Rechtspraak
Uitspraakdatum
31-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:214
Zaaknummer
250082
Inhoudsindicatie
Klager klaagt over het feit dat verweerder niet transparant zou zijn geweest over de hoedanigheid waarin verweerder is opgetreden. De klacht houdt verder in dat verweerder in zijn communicatie met de curator in strijd met de waarheid heeft verklaard. De raad heeft over het eerste klachtonderdeel overwogen dat verweerder wel in strijd met de letter van gedragsregel 9 heeft gehandeld, maar dat zijn handelen niet onbetamelijk was als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet en het daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad heeft dit klachtonderdeel dan ook – net als het tweede klachtonderdeel – ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 31 oktober 2025 in de zaak 250082
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. W.A.J. Hagen
1 INLEIDING
1.1 Klager klaagt over het feit dat verweerder niet transparant zou zijn geweest over de hoedanigheid waarin verweerder is opgetreden. De klacht houdt verder in dat verweerder in zijn communicatie met de curator in strijd met de waarheid heeft verklaard. De raad heeft over het eerste klachtonderdeel overwogen dat verweerder wel in strijd met de letter van gedragsregel 9 heeft gehandeld, maar dat zijn handelen niet onbetamelijk was als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet en het daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad heeft dit klachtonderdeel dan ook – net als het tweede klachtonderdeel – ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-149/AL/GLD) op 29 juli 2024 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:179 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 25 augustus 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 september 2025. Daar zijn klager en verweerder, bijgestaan door mr. W.A.J. Hagen, verschenen. Namens verweerder is zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 [D] (hierna: [D]) is een onderneming die zich bezig hield met het begeleiden en realiseren van projecten op het gebied van duurzaamheid, met name het aanbrengen van zonnepanelen bij zakelijke klanten.
3.3 Klager en de heer [F] (hierna: [F]) waren gezamenlijk bestuurder van [D].
3.4 Op 15 juni 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van een klant van [D] (hierna: [H]) om de problemen in de samenwerking met [H] te bespreken. Tijdens dit gesprek waren klager, verweerder en [F] aanwezig.
3.5 Voorafgaand aan dit gesprek is er op 14 juni 2022 WhatsAppcontact geweest tussen klager en verweerder (waarbij klager is aangeduid met [W] en verweerder met [E]):[14:39, 14-06-2022] [E] : Hi [W], jij bent er morgen bij? is eigenlijk wel nodig voor het beste resultaat! Hgr. [E][14:40, 14-06-2022] [W] : Jazeker. Heb ik ook bij [F] van [H] aangegeven[14:50, 14-06-2022] [E] : Top. Jouw tekstblok ga ik verder in de middag doorzetten naar [H], tot morgen! [14:50, 14-06-2022] [W] : Top. Kijk ff goed naar zinsbouw spelling etc [14:51, 14-06-2022] [E] : Doe ik! [09:21, 21-06-2022] [E] : [W], bel je me ff terug? Hgr. [E].
3.6 Ter voorbereiding op het gesprek bij [H] heeft er een Teams-gesprek plaatsgevonden tussen klager, verweerder en [F]. Tijdens dat gesprek bevond [F] zich op het kantoor van verweerder.
3.7 Na het gesprek bij [H] is [F] in juni 2022 uitgetreden bij [D] waardoor klager als enig bestuurder van [D] overbleef.
3.8 In de periode van juni tot augustus 2022 hebben klager en verweerder e-mailcontact met elkaar gehad.
3.9 Op 29 juni 2022 om 12.07 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven: Beste [W], Inmiddels sprak ik [F] en probeerde ik je te bellen. Om kort te gaan: [F] heeft ontslag genomen als bestuurder van [D] en is inmiddels als bestuurder uitgeschreven bij de KvK. (…) Dit betekent, dat jij nu als enig bestuurder van [D] de handen vrij hebt om de kwestie met [H] af te wikkelen en dat jij dat niet meer samen met [F] hoeft te doen. Het lijkt mij voor de hand te liggen dat je de ingezette lijn blijft volgen: schadebeperkend handelen en [X] de opdracht op regiebasis gunnen. Formeel komt mijn rol hiermee ten einde, maar ik zou het op prijs stellen als je me nog even laat weten hoe dit afloopt.
3.10 Op 21 juli 2022 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven: Jouw rol bij [H] was toch namens [D]? Of zat dat anders? Aan wie heb je de uren gefactureerd? Ik heb daar niets van gezien”
3.11 Diezelfde dag heeft klager het volgende aan verweerder geschreven: Dag [E], Graag nog antwoord op mijn vragen, die had ik nog gemist: Jouw rol bij [H] was toch namens [D]? Of zat dat anders? Aan wie heb je de uren gefactureerd? Ik heb daar niets van gezien”
3.12 Op 22 juli 2022 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven: Beste [W], [F] heeft mij gevraagd om de zaak op te pakken toen hij doorkreeg dat er boetes vervielen. Dat heeft hij mij gevraagd ter beperking van zijn persoonlijke risico’s als bestuurder van [D]. Zijn persoonlijke belang liep en loopt volledig parallel aan jouw belang als bestuurder van [D] en het belang van [D] zelf. [F] is van mening dat mijn facturen door [D] betaald moeten worden. Die heb ik vooralsnog aan [F] gericht, hij gaat deze doorbelasten.”
3.13 Op 15 augustus 2022 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven: Beste [W], [F] heeft mij gevraagd om de zaak tegen [H] op te pakken ter beperking van zijn persoonlijke risico’s als bestuurder. Zijn persoonlijke belang liep en loopt daarbij volledig parallel aan jouw belang als bestuurder en het belang van [D]. Ik ben evenwel opdrachtnemen van [F], reden waarom [D] van mij geen opdrachtbevestiging en geen facturen heeft ontvangen. Overigens is [F] van mening dat mijn facturen aan hem door [D] betaald moeten worden, reden waarom hij deze doorbelast. Je mag uiteraard een klacht tegen mij indienen, maar weet dat ik geen opdracht van [D] heb aanvaard. dat kon ook niet, want [F] was niet alleen bevoegd.
3.14 Diezelfde dag heeft klager heeft volgende aan verweerder geschreven: Ik vind dit een zeer opmerkelijk antwoord. Jij meldt mij dat je [D] hebt vertegenwoordigd om de persoonlijke aansprakelijkheid van [F] te beperken en die zou volledig parrallel lopen met mijn (beperking van) aansprakelijkheid. Dat deel had je me al verteld. De vorige keer emailde je mij dat alle facturen aan [F] gestuurd zijn en dat hij ze zou voldoen. Nu worden ze toch weer doorbelast aan [D]? Het wordt elke keer anders. Jij hebt ons samen vertegenwoordigd namens [D] bij [H] en die belangen lopen volledig parrallel volgens jou. [F] geeft aan dat je voorafgaand aan dit proces aan mij een brief hebt gestuurd. Daar wil ik graag een kopie van ontvangen. Spoedig, deze week. Daarna heeft [F] zich terug getrokken als bestuurder zonder mij ook maar op enige manier in te lichten en dat verhaal wordt door jou richting onze leverancier(s) dan wel onderaannemer(s) dan wel opdrachtgevers ondersteund (jij ontkent dat, ik heb daar bewijs van). Op dat moment lopen onze belangen niet meer parallel en op dat moment zou je mij moeten informeren dat [F] er uit is gestapt en dat je hem dus vertegenwoordigt en mij niet (meer?!?). (…).
3.15 Op 31 oktober 2022 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten Gelderland.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij: a) niet transparant is geweest over de hoedanigheid waarin hij optrad; b) mee heeft gewerkt aan het verhullen van de waarheid voor de curator en in strijd met de waarheid te verklaren.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel a) 5.1 De raad heeft vooropgesteld dat gedragsregel 9 bepaalt dat een advocaat tegenover zijn client en in zijn contact met derden ervoor moet zorgdragen dat er geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. De raad kan zich voorstellen dat vanwege de informele manier van communiceren door verweerder in de richting van klager, het bij klager niet altijd geheel duidelijk is geweest voor wie verweerder is opgetreden en dat die onduidelijkheid kan zijn vergroot doordat verweerder klager heeft uitgenodigd om bij een gesprek aanwezig te zijn. Bovendien heeft verweerder alleen in een eerder gesprek - waarbij klager niet aanwezig was - expliciet aangegeven dat hij voor (alleen) [F] optrad. Volgens de raad had verweerder hierover in de richting van klager duidelijker kunnen en moeten communiceren. Daartegenover staat dat niet is gebleken dat verweerder bewust onduidelijk over zijn hoedanigheid is geweest en dat de bij klager ontstane onduidelijkheid over de rol van verweerder slechts van korte duur is geweest en niet is gebleken dat klager hierdoor in een belang is geschaad. De raad is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat verweerder in deze zaak wel in strijd met de letter van gedragsregel 9 heeft gehandeld, maar dat hij niet onbetamelijk heeft gehandeld zoals bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en dat zijn handelen daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad heeft dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) 5.2 Volgens de raad heeft klager zijn stelling dat verweerder in zijn communicatie met de curator in strijd met de waarheid heeft verklaard, onder meer over een akte van geldlening, niet met bescheiden onderbouwd en heeft verweerder dit verwijt gemotiveerd betwist. Aldus is niet komen vast te staan dat de informatie die verweerder aan de curator heeft verstrekt onjuist is, laat staan dat verweerder wist dan wel had moeten weten dat die informatie onjuist zou zijn. De raad verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Volgens klager mocht hij ervan uitgaan dat verweerder ook zijn belangen behartigde toen verweerder hem een dag voor de afspraak vroeg of klager bij de afspraak aanwezig zou zijn omdat dit in het belang zou zijn van beide bestuurders. Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel heeft verweerder volgens klager tot een jaar na het faillissement beweerd dat er een akte is waarin zou staan dat er een lening van 200.000 euro verrekend zou mogen worden met een andere entiteit, terwijl verweerder die akte nog nooit had gezien en hij dus gelogen heeft over het bedrag.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Voor zover de klacht ziet op de door verweerder veroorzaakte onduidelijkheid over voor wie verweerder optrad geldt het volgende. Ter bevordering van rolzuiverheid dient de advocaat in zijn contacten met derden ervoor zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. 7.3 Voor zover de klacht ziet op het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij van klager houdt het hof de volgende, mede door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid ingegeven, maatstaf aan. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel a)
7.4 Tegen het licht van de hiervoor onder 7.2 uiteengezette maatstaf beoordeelt het hof het handelen van verweerder als volgt. Ten tijde van het optreden van verweerder was er reeds sprake van een conflict tussen klager en F over hun samenwerking in D. Verweerder was niet de vaste advocaat van D en had niet eerder opgetreden voor klager. Verweerder en klager hadden niet de inschakeling van verweerder als advocaat ten behoeve van D en/of klager besproken en er was geen opdrachtbevestiging van verweerder aan D en/of klager. Verweerder heeft ook niet aan D en/of klager gedeclareerd. Hoewel het hof tegen de achtergrond van de als informeel aan te merken toonzetting in het WhatsApp-bericht van verweerder aan klager van 14 juni 2022 het verstandig had gevonden als verweerder aan klager expliciet(er) had duidelijk gemaakt dat hij enkel optrad als advocaat voor F, heeft verweerder naar het oordeel van het hof gezien het vorengaande niet de indruk gewekt dat hij (ook) als advocaat van klager optrad. Gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden kan niet worden gesteld dat verweerder een misverstand heeft laten ontstaan dat hij ook voor klager optrad tijdens het gesprek met H. Met de raad oordeelt het hof dat verweerder op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zodat het hof dit klachtonderdeel ongegrond verklaart.
Klachtonderdeel b)
7.5 Het verwijt dat klager verweerder maakt is dat hij in zijn communicatie met de curator in strijd met de waarheid heeft verklaard. Volgens klager heeft verweerder ten onrechte beweerd dat in een akte van geldlening zou staan dat er een lening verrekend mocht worden.
7.6 Het handelen waar klager over klaagt betreft communicatie tussen de curator van D en verweerder als advocaat van F, waarin klager geen partij was, waarbij verweerder een standpunt heeft ingenomen namens zijn cliënt ten overstaan van de curator. Nog daargelaten of klager belanghebbende is, nu het gaat om communicatie tussen verweerder als advocaat van F en de curator van D, mocht verweerder naar het oordeel van het hof afgaan op de juistheid van de informatie die hem door zijn cliënt was verschaft en hoefde hij die niet te verifiëren, tenzij daar aanleiding toe was. Dat verweerder de curator feiten heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of behoorde te kennen, is het hof niet gebleken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel eveneens ongegrond wordt verklaard.
Slotsom
7.7 Het hof komt, net als de raad, tot een ongegrondverklaring van beide klachtonderdelen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 29 juli 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-149/AL/GLD.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 31 oktober 2025.
