Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:215

Zaaknummer

250060

Inhoudsindicatie

Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De raad van discipline heeft geoordeeld dat de klacht over de kwaliteit van de dienstverlening in alle klachtonderdelen ongegrond is. Klager is in beroep gekomen tegen de ongegrondverklaring. Het hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad voor zover daarbij klachtonderdeel a) ongegrond is verklaard, verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond en legt aan verweerder de maatregel op van waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van 31 oktober 2025

in de zaak 250060

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

gemachtigde:

mr. R. Hartman

 

 

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat de klacht over de kwaliteit van de dienstverlening in alle klachtonderdelen ongegrond is. Klager is in beroep gekomen tegen de ongegrondverklaring. Het hof van Discipline (hierna: het hof) vernietigt de beslissing van de raad voor zover daarbij klachtonderdeel a) ongegrond is verklaard, verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond en legt aan verweerder de maatregel op van waarschuwing.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad in het ressort Amsterdam heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-697/A/A) op 13 januari 2025 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager in alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:7 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 11 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het beroepschrift van klager; het verweerschrift van verweerder; de e-mail van klager van 20 augustus 2025.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 september 2025. Daar zijn klager en verweerder, bijgestaan door mr. R. Hartman, verschenen. Klager en verweerder hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep, ook niet gelet op hetgeen klager in zijn verweerschrift heeft aangevoerd, geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Verweerder heeft klager bijgestaan in een echtscheidingsprocedure.

3.3 Op 18 augustus 2021 heeft verweerder een verweerschrift met producties, tevens inhoudende zelfstandige verzoeken, in de procedure ingediend. Onder punt 45 van het verweerschrift staat, voor zover relevant: “De man kan instemmen met het verzoek van de vrouw om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen, echter de man acht een termijn van drie maanden na (tussen)beschikking redelijk. (…) Mocht blijken dat de vrouw de woning niet kan overnemen, dan wenst de man te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. De man acht daarvoor een termijn van drie maanden ook redelijk.”

3.4 In een e-mailbericht van 15 november 2021 om 10:54 uur heeft verweerder aan klager gevraagd of het klopt dat hij de aanvullende stukken die klager nog zou aanleveren, nog niet heeft ontvangen.

3.5 Klager heeft hierop dezelfde dag per e-mailbericht van 13:57 uur aan verweerder gestuurd, voor zover relevant: “Het klopt dat je de stukken nog niet hebt ontvangen. Mijn excuses daarvoor. (…) Ik doe mijn best het zo snel als mogelijk af te ronden. (…)”

3.6 In een e-mailbericht van 17 november 2021 heeft klager de aanvullende stukken aan verweerder gestuurd.

3.7 In een e-mailbericht van 2 februari 2022 heeft verweerder klager nogmaals om enkele aanvullende stukken verzocht.

3.8 Op vrijdag 25 februari 2022 heeft er een bespreking op kantoor van verweerder plaatsgevonden ter voorbereiding op de mondelinge behandeling van de zaak.

3.9 In een e-mailbericht van maandag 28 februari 2022 om 14:31 uur heeft verweerder nog enkele aanvullende vragen aan klager gesteld. Daarnaast heeft verweerder in dit bericht aan klager gevraagd wat voor hem een acceptabele schikking zou zijn en of klager bereid is te schikken. Verweerder stelt aan klager voor om de volgende dag één uur voor de zitting met elkaar af te spreken om met de wederpartij te beproeven of er een minnelijke schikking mogelijk is.

3.10 Eveneens op 28 februari 2022 heeft klager (per Whatsapp) aan verweerder gevraagd of hij de pleitnota mag ontvangen.

3.11  Op dinsdag 1 maart 2022 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden bij de Rechtbank Noord-Holland, Familie en Jeugd, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), in aanwezigheid van partijen.

3.12 Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. In punt 13 staat de volgende wijziging van het verzoek opgenomen: “(…). De man is dan ook van mening dat zijn verzoek onder punt I dient te worden gewijzigd in die zin dat de man uit hoofde van de toedeling geen bedrag aan de vrouw verschuldigd is. Het verzoek onder punt 7 dient dan verminderd te worden.”

3.13 Onder 3.18 van de pleitnota staat, voor zover relevant: “(…) de man realiseert zich dat hij niet alle bewijsstukken in het geding heeft kunnen brengen (….). In zoverre refereert de man dan ook naar het oordeel van de rechtbank. (…)”

3.14 De pleitnota wordt afgesloten met: “WIJZIGING ONDER I van het zelfstandig verzoek: I. primair te bepalen dat de woning in Curaçao geheel aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van EUR 450.000,00 zonder nadere verrekening met vrouw, subsidiair te bepalen dat de woning in Curaçao aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van EUR 450.000.00 waarbij de man uit hoofde hiervan een bedrag van EUR 25.466,00 aan de vrouw verschuldigd is, althans een bedrag die uw rechtbank juist en rechtvaardig acht.”.

3.15 In paragraaf 24 van de pleitnota staat: “Gebruiksvergoeding 24. De man realiseert zich dat hij deze vordering niet nader in de processtukken heeft onderbouwd. De man hoeft geen gebruiksvergoeding van de vrouw te ontvangen, mits de vrouw vanaf nu zelf zorgdraagt voor het betalen van alle lasten en de woning op kortst mogelijke termijn aan de vrouw/derde zal worden geleverd.”

3.16 Op 4 mei 2022 heeft de rechtbank beschikking in de zaak gewezen. Onder 2.5.11. overweegt de rechtbank, voor zover relevant: “(…) Ter zitting is overeenstemming bereikt dat de vrouw een termijn van vier maanden na heden zal worden gegund om te bezien of zij in staat is om de woning toegedeeld te krijgen. Indien de vrouw hiertoe niet in staat is, zal de woning worden verkocht en komt ieder van de partijen de helft van de overwaarde toe.”

3.17 De rechtbank heeft daarnaast de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft klager daarbij gelast om een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te betalen. Verder is in de beschikking een verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen en (beperkte) gemeenschap van inboedel door de rechtbank gelast. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

3.18 Op 15 november 2023 heeft klager zijn klacht tegen verweerder voorgelegd aan de externe klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder.

3.19 In een e-mailbericht van 13 december 2023 heeft verweerder gereageerd op de klachten van klager.

3.20 Op 19 maart 2024 heeft de klachtenfunctionaris zijn oordeel over de klacht aan partijen gestuurd.

3.21 Op 13 mei 2024 heeft klager zijn klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij

a) zonder overleg of toestemming van klager de pleitnota van 1 maart 2022 heeft ingediend en ten onrechte onder punt 24 ‘Gebruiksvergoeding’ daarin heeft vermeld dat de woning aan een derde kan worden verkocht;

b) in de pleitnota van 1 maart 2022 onder punt 13 te laat een eiswijziging heeft ingediend als gevolg waarvan de rechter daaraan voorbij is gegaan;

c) zich ook heeft laten leiden door het belang van de wederpartij.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft de klachtonderdelen a) en b) gezamenlijk beoordeeld nu deze beide zien op de pleitnota van 1 maart 2024. De raad heeft vastgesteld dat in rechtsoverweging 2.5.11. van de beschikking van 4 mei 2022 is overwogen dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over verkoop van de woning, indien de vrouw niet in staat zou zijn om de woning binnen een termijn van vier maanden toegedeeld te krijgen. De raad gaat uit van de juistheid van deze rechtsoverweging nu klager de inhoud van de beschikking niet heeft betwist. Volgens de raad valt gelet daarop niet in te zien op welk punt klager het niet eens kan zijn geweest met hetgeen verweerder in punt 24 van zijn pleitnota heeft geschreven, nu dit punt immers in lijn is met hetgeen kennelijk ter zitting over de toedeling c.q. verkoop van de woning tussen partijen is overeengekomen. De raad concludeert dan ook dat klachtonderdeel a) reeds op grond daarvan geen doel treft en dus ongegrond is.

5.2 Voor wat betreft het verwijt aan verweerder dat hij de pleitnota te laat aan klager heeft verstrekt en dat hierover tussen hen geen overleg is gevoerd, stelt de raad voorop dat het de voorkeur verdient dat een advocaat een pleitnota, in ieder geval in concept, tijdig aan zijn cliënt laat lezen, zodat hierover geen onduidelijkheden tussen hen kunnen ontstaan. Volgens de raad blijkt uit de inhoud van de overgelegde correspondentie, waaronder de e-mailberichten van verweerder aan klager van 25 en 28 februari 2022, dat verweerder in aanloop naar de zitting duidelijk met klager heeft gecommuniceerd over de nog te bespreken punten en dat er op vrijdagmiddag 25 februari 2022 en op dinsdag 1 maart 2022 (direct voorafgaand aan de zitting) nog een bespreking met elkaar was ingepland en heeft verweerder in dit geval voldoende voortvarend gehandeld en voldoende moeite gedaan om, binnen de korte termijn die er nog was, de pleitnota in ieder geval voorafgaand aan de zitting met zijn cliënt te kunnen bespreken. Volgens de raad is daarbij niet gebleken dat verweerder in zijn pleitnota een onjuistheid heeft vermeld of dat de inhoud van de pleitnota afweek van hetgeen daarover tussen klager en verweerder van tevoren was besproken en is ook niet gebleken dat klager als gevolg van het handelen door verweerder op enige wijze in zijn belangen is geschaad.

Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad komt dan ook tot de conclusie dat klachtonderdeel a) ongegrond is.

5.3 Ten aanzien van het in klachtonderdeel b) gemaakte verwijt heeft de raad overwogen dat een eiswijziging, mits schriftelijk, nog tot op de dag van de zitting mag worden ingediend, zodat de door verweerder, in samenspraak met klager, ingediende wijziging van de eis dan ook niet te laat was. Volgens de raad kan dit dan ook niet de reden zijn geweest dat de rechtbank aan deze eiswijziging voorbij is gegaan. De raad verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.

5.4 Voor wat betreft klachtonderdeel c) ziet de raad ziet in de inhoud van het klachtdossier geen aanknopingspunten voor het door klager in dit klachtonderdeel gemaakte verwijt, nu verweerder genoegzaam heeft aangevoerd dat hij met de onder 3.18 van zijn pleitnota genoemde opmerking de vordering van klager heeft verwoord. Verweerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en daarbij opgemerkt dat hij niet over stukken ter onderbouwing van de vordering beschikte. Daarmee heeft verweerder aangegeven dat de rechtbank zonder onderbouwing over de vordering diende te oordelen en volgens het oordeel van de raad blijkt hieruit echter niet dat verweerder de vorderingen van klager zou hebben prijsgegeven, noch dat hij zich op enige wijze heeft laten leiden door het belang van de wederpartij. De raad komt dan ook tot de conclusie dat ook klachtonderdeel c) ongegrond is.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

Klager heeft aangevoerd dat de vaststelling van de raad dat de pleitnota voorafgaand aan de zitting is besproken en door klager is goedgekeurd, onjuist is en dat de vaststelling dat verweerder voldoende moeite heeft gedaan om de pleitnota voorafgaand aan de zitting te bespreken onbegrijpelijk is. Volgens klager heeft hij de pleitnota enkele minuten voor de zitting gekregen en bevatte deze een cruciale passage (onder punt 24) die in strijd was met de expliciete wens van klager om de woning zelf over te nemen. Hij heeft dan ook geen reële mogelijkheid gehad om de pleitnota de bestuderen en bezwaar te maken. Daarbij is volgens klager de vaststelling van de raad dat klager niet in zijn belangen is geschaad ook onjuist en onbegrijpelijk. Klager moest immers hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank om te voorkomen dat zijn huis werd verkocht.

Volgens klager is de vaststelling van de raad dat klager rechtsoverweging 2.5.11 van de beschikking van de rechtbank van 4 mei 2022 (waarin staat dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over verkoop van de woning indien de vrouw niet in staat zou zijn om de woning binnen een termijn van vier maanden toegedeeld te krijgen) niet heeft betwist onjuist. Klager stelt onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting dat hier tijdens de mondelinge behandeling niet over gesproken is. Klager stelt dan ook dat de raad dit klachtonderdeel ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Daarbij is het volgens klager zo dat de raad de gedraging van verweerder op zichzelf had moeten beoordelen, los van de overweging en beslissing van de rechtbank, nu een advocaat zonder overleg of toestemming van zijn cliënt een zo belangrijk belang niet kan en mag weggeven. Dit was immers in strijd met de expliciete wens van klager om de woning zelf over te nemen. Klager stelt dat dit gedrag op zichzelf tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag betreft.

Daarbij is het volgens klager zo dat – anders dan wat verweerder heeft aangegeven – uit het proces-verbaal van de rechtbank blijkt dat de pleitnota wel degelijk is voorgedragen. Uit dat proces-verbaal blijkt bovendien dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de opdracht en instructies van klager.

Klager merkt daarbij ook nog op dat het gerechtshof in hoger beroep de beschikking van de rechtbank op dit punt heeft vernietigd, hetgeen volgens hem de onjuistheid van de bevindingen van de raad onderstreept en benadrukt dat de pleitnota een cruciaal en incorrect element bevatte dat niet in overeenstemming was met de wens en belangen van klager.

Voor wat betreft de eiswijziging voert klager aan dat het om een substantieel financieel belang ging met betrekking tot de woning in Curaçao en dat dit voorafgaand aan de zitting correct had moeten worden ingediend. Nu de rechtbank dit punt niet heeft meegenomen in haar beschikking, is klager ernstig in zijn belangen geschaad.

Volgens klager heeft het feit dat verweerder zich zonder overleg met klager gerefereerd heeft aan het oordeel van de rechtbank en zo de vordering in feite heeft prijsgegeven, bijgedragen aan de voor klager nadelige beschikking van de rechtbank.

Verweer verweerder

6.1 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel a)

7.2 Het eerste verwijt dat klager verweerder in dit klachtonderdeel maakt is dat hij zonder overleg of toestemming van klager de pleitnota heeft ingediend ter zitting van de rechtbank 1 maart 2022.

7.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijdag voor de zitting, die de week erop op dinsdag plaatsvond, nog een bespreking met klager had plaatsgevonden, dat er aan zijn kant nog veel onduidelijkheden waren en dat verweerder vervolgens in het weekend aan de pleitnota heeft gewerkt. Vervolgens zijn op maandag de vragen die verweerder nog aan klager had telefonisch besproken, heeft hij de pleitnota pas de avond voor de zitting afgerond en hebben zij een uur voor aanvang van de zitting afgesproken en is toen ook de pleitnota besproken.

7.4 Als uitgangspunt geldt dat een behoorlijk en zorgvuldig handelend advocaat processtukken op voorhand aan de cliënt ter beoordeling voorlegt. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen, maar het hof is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich hier niet voordoen.  Klager heeft op de maandag voorafgaand aan de zitting via Whatsapp aan verweerder gevraagd of hij de pleitnota mocht ontvangen. Verweerder heeft niet voldaan aan dat verzoek en klager heeft daarom pas kort voor de zitting op de rechtbank de pleitnota kunnen inzien. Naar het oordeel van het hof had het zeker gezien het door klager aan verweerder gedane verzoek op de weg van verweerder gelegen om op de dag voor de zitting een concept voor de pleitnota met klager te delen, desnoods in nog niet afgeronde vorm, zodat hij er zeker van was dat hetgeen hij in de pleitnota had opgenomen het standpunt van klager correct weergaf. Nu klager eerst hooguit een uur voor de zitting kennis kon nemen van de pleitnota heeft verweerder aan klager onvoldoende de gelegenheid geboden om te verifiëren dat de standpunten en wensen van klager door verweerder in de pleitnota goed waren weergegeven. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht, zodat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof verklaart klachtonderdeel a) op dit punt alsnog gegrond.

7.5 Voor wat betreft het tweede verwijt in klachtonderdeel a), inhoudende dat verweerder ten onrechte in de pleitnota heeft vermeld dat de woning aan een derde kan worden verkocht, is het hof met de raad van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat verweerder niet contrair aan de wens van klager heeft gehandeld blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank. Daarin staat immers met zoveel woorden opgenomen dat de man ermee akkoord is gegaan dat de vrouw eerst de gelegenheid krijgt om de woning toegedeeld te krijgen en dat als zij dat niet kan klager wil kijken of hij de woning toegedeeld kan krijgen. Die wens van klager was ook al in het door verweerder namens klager ingediende verweerschrift opgenomen. Anders dan klager heeft gesteld is in de pleitnota niet opgenomen dat de woning aan een derde kan worden verkocht. Er staat alleen dat de man ermee kan instemmen dat de vrouw gedurende drie maanden de tijd heeft om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen.

Het tweede verwijt in klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b)

7.6 Het hof is met de raad van oordeel dat de door verweerder ingediende wijziging van de eis niet te laat is ingediend, nu een dergelijke eis, mits schriftelijk, nog tot op de dag van de zitting mag worden ingediend. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel c)

7.7 Klager verwijt verweerder tot slot dat hij zich heeft laten leiden door de belangen van de wederpartij door zich op een punt van de vordering van klager te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Ook op dit punt is het hof met de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de vordering van klager op dit punt zou hebben prijsgegeven. Verweerder heeft ten overstaan van de rechtbank enkel aangegeven dat hij niet alle posten met bewijsstukken kan onderbouwen zodat de rechtbank zonder die bewijsstukken over de posten moet beslissen. Dat verweerder zich daarbij heeft laten leiden door het belang van de wederpartij, zoals klager stelt, is het hof ook niet gebleken. Ook klachtonderdeel c) is ongegrond.

Slotsom

7.8 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het beroep voor zover gericht tegen klachtonderdeel a) deels slaagt. De beslissing van de raad wordt op dit onderdeel vernietigd, klachtonderdeel a) wordt alsnog deels gegrond verklaard en de beslissing wordt voor het overige bekrachtigd.

 

8 MAATREGEL

8.1 Bij het deels gegrond bevinden van klachtonderdeel a) is het opleggen van een maatregel op zijn plaats. Nu het hier gaat om een zakelijke terechtwijzing kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing.

8.2 Op grond van artikel 48b lid 1 Advocatenwet kan de tuchtrechter bij het opleggen van een maatregel als bijzondere voorwaarde stellen dat de betrokken advocaat geheel of gedeeltelijk de door hem veroorzaakte schade tot een door het hof vast te stellen bedrag van ten hoogste € 5.000,- vergoedt.

8.3 Klager heeft het hof verzocht om als bijzondere voorwaarde te stellen dat verweerder de door hem geleden schade van € 5.000,- vergoedt, bestaande uit een deel van de advocaatkosten die klager heeft moeten maken wegens het instellen van hoger beroep in de onderliggende zaak door de slechte zorg van verweerder en de beslissing van de rechtbank op het punt van de verkoop van zijn woning.

8.4 Het hof overweegt dat reeds nu de door klager gevraagde schadevergoeding ziet op het klachtonderdeel dat ongegrond is verklaard, het geen aanleiding ziet om naast het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan verweerder de door klager gevraagde bijzondere voorwaarde te stellen. Het hof wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

 

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                

a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair);

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

10 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-697/A/A, voor zover daarbij klachtonderdeel a) ongegrond is verklaard;

en doet opnieuw recht:

10.2 verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond;

10.3 legt aan verweerder de maatregel op van waarschuwing;

10.4 wijst het verzoek om schadevergoeding af;

10.5 bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline voor het overige;

10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

10.7 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.8 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 31 oktober 2025 .