 november 2023 - de datum waarop mr. E in zijn memo had vastgesteld dat verweerder ten onrechte werkzaamheden voor SP en JMTW bij de Vennootschap in rekening had gebracht - kennis heeft kunnen nemen van het handelen waarover zij klaagt. Daarmee is de driejaarstermijn op dat moment gaan lopen en heeft klaagster op 27 februari 2024 haar klacht in hierover tijdig ingediend. Klachtonderdeel b) is derhalve ontvankelijk. Rechtstreeks eigen belang klachtonderdeel b) 5.13 Voordat de raad klachtonderdeel b) inhoudelijk kan beoordelen dient getoetst te worden of klaagster een rechtstreeks eigen belang heeft bij haar klacht over verweerder. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft namelijk volgens de Advocatenwet het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 5.14 Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster geen rechtstreeks eigen belang heeft bij dit klachtonderdeel. Volgens verweerder heeft klaagster slechts een van de Vennootschap afgeleid belang, maar geen zelfstandig belang. Uitgangspunt is immers dat de Vennootschap een belang heeft bij de door klaagster geuite klachten over de facturatie. Het is immers de Vennootschap die benadeeld zou zijn door de gestelde ontoelaatbare facturatie en niet klaagster. De Vennootschap dient dus volgens verweerder zelf, vertegenwoordigd door mr. E als onafhankelijk bestuurder, een klacht over verweerder in te dienen als mr. E meent dat dit in het belang is van de Vennootschap. 5.15 De raad volgt verweerder niet in dit standpunt. Klaagster heeft als aandeelhouder van de Vennootschap een rechtstreeks eigen belang bij een klacht over de facturatie aan de Vennootschap, omdat de facturen (indirect) ook door klaagster worden betaald. Inhoudelijk beoordeling klachtonderdeel b) 5.16 Klaagster stelt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door kosten in rekening te brengen aan de Vennootschap, terwijl deze werkzaamheden (uitsluitend) zijn verricht in het belang van SP en JWTM. 5.17 Uitgangspunt is dat een declaratie op naam moet staan van de cliënt/opdrachtgever ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht. Wanneer de cliënt en een derde een advocaat verzoeken om de declaratie te richten aan de derde, dan dient de declaratie nog steeds op naam van de cliënt gesteld te worden. Desgewenst kan deze wel “ter attentie” of “per adres” van de derde aan de derde verzonden worden. Voor zover dat niet het geval is moet uit de inrichting van de declaratie blijken wie de cliënt is, welke werkzaamheden voor die cliënt zijn verricht en op welke grond de declaratie aan de derde is gericht. 5.18 De raad is - evenals mrs. E (de interim bestuurder van de Vennootschap) en H (de onderzoeker) - van oordeel dat verweerder zijn declaraties met betrekking tot de uitstotingsprocedure tegen klaagster niet ten laste van de Vennootschap had mogen laten komen, aangezien dit een procedure betrof tussen de aandeelhouders van de Vennootschap, waar de Vennootschap geen partij (meer) in was. Door zijn facturen (uitsluitend) te richten aan de Vennootschap in plaats van aan (of ter attentie van) SP en JWTM heeft verweerder niet zorggedragen voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. Klaagster heeft door verweerders werkwijze als aandeelhouder van de Vennootschap meebetaald aan de advocaatkosten van de andere twee aandeelhouders SP en JWTM in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Dit handelen is pas na ingrijpen van mr. E rechtgezet. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Klachtonderdeel b) is in verband hiermee gegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Klachtonderdeel b) is gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door niet zorg te dragen voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van zijn facturen. De raad acht de oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing passend. Daarbij heeft de raad in het voordeel van verweerder meegewogen dat hij een schoon tuchtrechtelijk verleden heeft en ter zitting zelfreflectie heeft getoond ten aanzien van zijn handelen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk; - verklaart klachtonderdeel b) gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en P.J. Mijnssen, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter Verzonden op: 27 oktober 2025
