Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:153
Zaaknummer
25-205/DB/LI
Inhoudsindicatie
Verzet gegrond, klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch van 3 november 2025 in de zaak 25-205/DB/LI
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 13 mei 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 28 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-109 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 13 mei 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:75) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 12 juni 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij was verweerder aanwezig. Verweerster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 8 september 2025. De aanvullende stukken van verweerster van 22 september 2025 zijn niet aan het dossier toegevoegd, omdat deze op grond van artikel 2.4.2 van het Procesreglement te laat zijn ingediend.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: a) De voorzitter is er ten onrechte van uitgegaan dat geen sprake was van een advocaat-cliëntrelatie. Hierover dienen prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarom is een onjuist toetsingskader gehanteerd en is ten onrechte geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht niet is geschonden en dat verweerster geen opdrachtbevestiging hoefde te sturen; b) De voorzitter heeft een klachtonderdeel niet behandeld, namelijk dat verweerster jegens klager een zaak heeft opgestart dan wel haar cliënten daarover heeft geadviseerd terwijl zij onbetwist de advocaat van klager is geweest; c) De voorzitter heeft de feiten niet (geheel) juist vastgesteld: - Verweerster heeft niet een enkele brief gestuurd, maar in ieder geval nog een e mailbericht. Daarnaast is er uiteraard overleg gevoerd met verweerster, want correspondentie kan niet worden verstuurd zonder overleg en zonder duiding van de zaak. Ook is door verweerster gesproken over klachten in haar e-mail van 28 september 2021. Verweerster wist hoe vervelend klager klachten vond en hoe hij daarop reageert; - Het tuchtrechtelijk verleden van klager is niet relevant voor de klacht; - In de feiten wordt aangegeven dat klager in een e-mailbericht heeft gevraagd om stukken te bekijken, maar de inhoud van de e-mail is niet geciteerd hetgeen vreemd is aangezien dat bij andere e-mailberichten wel is gebeurd. Verweerster heeft daarbij bewust niet de waarheid gesproken dat zij nooit met klager over de kwestie met de Orde heeft gesproken; - Klager heeft geen kort geding gestart tegen verweerster; - Verweerster heeft op 21 november 2023 gereageerd met “Stuur me alles want anders kan ik geen mening geven”, waarop klager veel stukken, waaronder de beslissing van de raad, heeft gestuurd. d) Er is sprake van de schijn van vooringenomenheid, omdat de plaatsvervangend voorzitter, klager, verweerster en de partner van de plaatsvervangend voorzitter kantoorgenoten zijn geweest; e) De beslissing van de voorzitter is in strijd met artikel 6 EVRM, omdat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor of de verplichte mondelinge behandeling. Ook mocht de klacht niet als kennelijk ongegrond worden afgedaan. f) Het oordeel van de voorzitter dat het niet ongebruikelijk is dat advocaten elkaars processtukken meelezen en van commentaar voorzien, is nergens op gebaseerd en is niet door partijen naar voren gebracht. Het is geen feit van algemene bekendheid; klager is daar in elk geval niet bekend mee, net als de advocaten in zijn intervisiegroep. Klager wenst deze advocaten als getuigen te laten horen. Er is sprake van een verassingsbeslissing en deze kan niet in stand blijven. g) De voorzitter heeft ten onrechte overwogen dat advocaten hun toezeggingen niet hoeven na te komen. Dat dit tot een negatief effect leidt is een non-argument en regardeert klager niet; h) Omdat het oordeel over de advocaat-cliënt relatie onjuist is, geldt dit ook ten aanzien van het onnodig grievend zijn van een en ander. Er is geen bewijs aangedragen dat cliënten ontevreden zijn, dat klager niet mee naar zittingen zou gaan, niet bereikbaar zou zijn of vergeet stukken in te dienen waardoor de zaak schriftelijk wordt afgedaan. Er was ook geen noodzaak om dit te stellen; i) Verweerster heeft niet de waarheid gesproken waar zij stelt dat klager achter haar rug om een advocaat zou hebben benaderd. Ook is het aantoonbaar wel het geval dat verweerster haar processtukken over de kwestie met de Orde heeft gedeeld, waarover klager verweerster onder ede wil verhoren. Verweerster probeert klager in een kwaad daglicht te stellen door te stellen dat hij dit uit zijn duim zuigt, maar dat is allerminst het geval.
3 BEOORDELING VERZET
3.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
3.2 De raad stelt vast dat klager in zijn repliek naar voren heeft gebracht: “In ieder geval heeft [verweerster] hierover met deze cliënten gesproken hetgeen op zich al klachtwaardig is. Zij had direct dienen aan te geven dat zij niet jegens mij kon optreden en dus ook geen advies kon geven.” Dit is niet als zelfstandig klachtonderdeel aangemerkt door de voorzitter, terwijl dat wel had gemoeten. Dat betekent dat het verzet gegrond is.
3.3 De raad zal hierna overgaan tot een zelfstandige vaststelling van de feiten en de klachtomschrijving, waarna de raad komt tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht. Waar nodig, zal de raad ook ingaan op de resterende verzetsgronden.
4 FEITEN
4.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
4.2 Klager en verweerster zijn allebei advocaat. Verweerster heeft enige tijd als waarnemer van klager opgetreden. Ook heeft zij in september 2021 eenmalig een brief namens klager verzonden aan een toenmalige wederpartij in de zaak C.
4.3 Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:27) heeft de raad aan klager een schorsing opgelegd van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
4.4 Op 21 november 2023 heeft klager een document voorgelegd aan verweerster met als begeleidende tekst “Kan zijn dat het een beetje door elkaar ligt”, waarop verweerster op 27 november 2023 aangaf daarop terug te komen.
4.5 Op 10 december 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:
“Ik heb een heel vervelend gevoel overgehouden aan de waarneming van afgelopen week nav je mails. (…) Ik vind je gebrek aan vertrouwen in mijn handelingswijze niet fijn en op deze wijze is het voor mij niet werkbaar om zaken voor je waar te nemen.”
4.6 Op 15 december 2023 heeft de griffie van het Hof van Discipline de verhinderdata van klager opgevraagd voor de behandeling van het hoger beroep. Klager heeft dit bericht op 18 december 2023 aan verweerster doorgestuurd met de vraag: “zou je dit kunnen doen.”
4.7 Op 20 december 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:
“Ik lees in je e-mails dat je vindt dat ik je bekritiseer, je de les lees, uit rancune handel, achter je rug om je cliënten benader met ongewenste adviezen en dat je vindt dat ik mijn excuses moet aanbieden en dat ik je – ondanks het ontbreken van vertrouwen dat je impliciet jegens mij uitspreekt – toch moet bijstaan en nu ik aangegeven heb dat niet te (kunnen) doen – (juist) vanwege dat gebrek aan vertrouwen wat je kenbaar hebt gemaakt, ben je ook daarover verontwaardigd. Ik herken mij als persoon niet in de bewoordingen die je over mij schrift. Ik begrijp dat ik iets getriggerd heb bij jou, waardoor je je primaire emotie van boosheid/verontwaardiging zo verwoord hebt naar mij als dat je gedaan hebt. Je maakt mij vervolgens indirect verantwoordelijk voor je gevoel en de oplossing is daarin volgens jou gelegen dat ik mijn excuses moet aanbieden, zodat jij niet meer voelt wat je voelt en je emotie zakt. Je externaliseert, terwijl het intern ligt. Ik voel onder je boosheid en verontwaardiging die je uit naar mij, vooral dat je je afgewezen voelt, je machteloosheid, eenzaamheid en schaamte. Het spijt me dat je dit voelt en dat ik dit getriggerd heb. Ik kan je niet bijstaan als je geen vertrouwen hebt. Vandaar mijn besluit om je niet bij te staan.”
4.8 Op 21 december 2023 heeft de griffie van het Hof van Discipline klager aangeschreven. Klager heeft het bericht op 5 januari 2024 aan verweerster geschreven:
“Ga je me hierin nog bijstaan of niet?”
Daarop heeft verweerster geantwoord:
“Nee.”
Daarop heeft klager geantwoord:
“Top, echt top. Super bedankt. Alleen omdat ik het over iets met je niet eens was. Gelukkig heb ik jou ook niet bijgestaan.”
Daarop heeft verweerster geantwoord:
“Nee, het ging niet erom dat je het oneens met me was. Het gaat erom dat je hebt laten blijken dat je vindt dat ik rancuneus handelde tov jou, achter je rug om ging, je bekritiseerd zou hebben en je de les heb gelezen etc. Daar blijkt voor mij uit dat je me niet vertrouwt en zonder vertrouwen kan ik je niet bijstaan. Dat is de reden.”
4.9 Bij beslissing van 15 maart 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:75) heeft het hof van discipline de beslissing van de raad van 6 maart 2023 bekrachtigd en bepaald dat de schorsing ingaat op 8 april 2024. Klager is in deze procedure zonder gemachtigde verschenen.
4.10 Bij beslissing van 2 april 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:49) is klager met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk als advocaat geschorst, op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet. Verweerster heeft vervolgens de praktijk van klager waargenomen gedurende zijn schorsing.
4.11 Bij beslissing van 24 juni 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:79) heeft de raad aan klager een schrapping opgelegd. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 17 januari 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:12) heeft het hof van discipline de schrapping vernietigd en de maatregel van schorsing voor de duur van 16 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, opgelegd.
4.12 Op 2 juli 2024 heeft verweerster aan de deken geschreven:
“In opgemelde kwestie bericht ik u hierbij dat ik de waarneming/overname van de advocatenpraktijk van [klager], die geschorst is, per direct beëindig. (…) Mocht u vragen hebben over mijn beslissing, dan verneem ik dat graag.”
4.13 Op 10 juli 2024 heeft verweerster aan de deken geschreven:
“In reactie op uw e-mailbericht van gisteren, bericht ik u als volgt.
1. Cliënten van [klager] zijn ontevreden en geven aan dat hij niet mee naar de zitting gaat, niet bereikbaar is en/of vergeet stukken in te dienen, waardoor de zaak schriftelijk wordt afgedaan (ten nadele van cliënten)([naam cliënt]). De inhoud van de processtukken zijn mijns inziens niet aan de maat en hoe ik vind dat er rechtsbijstand dient te worden verleend.
2. In de zaak [naam] is er in hoger beroep door [klager] niet gereageerd, waardoor de zaak schriftelijk is afgedaan door het gerechtshof. Dit blijkt uit het arrest. Volgens cliënte zou [klager] in het verleden ook niet mee zijn gegaan naar een zitting bij de rechtbank in eerste aanleg. Cliënt klaagt dat zij geen stukken zou hebben ontvangen of dat [klager] die bij de zitting niet bij zich had/niet kon antwoorden op vragen van de rechtbank. Cliënt stond ik afgelopen week te woord hierover en ze zat huilend op kantoor en dat ze het niet begreep, wat er is gebeurd. Zij gaat hierover nog een klacht indienen bij u. lk ga kijken of ik zaken recht kan zetten voor haar. Het gaat over de kinderalimentatie. Ze ontvangt 0,85 cent per maand van de vader van haar zoon. Daar zit de pijn. lk beschik niet over het complete dossier: enkel over het arrest van het Hof.
3. Inzake [naam] heeft [klager] verzuimd om uitstel te vragen c.q. het processtuk in te dienen. lk heb geprobeerd om dit alsnog te doen, maar de rechtbank heeft dit geweigerd. De uitkomst van deze procedure is 17 juli aanstaande. Indien de uitkomst negatíef is, volgt er een aansprakelijkheidsstelling/ klacht van cliënte. Het dossier treft u desgevraagd bijgaand aan.
4. Inzake [naam] heb ik getracht de gegevens van cliënte (moeder van [naam]) te achterhalen, maar de zoon van [naam] wilde mij die gegevens niet geven. Hij gaf aan dat zij niet in staat zou zijn haar eigen belangen te behartigen en dat als ik haar zou bellen, dat zij mij niet zou horen vanwege doofheid en dat het slecht met haar ging. Van [klager] heb ik ze ook niet van ontvangen. Ik wilde naar haar toe gaan om e.e.a. te verifiëren. [Klager] instrueerde mij dat ik uitstel voor de mondelinge behandeling moest vragen, vanwege deze situatie. lk heb dat geprobeerd, maar de wederpartij en de rechtbank ging daar niet mee akkoord. lk heb mij vervolgens onttrokken uit de procedure als advocaat, omdat ik geen contact kreeg met de cliënte en er evenmin een volmacht via de zoon afgegeven werd door cliënte (die ik had verzocht). De zoon van cliënte ([naam]) heeft toen gedreigd om een klacht tegen mij in te dienen, als ik niet deed wat hij wilde. lk heb mij toen onttrokken uit de procedure en een e-mail gestuurd en gewezen op de mogelijkheid om via het juridisch loket een nieuwe advocaat te zoeken. Vervolgens heeft mr. [N] de procedure voortgezet, maar die wist niet van mijn bestaan af. Hij vroeg mutatie van de toevoeging aan bij de RvR aan (die op mijn naam stond), niet wetende dat ik de onttrekkende advocaat was in de procedure, stellende dat ik geschorst zou zijn. Dit mutatieverzoek is ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand en ik kwam hier bij toeval achter. [Klager] heeft mr. [N] niet hierover geïnformeerd (terwijl hij contact heeft gehad met mr. [N])en mij niet laten weten dat mr. [N] de zaak overgenomen had. lk kwam hierachter door het verzoek dat mr. [N] ingediend heeft bij de Raad voor Rechtsbijstand en het overige kwam naar voren in een telefonisch onderhoud met mr. [N]. Dit was voor mij de druppel om mijn werkzaamheden neer te leggen.
lk kan op deze wijze de belangen van de cliënten niet bijstaan zoals mij dit voorstaat en het strookt niet met mijn eigen normen en waarden. Ik heb hier al eerder discussie met [klager] over gehad en ik wilde hem alleen helpen, maar ik ben helaas tot de conclusie gekomen dat ik dat niet kan en dat [klager] en ik daarin van visie verschillen.”
4.14 Op 16 juli 2024 heeft verweerster aan de deken onder meer geschreven:
“(…) Ik heb hem aangegeven dat ik met mijn eigen praktijk en dienstverband bij [kantoor] met ingang van 13 mei geen ruimte had om zijn praktijk waar te nemen. Dat is de achtergrond van de afspraak. Ik verkeerde in de veronderstelling, in welke veronderstelling hij mij liet, dat hij 1 maand geschorst was. Nadien vernam ik dat de schorsing langer was. (…)”
4.15 Op 19 juli 2024 heeft klager verweerster verzocht om een afspraak met een cliënt te maken voor het ondertekenen van een akte van berusting. Diezelfde dag heeft verweerster gereageerd:
“Ik verzoek je dit met klem om dit in orde te maken voor je cliënten, aangezien zij niet de dupe dienen te worden van jou schorsing en overige zaken. Ik heb je zaakwaarneming zoals jou bekend direct beëindigd. Dit betekent dat ik geen werkzaamheden meer voor jou verricht in je lopende zaken, voor zover je dit nog steeds niet duidelijk lijkt te zijn.”
4.16 Op 27 juli 2024 heeft klager aangekondigd een klacht tegen verweerster zullen te gaan indienen. Daarbij heeft hij onder meer geschreven:
“Helaas moet ik hierbij een klacht over jou indienen. Dit voor het schenden van de geheimhoudingsplicht ten aanzien van mijn zaak tegen de Orde.
Ik vind het verschrikkelijk om een klacht te moeten indienen. Dit is zover af van hoe ik in het leven sta of in de advocatuur. Ik heb nooit ook maar een enkele intentie gehad om klachten in te dienen over advocaten en al helemaal niet ten aanzien van jou. Ik ben namelijk van mening dat het indienen van klachten ingaat tegen het principe van de confraternaliteit als ook heb ik geen enkele intentie om collega – advocaten in de problemen te brengen en dus zeker jou niet. Indien er problemen ontstaan door cliënten en advocaten of advocaten onderling ben ik van mening dat dit langs de civiele weg opgelost moet worden. Evenwel heb je er zelf voor gekozen om uit jezelf de Deken in te lichten. Dit geeft mij geen enkele andere keuze dan ook over jouw handelen te klagen.
Ik vind het dus uitermate vervelend om te doen en dit was ook in het geheel niet mijn intentie, maar gezien jouw handelen en de problemen die je daardoor hebt veroorzaakt, ben ik hiertoe genoodzaakt. Sterker nog, ik vind het verschrikkelijk om te doen. Ik ben hier echter niet mee begonnen. Dit klemt te meer nu je nooit overleg hebt gevoerd / willen voeren, maar uit jezelf de Deken van informatie hebt voorzien terwijl je wist dat ik een geschil had met de orde / de Deken en mij daarin ook hebt bijgestaan.
Met name heb je de Deken uit jezelf geïnformeerd over de beëindiging van de vervangingsregeling terwijl de Deken daar niets mee te maken heeft (met alle respect uiteraard). Daarbij heb je aangegeven dat ik achter jouw rug om een andere advocaat benaderd zou hebben in een zaak die aan jou was overgedragen. Dit klopt echter niet zoals ik ook al heb uitgelegd. De client heeft zelf een andere advocaat benaderd, nadat jij de zaak had neergelegd. Overigens stel je wel dat je de samenwerking hebt beëindigd, maar de lopende zaken doe je gewoon. Waarom dan überhaupt iets melden?
Ik heb mijn vertrouwen in jou gesteld als vriend en als advocaat. Dat vertrouwen heb je helaas beschaamd. Dit terwijl je zelfs expliciet hebt uitgesproken dat ik jou kon vertrouwen (hetgeen niet eens nodig was omdat je mijn advocaat was). Hiermee heb je ook het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Je hebt informatie over een client (zijnde mij) gedeeld, nota bene met mijn wederpartij.
Je stelt dat je mijn advocaat niet bent geweest. Uiteraard weet je wel beter. Je zou met mij naar de zitting van het Hof van Discipline gaan als ook heb je de bewijzen en de stukken dat je wel degelijk mijn advocaat was. Ik heb jou ook aangegeven wat er speelde en hoe mij dat raakte en hoe zee de discussie met de orde mij belastte.
Gezien het feit dat je jouw geheimhoudingsplicht hebt geschonden, heb je ook een toerekenbare tekortkoming in onze overeenkomst gepleegd en een onrechtmatige daad. Als gevolg hiervan ben je dan ook aansprakelijk voor de schade die ik heb geleden en nog zal lijden. Ik stel je hierbij dan ook aansprakelijk en ook dit doe ik met zeer veel tegenzin en met pijn en moeite. Het zij herhaald; je hebt me geen andere keuze gegeven.
Verneem graag jouw visie hierover. Indien je een oplossing hebt hoe dit op te lossen hoor ik het graag. Ik zie op dit moment even geen oplossing.”
4.17 Op 2 augustus 2024 heeft verweerster klager gewezen op de correspondentie uit december 2023 en januari 2024, waaruit volgens verweerster “duidelijk [blijkt] dat ik je niet wilde bijstaan en dit ook niet gedaan heb.”
4.18 Klager heeft nadien aangekondigd een kort geding te starten tegen verweerster.
4.19 Op 15 augustus 2024 heeft de deken aan verweerster geschreven:“De actie van confrère [klager] om een kort geding te beginnen tegen u omdat u op mijn verzoek mij van aanvullende informatie heeft voorzien, begrijp ik niet. Op de eerste plaats bent u verplicht op mijn verzoek informatie te verstrekken. Ik verwijs ten overvloede naar regel 29 van de gedragsregels en art. 5:20 van de Awb. Op de tweede plaats het volgende. Onlangs (2 augustus jl.) heb ik [klager] op zijn vraag of u de geheimhoudingsplicht schendt door mij van informatie te voorzien, als volgt bericht: “Geachte confrère, Een advocaat kan zich jegens de deken niet op de geheimhoudingsplicht beroepen. Voor de volledigheid verwijs ik naar gedragsregel 29. Ik heb daarom [verweerster] niet nader bevraagd. Er kan namelijk geen schending van enige geheimhoudingsplicht zijn.” (…)”
4.20 Op 22 augustus 2024 heeft verweerster aan klager geschreven:“Op grond van artikel 15 lid 3 van de Gedragsregels is het mij toegestaan om tegen u op te treden. Ik heb namens u op 21 september 2021 één brief verzonden, op uw verzoek, in de zaak [C], die op geen enkele wijze verband houdt met de klachtenprocedure die uw oud-cliënten willen starten tegen u. Ik beschik niet over vertrouwelijke informatie vanuit de zaak [C] die van belang is of kan zijn in de nog te starten klachtenprocedures door uw cliënten over de dienstverlening door u. In uw onderstaande e-mail lees ik ook geen redelijke bezwaren uwerzijds, anders dan dat u stelt dat ik uw advocaat zou zijn. Dat is niet juist. Ik heb nooit opgetreden als uw advocaat of als zodanig heeft u mij daartoe opdracht toe gegeven. U heeft mij verzocht u bij te staan in het geschil met de Orde, maar dat heb ik expliciet geweigerd. Ik heb de Deken verzocht om toestemming om uw oud cliënten bij te staan in deze. Indien ik geen toestemming ontvang, zal ik hun doorverwijzen naar iemand anders ten behoeve van de klachtenprocedure tegen u.”
4.21 Op 23 augustus 2024 heeft verweerster de deken verzocht om een bemiddelingsgesprek te plannen met haar en klager. Daarbij heeft verweerster onder meer verzocht om de aansprakelijkstelling door klager, de aankondiging van een kort geding en haar besluit om de waarneming neer te leggen als gespreksonderwerpen aan bod te laten komen tijdens het bemiddelingsgesprek.
4.22 Op 2 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
4.23 Bij beslissing van 28 oktober 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:143) heeft de raad aan klager (opnieuw) een schrapping opgelegd. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
4.24 Op 10 april 2025 heeft klager aan verweerster geschreven:“Heb jouw reactie in de tuchtprocedure gelezen. Vooropgesteld blijft dat jij natuurlijk vrij bent om je te verweren als goeddunkt. Vooropgesteld blijft ook dat ik van mening ben dat jij mijn advocaat bent geweest (al was het maar in zake [C]). Nieuwe schendingen van de geheimhoudingsplicht zullen dan ook leiden tot nieuwe klachten. Zo bijvoorbeeld de stelling dat ik reflectievermogen zou missen. Een stelling die je eerder ook al hebt ingenomen. Verder geldt dat dergelijke uitlatingen ook onnodig grievend zijn net als uitlatingen als dat schrapping de enige juiste maatregel was geweest. Dit is ook onnodig zwart maken. Ik zal dat ook aankaarten in de lopende procedure, maar in geval dat niet wordt meegenomen klaag ik hier separaat over. Daarnaast heb je jouw geheimhoudingsplicht ook geschonden jegens en [S] en mr. [N]. Ook hier klaag ik separaat over. Je zult ongetwijfeld vinden dat jouw klachtprocedure hier niet voor is. Ik geef je evenwel toch de kans om hierop te reageren en in ieder geval vraag / verzoek ik je in de toekomst dergelijke uitlatingen niet meer te doen. In geval je hierop afwijzend of niet zult reageren zal ik ook deze klacht aan de deken en de Raad van Discipline voorleggen. Ik begrijp oprecht niet waar dit alles vandaag komt alhoewel ik wel een vermoeden heb, maar jouw handelen is werkelijk buiten alle proportie. Want zelfs als je mij een slechte advocaat vindt, dan heb je dat punt 1 voor je te houden en punt 2 dan heeft dat niets van doen met mijn persoon. Overigens heb je in het verleden juist aangegeven dat je mij een goede advocaat vindt, zoals je ook heel goed weet.”
4.25 Bij beslissing van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:206) heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad van 28 oktober 2024 vernietigd en de klacht buiten behandeling gesteld.
5 KLACHTOMSCHRIJVING
5.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft haar geheimhoudingsplicht geschonden door informatie aan de deken te verstrekken; b) Verweerster is haar belofte om een terugkoppeling te geven op het document van klager niet nagekomen, heeft daarvoor geen excuses aangeboden en heeft daarvoor geen, dan wel een gebrekkige opdrachtbevestiging verzonden; c) Verweerster heeft zich onnodig grievend over klager uitgelaten in haar verweer op de klacht en heeft daarbij niet de waarheid gesproken. d) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 15 lid 1 onder b, door tegen klager op te treden terwijl hij een cliënt van verweerster was.
6 BEOORDELING
Toetsingskader en beoordeling klachtonderdelen a) tot en met c)
6.1 De raad verwijst voor het toepasselijk toetsingskader en verklaart klachtonderdelen a) tot en met c) ongegrond, onder verwijzing naar de overwegingen van de voorzitter in de beslissing van 13 mei 2025 die de raad tot de zijne maakt. Net als de voorzitter is de raad van oordeel dat tussen klager en verweerster in 2023 en 2024 geen advocaat-cliëntrelatie heeft bestaan.
6.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a) overweegt de raad ook nog het volgende. Verweerster heeft vanuit haar hoedanigheid van (voormalig) waarneemster van klagers praktijk een signaal afgegeven aan de deken. Nadat de deken daarover om (nadere) informatie heeft verzocht, heeft verweerster antwoord gegeven op door de deken gestelde vragen. Zij kon in dat verband geen beroep doen op haar geheimhoudingsplicht; niet alleen omdat er ten aanzien van de waargenomen dossiers geen advocaat-cliëntrelatie bestond met klager, maar ook omdat een advocaat zich in het algemeen jegens de deken niet kan beroepen op het verschoningsrecht. De deken heeft immers een afgeleide geheimhoudingsplicht via artikel 45a van de Advocatenwet. Mocht de deken bovendien om informatie hebben verzocht die raakt aan de procedure van klager tegen het Hof van Discipline, hetgeen de raad niet is gebleken, dan geldt dat het niet aan verweerster is om een weging te maken om al dan niet aan het informatieverzoek te voldoen, maar dat is het aan de deken om zelf te beoordelen of sprake is van misbruik van bevoegdheden als hij deze informatie vervolgens zou gebruiken in de hogerberoepsprocedure.
6.3 De raad ziet verder geen aanleiding om – zoals door klager in verzet is verzocht – prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In dat verband heeft klager niet geconcretiseerd welke prejudiciële vraag volgens hem gesteld zou moeten worden of waarom de raad daartoe bevoegd zou zijn. De raad is immers niet aangemerkt als een van de ‘highest courts and tribunals of a High Contracting Party’ als bedoeld in artikel 1 van het Zestiende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zodat die bevoegdheid ook niet aan hem toekomt.
6.4 Evenmin ziet de raad aanleiding om de door klager verzochte getuigen te horen. Het is aan klager om zijn klacht van voldoende feitelijke grondslag te voorzien, bijvoorbeeld door getuigenverklaringen aan te leveren.
Klachtonderdeel d)
Toetsingskader
6.5 Gedragsregel 15 luidt, voor zover relevant:
1. Gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid is het de advocaat niet toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid:
a. (…)
b. tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden. (…)
3. Van de verplichting uit het eerste lid kan de advocaat alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden:
a. de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk;
b. de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en
c. niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt. (…)”
Beoordeling
6.6 Verweerder is in 2021 cliënt geweest van verweerster. In beginsel stond het verweerster daarom niet vrij om tegen klager op te treden, waaronder ook behoort het adviseren van zijn voormalige cliënten over procedures jegens klager. De raad is echter van oordeel dat voldaan is aan de uitzonderingsgronden van gedragsregel 15 lid 3, omdat 1) de procedure uit 2021 waarin verweerster één brief namens klager heeft verstuurd geen verband houdt met de procedures uit 2024, 2) niet gebleken is dat verweerster over vertrouwelijke informatie beschikte uit hoofde van haar toenmalige bijstand aan verweerder en 3) er geen redelijke bezwaren zijn gebleken van klager tegen de bijstand. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Conclusie
6.7 Het verzet is gegrond. De raad zal de klacht alsnog in zijn geheel ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart het verzet gegrond; - verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.M.C. van de Ven en M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
