Rechtspraak
Uitspraakdatum
31-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:216
Zaaknummer
250053
Inhoudsindicatie
Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij omdat zij de rechtbank opzettelijk onjuiste informatie zou hebben verstrekt door de rechtbank in plaats van het definitieve ouderschapsplan het concept ouderschapsplan toe te sturen. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 31 oktober 2025
in de zaak 250053
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij omdat zij de rechtbank opzettelijk onjuiste informatie zou hebben verstrekt door de rechtbank in plaats van het definitieve ouderschapsplan het concept ouderschapsplan toe te sturen. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-648/DB/LI) op 13 januari 2025 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:2 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 september 2025. Daar zijn klager en verweerster verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Klager heeft van 1 december 2005 tot en met juni 2021 samengewoond met mevrouw P, hierna: “de vrouw”. Uit de relatie tussen klager en de vrouw zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren. Verweerster is de advocaat van de vrouw. Verweerster heeft namens de vrouw bij de rechtbank een verzoek ingediend strekkende tot de vaststelling van het hoofdverblijf en een zorg- en contactregeling. Klager heeft geen advocaat in de arm genomen en is zonder de bijstand van een advocaat in de procedure verschenen.
3.3 Partijen zijn door de rechtbank verwezen naar het Centrum voor Jeugd en gezin, hierna: “CJG”, teneinde de communicatie tussen beiden te verbeteren en overeenstemming te bereiken over een ouderschapsplan. Verweerster was niet betrokken bij het traject bij het CJG. Op 28 november 2023 hebben klager en de vrouw een concept ouderschapsplan van 14 november 2023 besproken tijdens een bijeenkomst bij het CJG. Verweerster was niet bij deze bijeenkomst aanwezig. Klager en de vrouw hebben geen overeenstemming bereikt over het ouderschapsplan.
3.4 Op 9 januari 2024 heeft klager aan de vrouw en het CJG een e-mail gestuurd met daarbij gevoegd een ouderschapsplan waarin hij opmerkingen van de vrouw had verwerkt. Bij e-mail van 16 januari 2024 heeft de vrouw hierop aan klager geantwoord dat zij het door klager opgestelde ouderschapsplan nog wilde aanvullen en wijzigen en wilde bespreken met verweerster.
3.5 Op 23 januari 2024 heeft de vrouw een e-mail gestuurd aan het CJG en klager met haar verbeteringen en aanvullingen op het ouderschapsplan.
3.6 Nadat klager niet had gereageerd op e-mails van het CJG van 28 februari en 1 maart 2024 met het verzoek om een afspraak te maken voor een bijeenkomst om alsnog tot overeenstemming over een ouderschapsplan te komen, heeft het CJG klager en de vrouw bij e-mail van 7 maart 2024 laten weten dat het traject wegens het uitblijven van een reactie werd afgesloten.
3.7 Op 27 maart 2024 heeft verweerster het concept ouderschapsplan van 14 november 2023 aan de rechtbank toegestuurd.
3.8 Op 7 april 2024 heeft klager aan verweerster een e-mail gestuurd gevoegd een door hem opgesteld ouderschapsplan. Klager heeft verweerster verzocht dit ouderschapsplan in te dienen bij de rechtbank, hetgeen verweerster heeft geweigerd.
3.9 Op 10 april 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3.10 Op 1 juli 2024 heeft bij de rechtbank een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij de rechtbank opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt door bij brief van 27 maart 2024 het concept ouderschapsplan van 14 november 2023 in plaats van het definitieve ouderschapsplan van 9 januari 2024 aan de rechtbank toe te sturen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft overwogen dat klager ter zitting van de raad desgevraagd heeft verklaard dat er nog geen ondertekend ouderschapsplan lag en dat van een definitief ouderschapsplan geen sprake was. Voor wat betreft de e-mail van klager van 9 januari 2024 met als bijlage een door hem aangepast ouderschapsplan die hij aan de vrouw en CJG heeft gestuurd heeft verweerster gesteld dat die e-mail met bijlage haar op 27 maart 2024 niet bekend was en uit de aan de raad overgelegde stukken is ook niet gebleken dat verweerster daarmee wel bekend was. Volgens de raad kan verweerster dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat zij het concept ouderschapsplan d.d. 14 november 2023 aan de rechtbank heeft toegestuurd.
5.2 Tevens heeft de raad overwogen dat klager in de procedure bij de rechtbank de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten over het ouderschapsplan en de in het geding gebrachte stukken naar voren te brengen en dat hij ervoor gekozen heeft om zich in de procedure niet door een advocaat te laten bijstaan. Volgens de raad stond klager dit vrij, maar komt de consequentie dat hij bij gebreke van procesvertegenwoordiging geen stukken kon indienen bij de rechtbank voor zijn rekening en risico. Daarbij kon klager verweerster niet verplichten om namens hem stukken bij de rechtbank in te dienen. Volgens de raad heeft verweerster dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door te weigeren gehoor te geven aan klagers verzoek van 7 april 2024 om het door hem aangepaste ouderschapsplan, dat niet de goedkeuring van de vrouw had, bij de rechtbank in te dienen.
5.3 De raad concludeert dan ook dat in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor de juistheid van het verwijt dat verweerster de rechtbank opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. De raad is dan ook niet gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden, zodat de klacht ongegrond is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Volgens klager heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster bekend was met het ouderschapsplan van 9 januari 2024. Klager verwijst daarbij naar twee e-mails van de vrouw van 16 januari 2024 en 23 januari 2024, waaruit volgens klager blijkt dat verweerster ten tijde van haar schrijven aan de rechtbank van 27 maart 2024 wel op de hoogte was van het uitgewerkte concept ouderschapsplan van 9 januari 2024 en dus met opzet de rechtbank onjuiste informatie heeft verstrekt.
Verweer verweerster
6.2 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.
Overwegingen hof
7.2 Ter onderbouwing van het verwijt dat klager verweerster maakt, heeft klager gewezen op de e-mails van de vrouw van 16 januari 2024 en 23 januari 2024. In de mail van 16 januari 2024 geeft de vrouw aan dat ze nog wat wil kunnen toevoegen en/of wijzigen aan het concept ouderschapsplan en dat ze op 22 januari bij haar advocaat terecht kan om het na te kijken en te bespreken. In haar e-mail van 23 januari 2024 aan klager en aan het CJG, een dag na de bespreking met verweerster, geeft de vrouw aan wat haar verbeteringen en aanvullingen op het concept ouderschapsplan zijn. Volgens klager blijkt hieruit dat verweerster ten tijde van haar brief aan de rechtbank van 27 maart 2024 op de hoogte was van het uitgewerkte concept ouderschapsplan van 9 januari 2024. Verweerster zou dus, aldus klager, door het toesturen van het concept ouderschapsplan van 14 november 2023 met opzet de rechtbank onjuiste informatie hebben verstrekt.
7.3 Verweerster heeft daartegen als verweer ingebracht dat de vrouw na de e-mail van klager van 9 januari 2024 weliswaar bij verweerster is geweest, maar dat verweerster haar slechts heeft geadviseerd om het door klager aangepaste ouderschapsplan na te lopen en kanttekeningen, aanvullingen en wijzigingen op papier te zetten en deze door te zetten naar het CJG. Verweerster heeft niet kennisgenomen van het door klager uitgewerkte ouderschapsplan.
Verweerster heeft verder aangegeven dat klager niet is ingegaan op diverse uitnodigingen om te reageren op de verbeteringen en aanvullingen van de vrouw om het ouderschapsplan af te ronden en ook niet is ingegaan op uitnodigingen van het CJG om op afspraken te verschijnen. Ten tijde van het versturen van haar brief aan de rechtbank op 27 maart 2024 lag er, aldus verweerster, dus geen ondertekend of geaccordeerd ouderschapsplan.
7.4 Het hof overweegt als volgt.
Ter zitting heeft klager erkend dat er op 27 maart 2024 nog geen ondertekend of geaccordeerd ouderschapsplan lag. Het hof stelt vast dat zowel de e-mail van 9 januari 2024 van klager aan de vrouw als de e-mails van 16 en 23 januari 2024 van de vrouw aan klager niet – ook – aan verweerster zijn verstuurd. Uit de door verweerster gegeven uitleg op zitting bij het hof blijkt dat zij de vrouw enkel heeft geadviseerd het door klager aangepaste concept ouderschapsplan na te lopen en daar eventueel door de vrouw gewenste aanpassingen op aan te tekenen. Verweerster heeft zelf geen kennis genomen van de inhoud daarvan. Niet is gebleken dat verweerster verder betrokken is geweest bij de pogingen van het CJG om alsnog tot een definitief ouderschapsplan te komen. Volgens de verklaring van klager ter zitting van het hof is tot op heden nog steeds geen sprake van een definitief ouderschapsplan.
7.5 Het door klager op 9 januari 2024 verstuurde ouderschapsplan zoals dat er op 27 maart 2024 lag betrof dus een concept, waarin de na 9 januari 2024 door de vrouw aangedragen verbeteringen en aanvullingen niet waren meegenomen. Dit concept ouderschapsplan had niet de goedkeuring van de vrouw.
7.6 Nu op 27 maart 2024 van een ondertekend of geaccordeerd ouderschapsplan geen sprake was is het verwijt dat verweerster de rechtbank opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of dat zij anderszins de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden ongegrond. Verweerster, die niet klagers advocaat was maar advocaat van zijn wederpartij, handelde evenmin tuchtrechtelijk laakbaar door te weigeren om het concept ouderschapsplan dat klager op 9 januari 2024 had verstuurd bij de rechtbank in te dienen.
7.7 Naar het oordeel van het hof kan verweerster dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.
Slotsom
7.8 Op grond van het voorgaande zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.
8. BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-648/DB/LI.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.
Griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 31 oktober 2025 .
