Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:221
Zaaknummer
230129H2
Inhoudsindicatie
Tweede verzoek tot herziening van een beslissing op grond van artikel 13 Advw niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van 27 oktober 2025 in de zaak 230129H2
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoekster
gemachtigde: mr. S.
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 De herzieningskamer van het hof (hierna: de herzieningskamer) verwijst naar de beslissing van 31 mei 2023 van het Hof van Discipline (hierna: het hof) met zaaknummer 230129. Daarin is het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet (Advw) van verzoekster tegen de beslissing van 16 mei 2023 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) ongegrond verklaard. De beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2023:74 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
1.2 Verzoekster heeft op 1 juni 2023 verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 31 mei 2023. Dit heeft geleid tot de beslissing van 11 september 2023 (zaaknummer 230129H), waarbij het hof verzoekster niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar herzieningsverzoek. Die beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2023:153 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoekster heeft vervolgens wederom het hof verzocht de beslissing van het hof van 31 mei 2023 te herzien. Dat verzoek is ter griffie van het hof ingekomen op 3 maart 2025.
2.2 Verder bevat het herzieningsdossier: - het verweer van de deken; - de repliek; - de dupliek.
2.3 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
3 BEOORDELING
mogelijkheid tot herziening
3.1 Het hof stelt voorop dat tegen een beslissing van het hof in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel is opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1.2 van het herzieningsprotocol, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen, als:
a. feiten of omstandigheden aan het licht komen die (i) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, en (ii) bij de verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die (iii) het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat het hof tot een andere beslissing zou zijn gekomen als deze vóór de uitspraak bij het hof bekend zouden zijn geweest; of
b. in de procedure bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
3.3 Op deze uitzonderingen kan volgens artikel 1.3 van het herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door de advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd als bedoeld in artikel 48 lid 1 Advocatenwet. De herziening zal niet kunnen leiden tot een wijziging ten nadele van de advocaat.
3.4 Klaagster voert thans aan dat er sprake is van een nieuw feit - namelijk het arrest in kort geding van 21 mei 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - dat, als het hof met de inhoud daarvan bekend was geweest bij de beoordeling van het beklag, tot een andere beslissing zou hebben geleid.
3.5 De deken voert verweer en stelt dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het herzieningsverzoek. Volgens de deken is er geen sprake van een nieuw feit als bedoeld in artikel 1.2.a. van het herzieningsprotocol.
ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek
3.6 Het hof stelt vast dat klaagster zich beroept op de herzieningsgrond van artikel 1.2a van het herzieningsprotocol. Het hof is van oordeel dat verzoekster, geen advocaat zijnde, geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 1.2a van het herzieningsprotocol. Verzoekster is reeds daarom niet-ontvankelijk in haar herzieningsverzoek (vergelijk ECLI:NL:TAHVD:2022:141, waarin de herzieningskamer een uitzondering heeft gemaakt op artikel 1.3 van het herzieningsprotocol en het herzieningsverzoek van klaagster ontvankelijk heeft verklaard, omdat het hof een fundamenteel rechtsbeginsel (artikel 1.2b van het herzieningsprotocol) had geschonden).
3.7 Ten overvloede overweegt het hof dat voor een beroep op artikel 1.2a het moet gaan om feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak - in dit geval de beslissing van het hof van 11 september 2023. Nog daargelaten dat een rechterlijke uitspraak in het algemeen geen nieuw feit oplevert, dateert het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, derhalve van ná de beslissing van het hof van 11 september 2023. Ook om die reden kan verzoekster niet in haar herzieningsverzoek worden ontvangen.
3.8 Het hof zal gelet op het voorgaande verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar herzieningsverzoek.
verdere overwegingen van het hof
klacht over de deken
3.9 Verzoekster verzoekt het hof om proceseconomische redenen haar herzieningsverzoek gelijktijdig als klacht tegen de deken te beoordelen. Volgens verzoekster heeft de deken zich onder meer schuldig gemaakt aan vooringenomenheid en heeft zij het hof met haar afwijzingsbeslissing van 16 mei 2023 onjuist geadviseerd, hetgeen heeft geleid tot een onterechte ongegrondverklaring door het hof in zijn beslissing van 11 september 2023 op het beklag van verzoekster.
3.10 Het hof wijst dit verzoek af omdat in de Advocatenwet geen grondslag is aan te wijzen op basis waarvan hij bevoegd zou zijn om het herzieningsverzoek als klacht tegen de deken in behandeling te nemen. Verzoek tot rectificatie van de beslissing van het hof van 2 oktober 2023
3.11 Verzoekster heeft na de voormelde beslissing van het hof van 31 mei 2023 opnieuw een verzoek om aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advw ingediend. De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 20 september 2023. Het hof heeft bij beslissing van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:169) het beklag van verzoekster tegen de beslissing van de deken van 20 september 2023 ongegrond verklaard.
3.12 Verzoekster verzoekt het hof de beslissing van het hof van 2 oktober 2023 te rectificeren, voor zover het hof in rechtsoverweging 4.14 van die beslissing heeft geoordeeld dat verzoekster zich schuldig maakt aan misbruik van het klachtrecht. Verzoekster acht dit oordeel in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en recht op toegang tot een rechter.
3.13 Het hof overweegt dat ingevolge vaste jurisprudentie een uitspraak kan worden gerectificeerd -kortweg- indien sprake is van een kennelijke fout of verschrijving. Het wijzigen (of terugtrekken) van een oordeel in een uitspraak kan niet als zodanig worden gekwalificeerd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar herzieningsverzoek; - wijst de overige verzoeken af.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 oktober 2025.
