Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:213

Zaaknummer

250256

Inhoudsindicatie

Verzoek tot aanwijzing van advocaat ex artikel 13 Advocatenwet afgewezen.

Uitspraak

Beslissing van 27 oktober 2025 in de zaak 250256      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:       

klaagster      tegen:     de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet (Advw). 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 juni 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat: - klaagster geen toestemming van haar curator heeft om een procedure te voeren; - voor de door klaagster gewenste procedures bij de bestuursrechter en tegen het CBR geen bijstand van een advocaat nodig is; - artikel 13 Advw niet ziet op procedures die buiten Nederland worden gevoerd; - klaagster niet duidelijk heeft gemaakt of de door haar gewenste procedure tegen haar kinderen kans van slagen heeft en de kinderen bovendien in een ander arrondissement wonen; - het feit dat klaagster aangeeft de kosten van een advocaat niet te kunnen dragen, geen reden is om een advocaat aan te wijzen. 

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het beklag is op 26 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken; -    de repliek; -    de dupliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Het vermogen van klaagster heeft onder bewind gestaan. Dat bewind is omgezet in een ondercuratelestelling, met als gevolg dat klaagster niet langer handelingsbekwaam is. De kinderen van klaagster zijn tot curator benoemd. 

2.2    In december 2024 en januari 2025 heeft klaagster de deken om aanwijzing van een advocaat verzocht in verband met 1) een bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant en 2) een civiele procedure bij de rechtbank tegen haar kinderen wegens het verduisteren van geld en goederen tijdens de bewindvoering. 

2.3    Op 16 januari 2025 heeft de stafjurist van het Bureau van de orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, hierna: de stafjurist, klaagster telefonisch gesproken over haar verzoek om een advocaat aan te wijzen en uitgelegd dat er (op dat moment) geen advocaat kon worden aangewezen. Bij brief van 23 januari 2025 heeft de stafjurist een en ander aan klaagster schriftelijk bevestigd en klaagster daarbij op de mogelijkheid gewezen om de deken te vragen een formeel besluit te nemen indien zij het met de uitleg van de stafjurist niet eens is.    2.4    Vervolgens is een reactie van klaagster uitgebleven, waarop de deken het dossier op 12 maart heeft gesloten. 

2.5    Op 30 april 2025 heeft klaagster opnieuw telefonisch contact opgenomen met de stafjurist en aangeven dat zij op zoek was naar een advocaat voor dezelfde geschillen welke zij in december 2024/januari 2025 onder de aandacht van de orde had gebracht. 

2.6    Bij brief van 12 mei 2025 heeft klaagster bij de deken aangegeven een advocaat nodig te hebben voor de volgende zaken: bestuursrecht, CBR, Europees strafrecht en het verwerken van beheer over haar eigen leven en eigen geld om per direct haar leefplannen op te nemen en de in het verleden geleden schade te gaan verhalen (€ 16.000.000,-). 

2.7    Bij beslissing van 18 juni 2025 heeft de deken het verzoek van klaagster afgewezen. 

2.8     Vervolgens heeft mr. V (de gemachtigde van klaagster in het hoger beroep tegen de ondercuratelestelling) in zijn e-mail aan de deken van 26 juni 2025 zijn zienswijze op de beslissing van de deken van 18 juni 2025 gegeven. 

2.9    Bij brief van 2 juli 2025 heeft de stafjurist aan klaagster medegedeeld dat de deken kennis heeft genomen van de visie van mr. V en dat die visie de deken geen reden geeft om het besluit te herzien. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1     Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de deken klaagster niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord over haar brief van 12 mei 2025 - waarin klaagster heeft aangegeven geen advocaat te kunnen vinden. Klaagster benadrukt dat zij zelf niet beschikt over de benodigde juridische kennis beschikt om de door haar gewenste procedures te voeren en daarom een advocaat nodig heeft. 

Verweer 3.2    Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Overwegingen van het hof

4.2    Klaagster klaagt over de wijze waarop de deken met haar brief van 12 mei 2025 is omgegaan. Niet in geschil dat de brief van klaagster van 12 mei 2025 grotendeels vergelijkbaar is met het verzoek dat zij in december 2024 en januari 2025 bij de deken heeft ingediend. 

4.3    Uit het dossier komt naar voren dat klaagster op 26 januari 2025 en 30 april 2025 telefonisch contact heeft gehad met de stafjurist, waarbij met haar over haar verzoek is gesproken. Voorts blijkt daaruit dat klaagster in de gelegenheid is gesteld haar brief van 12 mei 2025 telefonisch aan de stafjurist toe te lichten, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt. Het verwijt van klaagster dat zij niet is gehoord over haar verzoek van 12 mei 2025, is naar het oordeel van het hof dan ook niet terecht.

4.4    Het hof stelt vast dat klaagster geen inhoudelijke gronden heeft gericht tegen de beslissing van de deken om haar verzoek af te wijzen. Nu het hof evenmin ambtshalve uit de stukken heeft kunnen afleiden dat de beslissing van de deken onjuist is, zal het hof het beklag ongegrond verklaren.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 18 juni 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025. 

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 27 oktober 2025.