Rechtspraak
Uitspraakdatum
31-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:220
Zaaknummer
250355
Inhoudsindicatie
Beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd te voldoen aan klagers herhaalde verzoek om hem nogmaals een advocaat toe te wijzen. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Bij het aanwijzen van een advocaat komt de deken een ruime beleidsvrijheid toe. De “advies-eerst-constructie” is naar het oordeel van het hof gelet op het uiteengezette kader objectief gerechtvaardigd en niet in strijd met de wet.
Uitspraak
Beslising van 31 oktober 2025
in de zaak 250355
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 8 oktober 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klager heeft dit verzoek gedaan om het fundamentele recht op een beoordeling in tweede instantie veilig te stellen. De achtergrond daarvan is als volgt. Klager heeft bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 juni 2025, door zelf een pro forma beroepschrift bij het gerechtshof in te dienen, dat niet is ondertekend door een advocaat. Daarop heeft de griffier van het gerechtshof aan klager laten weten dat het beroepschrift door een advocaat ondertekend en ingediend dient te worden, en klager heeft de gelegenheid gekregen om dit verzuim uiterlijk op 4 november 2025 te herstellen. Indien klager dit niet doet, zal hij in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
1.2 De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen met de beslissing van 17 oktober 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat aan klager in deze kwestie al twee keer eerder wel een advocaat is aangewezen en dat het verzoek van 8 oktober 2025 een herhaling is van klagers laatste verzoek van 18 juli 2025, dat de deken heeft afgewezen, waarna het beklag daartegen door het Hof van Discipline bij beslissing van 10 oktober 2025 (in de zaak met nummer 250262) ongegrond is verklaard. De deken ziet geen reden om op het verzoek van 8 oktober 2025 anders te beslissen. De deken heeft daarbij benadrukt dat klager niet van advocaten kan verwachten dat zij handelingen verrichten die in strijd zijn met hun kernwaarden en advocateneed.
Bij het Hof van Discipline
1.3 Klager heeft op 18 oktober 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken, met bijlagen; de repliek van klager, met bijlagen; de dupliek van de deken, met bijlagen; een e-mail van klager van 20 oktober 2025; twee e-mails van klager van 21 oktober 2025.1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 8 oktober 2025 heeft klager het verzoek gedaan om hem een advocaat toe te wijzen voor een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 juni 2025.
2.2 De deken heeft dit verzoek met de beslissing van 17 oktober 2025 afgewezen. De deken heeft de afwijzing - voor zover in deze procedure van belang - als volgt toegelicht:
“Verzoek 1 | aangewezen advocaat [mr. C]
(…)
U heeft op 8 juli 2025 – onder protest – de aanwijzing van [mr. C] geaccepteerd. [Mr. C] heeft vervolgens haar voorwaarden voorgelegd. Aanvankelijk heeft u haar voorwaarden niet geaccepteerd. Uiteindelijk heeft u de voorwaarden – wederom onder protest – geaccepteerd. [Mr. C] heeft zich op 16 juli 2025 teruggetrokken, waarbij zij stelt in een onoverkomelijk conflict te zijn beland over de “advies-eerst”-constructie. U heeft op 16 juli 2025 een klacht ingediend tegen [mr. C}. U heeft eveneens op 10 juli 2025 formeel een klacht ingediend tegen mij (in mijn hoedanigheid van deken) bij het Hof van Discipline. Ik heb 21 juli 2025 aan u en [mr. C] medegedeeld de aanwijzing in te trekken.
Verzoek 2 | aangewezen advocaat [mr. S]
Op 18 juli 2025 heeft u voor de tweede keer een beroep gedaan op artikel 13 Advocatenwet. Ik heb 21 juli 2025 – bij hoge uitzondering – besloten nogmaals een advocaat voor u aan te wijzen. Ik heb [mr. S.] aangewezen. Ik heb daarbij aangegeven dat indien [mr. S] geen kansen ziet voor een geslaagd hoger beroep dan wel een geslaagde herroepingsprocedure, hij de betreffende procedure niet voor u zal starten. [Mr. S] heeft in zijn mail van 22 juli 2025 (16:56 uur) aangegeven dat hij voorshands geen kansen ziet voor de appelprocedure tegen een vonnis van de kantonrechter Den Haag van 6 juni 2025, maar hij heeft u wel in de gelegenheid gesteld nadere stukken te sturen en uw zienswijze aan hem kenbaar te maken, hetgeen betrokken zal worden bij het procesadvies. Op 8 augustus 2025 heeft [mr. S] u een definitief negatief procesadvies gestuurd.
U heeft mij op 24 juli 2025 verzocht de aanwijzing van [mr. S] in te trekken en een andere advocaat aan te wijzen. Ondanks dit verzoek heeft [mr. S] u wederom de mogelijkheid gegeven stukken en gronden aan te leveren. Ik verwijs naar de mail die u op 24 juli 2025 (15:21 uur) heeft ontvangen van [mr. S]. Duidelijk is dat [mr. S] meermaals welwillendheid heeft getoond met betrekking tot het verlenen van rechtsbijstand. U heeft dit voorstel uiteindelijk geweigerd, omdat u het niet eens bent met het oordeel van [mr. S].
U heeft daarna opnieuw verzocht om een advocaat aan te wijzen waarbij de voorwaarde vervalt dat de aangewezen advocaat eerst advies geeft en slechts in het geval van een positief advies gehouden is procesbijstand te verlenen. [Mr. H] (waarnemend deken) heeft u 30 juli 2025 medegedeeld dat hij dit niet zal doen.”
2.3 In de procedure omtrent het eerdere aanwijzingsverzoek waarover de waarnemend deken op 30 juli 2025 een beslissing heeft genomen en waar de deken in haar beslissing van 17 oktober 2025 naar verwijst, heeft klager op 30 juli 2025 bij het hof een beklag ingediend. Bij beslissing van 10 oktober 2025 is dit beklag door het hof ongegrond verklaard. Het hof heeft in de beslissing het volgende overwogen:
“4.2 Het beklag van klager komt er in de kern op neer dat volgens hem de deken geen voorwaarden mag verbinden aan het aanwijzen van een advocaat, in die zin dat een aangewezen advocaat volgens klager niet eerst mag toetsen of de procedures waarin hij klager dient bij te staan kansrijk zijn. Aldus is volgens klager in werkelijkheid geen sprake van een aanwijzing van een advocaat die hem rechtsbijstand verleent. Daarnaast beïnvloedt de deken de aangewezen advocaat al van te voren, aldus klager.
4.3 Het hof volgt klager hierin niet. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen, is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat die meebrengt dat de deken in het algemeen niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Van een aangewezen advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij klager bijstaat in een zaak die hij “in gemoede niet rechtvaardig acht” (verwezen wordt naar de advocateneed/belofte van artikel 3 lid 2 van de Advocatenwet). Anders gezegd een advocaat kan niet gedwongen worden een zaak aan te nemen die hij niet kansrijk acht (vgl. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). Dat de deken de aangewezen advocaten heeft gevraagd om eerst een procesadvies uit te brengen is dan ook niet strijdig met enig door klager vermeld beginsel. Dat mrs. C. en S voorafgaand aan het geven van het procesadvies op enigerlei wijze zouden zijn gestuurd (anders dan de mededeling dat eerst een procesadvies moest worden uitgebracht) is niet gebleken. Bovendien heeft mr. S, nadat hij een negatief procesadvies had gegeven, klager voorgesteld om aanwezig te zijn tijdens de behandeling van het kort geding dat klager zelf aanhangig had gemaakt en, mocht het resultaat voor klager positief uitvallen, om zijn advies te wijzigen. Gesteld noch gebleken is dat klager hier gebruik van heeft gemaakt. Tot slot is (uit bijlage 14 van klager) evenmin gebleken dat mr. C heeft verklaard dat zij onder de door de deken gestelde voorwaarden klager niet kon bijstaan, integendeel. Uit die bijlage blijkt dat klager het niet eens is met de voorwaarden die mr. C uiteen heeft gezet in haar brief van 10 juli 2025.”
3 beklag en verweer
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken zijn (herhaalde) verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft klager een uitgebreide schriftuur ingediend, waarin klager meerdere beklaggronden tegen de afwijzing van de deken heeft opgenomen en zijn stelling nader heeft toegelicht. Het hof heeft daarvan kennisgenomen. Klager schrijft dat zijn centrale stelling is dat de weigering van de deken om een onvoorwaardelijke aanwijzing te verstrekken thans bewezen is gebaseerd op een opeenstapeling van ondeskundigheid en tuchtrechtelijk verwijtbare fouten. Het onweerlegbare bewijs hiervoor wordt volgens klager geleverd door de succesvolle inschrijving van het pro forma beroepschrift dat klager zelf bij het gerechtshof Den Haag heeft ingediend, ondanks dat de tweede door de deken aangewezen advocaat, hierna te noemen mr. S, deze proceshandeling volgens klager expliciet en stellig als juridisch "niet mogelijk" heeft bestempeld. Volgens klager gaat het hierbij niet om een geïsoleerd incident, maar vormt dit de culminatie van een patroon van onkunde en onwil, waarbij beide door de deken aangewezen advocaten volgens klager de door de Orde van Advocaten opgelegde regels negeerden. Klager stelt dat sprake is van objectief vast te stellen systemisch falen.
3.2 De (vier) beklaggronden die klager aanvoert komen samengevat op het volgende neer. Er is sprake van structurele miskenning en uitholling van artikel 13 Advocatenwet door de deken. Klager wijst erop dat deze wetsbepaling is bedoeld als een ultimum remedium, en daarmee als een vangnet om de toegang tot het recht te garanderen. Gelet daarop vormt de door de deken gebruikte "advies-eerst-constructie” volgens klager een fundamenteel oneigenlijk gebruik van het aanwijzingsinstrument. Volgens klager hebben beide door de deken aangewezen advocaten geen deugdelijk procesadvies kunnen geven, maar was er sprake van een voorgeprogrammeerde beoordeling in opdracht van de deken. Klager stelt kortom, dat de advocaten door de deken zijn gestuurd. Daarbij is volgens klager sprake van een patroon, waarbij klagers recht op toegang tot de rechter wordt gesaboteerd. Volgens klager stond in deze zaak al op voorhand vast dat het verzoek van klager zou worden afgewezen. Daarnaast hebben de eerder aangewezen advocaten volgens klager de nodige fouten gemaakt en zou het (negatieve) procesadvies op onjuiste aannames, premature oordelen en dwalingen zijn gebaseerd. Klager beticht de deken er voorts van een persoonlijke vete tegen hem te voeren. Ook beschuldigt klager het hof van medeplichtigheid aan de handelswijze van de deken, wat volgens klager onder meer blijkt uit de hiervoor genoemde beslissing van 10 oktober 2025, en van een fascistoïde houding, en daarnaast is er volgens klager sprake van constitutioneel racisme. In het beklagschrift heeft klager vervolgens uiteengezet dat volgens hem sprake is van schending van de door klager in het beklagschrift genoemde artikelen uit de Advocatenwet en van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Klager verzoekt het hof in het beklagschrift te beslissen als volgt:
het beklag van klager gegrond te verklaren en een openbare zitting in te plannen; de beslissing van de deken d.d. 30 juli 2025, alsmede de beslissing van het Hof van Discipline in zaak 250262 d.d. 10 oktober 2025, te vernietigen; de deken te gelasten om binnen 48 uur na de uitspraak van het hof een advocaat aan te wijzen met de onvoorwaardelijke en expliciete opdracht tot het voortzetten van de procedure bij het Gerechtshof Den Haag onder zaaknummer [zaaknummer], teneinde het herstelverzuim vóór de fatale termijn van 4 november 2025 te voltooien; in de beslissing vast te stellen dat het patroon van onjuiste advisering, het negeren van de regels en het frustreren van de rechtstoegang door de aangewezen advocaten en de deken, tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen constitueert.In zijn e-mails van 21 oktober 2025 heeft klager verduidelijkt dat zijn beklag specifiek betrekking heeft op de afwijzingsbeslissing van de deken van 17 oktober 2025.
Verweer
3.3 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het beklag van klager. Dit verweer zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Oordeel van het hof
4.2 Ten aanzien van de hiervoor weergegeven (vier) verzoeken van klager overweegt het hof allereerst het volgende.
Het verzoek van klager (ad 1) om een openbare zitting in te plannen om zijn beklag te behandelen kan, gelet op de korte tijdspanne tot 4 november 2025, niet worden gehonoreerd. Het hof doet het beklag daarom schriftelijk af, na een re- en dupliek, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geborgd.
Voorts is het (ad 3) voor het hof binnen de kaders van artikel 13 Advocatenwet niet mogelijk om de deken te gelasten een advocaat toe te wijzen, en evenmin om (ad 4) “een patroon van verwijtbaar handelen” vast te stellen, zodat aan die verzoeken in deze procedure niet kan worden toegekomen.
4.3 Het beklag van klager komt er in de kern op neer dat hem, door de weigering van de deken om een onvoorwaardelijke aanwijzing van een advocaat te verstrekken, ten onrechte de toegang tot de rechter wordt ontzegd, waardoor voor klager onherstelbaar rechtsverlies optreedt. Volgens klager staat deze afwijzing bovendien niet op zichzelf, maar is sprake van een patroon van het frustreren van klagers toegang tot de rechter. Dat aan klager al tweemaal een advocaat is toegewezen, zoals door de deken in de afwijzende beslissing is uiteengezet, vormt volgens klager geen grond om zijn verzoek van 18 oktober 2025 af te wijzen. Deze advocaten hebben volgens klager geen deugdelijk procesadvies gegeven, omdat zij volgens klager zijn beïnvloed door de deken en hun procesadviezen op onjuiste aannames zouden zijn gebaseerd.
4.4 Naar het oordeel van het hof heeft de deken op goede gronden geweigerd te voldoen aan klagers herhaalde verzoek om hem nogmaals een advocaat toe te wijzen voor het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 juni 2025. De deken heeft aan klager reeds eerder een advocaat toegewezen teneinde hem te adviseren over de mogelijkheden van vorenbedoeld hoger beroep. Dat betrof mr. S. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een hernieuwd verzoek kan worden afgewezen, als de deken al een keer eerder een advocaat heeft aangewezen (zie bijvoorbeeld HvD 31-10-2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:209 en HvD 14-02-2011, ECLI:NL:TAHVD:2011:YA1409). Daarbij zijn in deze zaak ook de volgende omstandigheden van belang. Zoals door de deken in de afwijzende beslissing is uiteengezet, en in het kort ook in het verweerschrift, heeft de eerste aan klager toegewezen advocaat, [mr. C], zich teruggetrokken, nadat klager de aanwijzing van mr. C op basis van de zogenoemde “advies-eerst-constructie” onder protest had geaccepteerd. Klager was het met die constructie niet eens. Vervolgens heeft klager ook de door mr. C gestelde voorwaarden alleen onder protest geaccepteerd. Mr. C is met klager uiteindelijk toch in een onoverkomelijk conflict beland over de “advies-eerst-constructie”, wat voor mr. C aanleiding is geweest zich terug te trekken, waarna de deken de aanwijzing heeft ingetrokken. Vervolgens heeft de deken, bij hoge uitzondering zoals door de deken in de afwijzende beslissing en in het verweerschrift is aangegeven, besloten klager nogmaals een advocaat toe te wijzen, namelijk mr. S. Zoals blijkt uit het verweerschrift en de afwijzende beslissing van de deken van 17 oktober 2025, zag mr. S weliswaar reeds op voorhand en uiteindelijk ook geen kansen voor de hoger beroepsprocedure, maar toch heeft hij zich ten opzichte van klager zeer welwillend getoond en klager ruim de mogelijkheid geboden om hem ervan te overtuigen toch een positief procesadvies af te geven. Dat is uiteindelijk niet gelukt, het procesadvies van mr. S bleef negatief. Het hof is van oordeel dat de deken op grond van de hiervoor uiteengezette omstandigheden gegronde redenen had om het hernieuwde verzoek van klager af te wijzen.
4.5 Het hof heeft daarbij betrokken dat bij de aanwijzing van de advocaten sprake is geweest van een "advies-eerst-constructie", waarover klager heeft aangevoerd dat die constructie en de daaruit voortvloeiende adviezen niet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid, omdat daarbij geen sprake is geweest van een deugdelijke opdracht of dossierkennis en de deken de advocaten naar klager stelt heeft beïnvloed ten aanzien van de uitkomst. Het hof begrijpt dat klager bedoelt dat van een daadwerkelijke aanwijzing van een advocaat daarom geen sprake is geweest. Daarover overweegt het hof het volgende.
4.6 Zoals door het hof ook in de beslissing van 10 oktober 2025 is overwogen, is de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen en maakt deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Daarbij hoort ook dat de deken in het algemeen niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Van een aangewezen advocaat kan niet worden verlangd dat hij een cliënt bijstaat in een zaak die hij in gemoede niet rechtvaardig acht (zie in dit verband de advocateneed/belofte van artikel 3 lid 2 van de Advocatenwet). Anders gezegd: een advocaat kan niet gedwongen worden een zaak aan te nemen die hij niet kansrijk acht (vgl. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). De door de deken in de aanwijzingsbeslissingen gestelde voorwaarde, inhoudende dat in eerste instantie enkel advies hoefde te worden uitgebracht over de juridische haalbaarheid van de zaak en dat verdere (proces)bijstand (alleen) hoefde te worden verleend als de aangewezen advocaat de zaak juridisch haalbaar zou achten (de “advies-eerst-constructie”), is naar het oordeel van het hof gelet op het uiteengezette kader objectief gerechtvaardigd en niet in strijd met de wet. Overigens is van (ontoelaatbare) inmenging van de deken in de verhouding advocaat-cliënt geenszins gebleken.
4.7 Het was aan de aangewezen advocaten om tot een procesadvies te komen. De eerst aangewezen advocaat heeft zich teruggetrokken en het is het hof niet gebleken dat het procesadvies van de tweede advocaat op basis van onjuiste feiten en/of aannames tot stand is gekomen. De deken mocht haar beslissing dan ook mede baseren op dat advies.
4.8 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de deken het verzoek van klager op goede gronden heeft afgewezen. Het hof zal het beklag van klager daarom ongegrond verklaren.
Misbruik van klachtrecht
4.9 Het hof constateert op basis van de stukken dat klager zich blijkbaar niet kan neerleggen bij de werkwijze van de deken bij aanwijzingsverzoeken, die inhoudt dat de aangewezen advocaat eerst wordt gevraagd een procesadvies uit te brengen alvorens eventueel, indien naar het oordeel van de advocaat sprake is van een gerede kans op succes, een procedure te starten en de verzoeker daarin bij te staan. Klager blijft om een ‘onvoorwaardelijke’ aanwijzing verzoeken en heeft naar aanleiding van de afwijzingen van zijn verzoeken nu tweemaal een beklagschrift ingediend. Dit ondanks het feit dat de klager ermee bekend is dat deze invulling van artikel 13 Advocatenwet naar vaste jurisprudentie van het hof is toegestaan. Klager moet er rekening mee houden dat, indien hij blijft volharden in het indienen van beklagschriften over dezelfde kwestie, het hof een volgend beklag tegen de afwijzing van enig (aanwijzings)verzoek door de deken in het arrondissement Den Haag, wegens misbruik van recht, buiten behandeling zal stellen.
4.10 Het hof voegt daaraan toe dat naar het oordeel van het hof van de deken niet kan worden gevergd dat een volgend verzoek van klager tot toewijzing van een advocaat in dezelfde kwestie in behandeling wordt genomen.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 17 oktober van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 31 oktober 2025.
