Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:239
Zaaknummer
25-613/AL/OV
Inhoudsindicatie
voorzittersbeslissing. Klacht over het optreden van een deken naar de klacht van klager over een advocaat. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster met haar optreden het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 3 november 2025
in de zaak 25-613/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 11 september 2025 met kenmerk 2481551 . Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 23 september 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 14 augustus 2024 hebben klager en zijn zoon een klacht ingediend bij verweerster in haar hoedanigheid van deken tegen mr. B. Op dat moment hield mr. B kantoor bij de landsadvocaat. Hij stond de Nederlandse Staat vanaf januari 2015 bij in verschillende procedures, die veelal waren aangespannen door de ex-echtgenote van klager en de moeder van zijn zoon.
1.2 Op 28 augustus 2024 heeft de stafjurist namens verweerster aan klager onder meer geschreven:
Uw klacht omvat meerdere onderdelen. Om de behandeling van uw klacht overzichtelijk te maken heb ik de klacht onderdelen samengevat. Daarbij zijn enkele onderdelen samengevoegd. (…) De reactie van mr. [B] zal worden afgewacht. Daarna krijgt u de gelegenheid voor repliek. Mocht ik uw klacht niet correct hebben samengevat op onderdelen, dan verzoek ik u dat te verwoorden in uw repliek.
Tevens heeft de stafjurist in haar e-mail klager verzocht om een volmacht te overleggen waaruit blijkt dat hij namens zijn zoon mag optreden.
Klager heeft hierop dezelfde dag als volgt gereageerd:
Het is uw werk om mijn klacht te onderzoeken. Het is in een eerlijk proces nadrukkelijk NIET toegestaan dat een klachtbeoordelaar de klacht manipuleert. Dat mag niet zonder toestemming van een klager. Ik distantieer me van de vervormde en onjuiste bewoordingen van uw klacht. Door het wijzigen van de nummering zijn de ‘gronden per klachtonderdeel’ een onbegrijpelijk zoekplaatje voor de Raad van Discipline geworden. Dat benadeelt mij. (…) Uw verhaal is onjuist en vaag en mag verder geen rol spelen in een onderzoek. De klager schrijft de klacht. De beoordelaar de beoordeling.
In deze e-mail heeft klager zijn tien correcte klachtonderdelen vermeld.
1.3 De stafjurist heeft namens verweerster op 29 augustus 2024 de e-mail van klager van 28 augustus 2024 aan mr. B doorgestuurd en mr. B verzocht dat bericht bij zijn reactie op de klacht van klager te betrekken. Klager heeft diezelfde dag aan de stafjurist van verweerster geschreven:
Uw mail zaait meer verwarring. Het is in een professionele klachtbehandeling zeker niet aan een verweerder om uw verkeerde weergave van onze klacht in zijn reactie “te betrekken”. Er is geen enkele rol voor uw onjuiste klachtweergave. Er zijn twee klagers. U heeft onze klacht onjuist herschreven en dat zult u toch echt in overleg met de klagers moeten herstellen. U mag niet vragen aan verweerder dit bij de klacht te betrekken. (…) U diende per ommegaande aan te geven dat er twee klagers zijn en niet één, dat er uitsluitend verweer verwacht wordt op de 10 klachtonderdelen zoals die door beide klagers letterlijk werden beschreven en dat uw mail met uw eigen mening over hoe onze klacht zou moeten worden herschreven en andere eigen ideeën die u over onze klacht heeft als niet verzonden geheel buiten de reactie van verweerder dient te blijven.
1.4 Op 5 september 2024 heeft klager onder meer aan verweerster geschreven:
Ik schreef al dat u uw visie op onze klacht mag geven, maar u verzwijgt dat dit wat anders is dan onze 10 klachtonderdelen herschrijven tot 8 klachtonderdelen waarin u een vals beeld van onze klachten gaf.
Klager heeft hierbij ook een toelichting gegeven wat volgens hem niet goed is geformuleerd.
1.5 Op 9 oktober 2024 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 31 oktober 2024 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline die klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken. Het Hof van Discipline heeft verzuimd om van die beslissing een afschrift aan de deken te sturen.
1.6 Op 28 oktober 2024 heeft klager aan verweerster en aan de voorzitter van het Hof van Discipline onder meer geschreven:
Op pagina 3 van uw corrupte eindbrief schrijft u: “U heeft in deze procedure een document ingediend waarin u schrijft dat u in januari 2017 op de hoogte raakte van de procedure waarover (de juridisch directeur van) de Raad voor de Kinderbescherming tegen u en uw partner had gelogen door een bericht in het Algemeen Dagblad. U heeft in dat document tevens geschreven dat (de juridisch directeur van) de Raad voor de Kinderbescherming zich schuldig maakt aan laster.” Graag ontvangen wij van u een bronverwijzing uit het klachtdossier of de publieke vonnissen waaruit blijkt dat ik zou hebben geschreven over laster door de juridisch directeur in een processtuk van een procedure waar u als deken niet bij betrokken was. Of hebben uw vrienden van [advocatenkantoo] dit gedeelte van het dekenoordeel voor u geschreven? Zij kennen mijn processtukken wel, maar deze processtukken zitten niet in het klachtdossier. Kunt u de bron waar u zich op baseerde in het klachtdossier citeren?
1.7 Op 17 maart 2025 heeft verweerster aan klager haar dekenvisie gestuurd naar aanleiding van zijn klacht over mr. B. Verweerster heeft daarin te kennen gegeven dat zij verwacht dat de tuchtrechter de klacht deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond zal verklaren.
1.8 De deken heeft op 19 maart 2025 alsnog een afschrift van de beslissing van het Hof van Discipline van 31 oktober 2024 ontvangen. De deken heeft de klacht over verweerster op 24 maart 2025 in behandeling genomen.
1.9 In een e-mail van 9 april 2025 heeft de stafjurist namens verweerster aan klager weten dat het dekenonderzoek is afgesloten en dat het dossier is verzonden aan de raad van discipline. Daarop heeft klager diezelfde dag als volgt gereageerd:
We stellen vast dat u onze vraag met opzet blijft negeren en opnieuw de naam van klager twee verwijderde uit de klacht. Dat is niet alleen onfatsoenlijk gedrag, u toont zich daarmee ook partijdig en bent daarmee ongeschikt voor uw functie. De partijdigheid waarmee de Haagse Orde hun advocaten tegen klachten beschermen en klagers afzeikt is zielig en beschamend.
1.10 Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag de klacht van klager en zijn zoon over mr. B deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) tien klachtonderdelen van klager op zodanige wijze te herformuleren dat daardoor de essentie van zijn klacht onjuist werd weergegeven en de grondslag van de klacht buiten beeld werd gewerkt;
b) de nummering van de klachtonderdelen om te gooien met als doel om er een onnavolgbaar zoekplaatje van te maken, waardoor de klacht niet meer te volgen zou zijn voor de raad van discipline;
c) (i) de zoon van klager niet als medeklager op te nemen en (ii) zich schuldig te maken aan treitergedrag door bij klager een machtiging van de zoon te eisen terwijl klager eenhoofdig ouderlijk gezag over hem had en (iii) ten onrechte te weigeren de gemaakte fout te herstellen;
d) de klacht op dezelfde manier te herformuleren zoals het corrupte [naam advocatenkantoor] netwerk dat al acht jaar doet en essentiële feiten daarbij opzettelijk te verwijderen.
Toelichting : Volgens klager heeft verweerster niet kenbaar gemaakt van wie zij de voorkennis over de feiten heeft gekregen nu zij onder meer dezelfde feiten over complotambtenaren heeft verwijderd als ‘het formele en informele netwerk’, terwijl verweerster stelt dat zij alleen procedureel contact had met mr. B. Dezelfde feiten over complotambtenaren, de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) en oud-justitiecontacten van B[naam] buiten beeld werken als altijd is uitsluitend mogelijk na stiekem netwerkcontact en is niet toevallig. Verweerster kon zonder voorkennis onmogelijk weten welke hete hangijzers al jaren buiten beeld werden gewerkt voor een vals narratief over de gevaarlijke pedofiele ouder die opvallend veel gedaan kreeg bij de top van justitie (toewijzing van een kind en de bezorgde moeder laten vervolgen).
e) de klachtbeoordeling te traineren door het verzoek van klagers van 28 oktober 2024 te negeren om het klachtdossier zonder haar manipulaties direct door te sturen aan de raad van discipline.
Toelichting : Verweerster reageert niet op de echte klacht, die gaat over het geen gehoor willen geven aan artikel 46c lid 2 Advocatenwet. Verweerster liegt erover dat zij verplicht is om het onderzoek af te sluiten met een dekenstandpunt. Ook doet verweerster beweringen over een processtuk dat zij formeel niet kent.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
3.2 Als deken heeft zij de vrijheid, zoals ook vermeld in artikel 1.2 van de Dekenale Leidraad, om een omvangrijke klacht, zoals het geval was bij de klacht van klager en zijn zoon over mr. B, samen te vatten. Klager heeft daarna van haar de gelegenheid gekregen om op die samenvatting in zijn repliek te reageren. Dat heeft hij uitvoerig gedaan en daarmee is rekening gehouden. In haar dekenvisie van 17 maart 2025 heeft verweerster de klachtonderdelen letterlijk overgenomen uit de klachtbrief van 14 augustus 2024.
3.3 Dat de naam van de zoon van klager niet in Amadeus in de klachtnaam geregistreerd stond, maakt niet dat de zoon niet ook als klager is aangemerkt. Op grond van artikel 1.5 van de Leidraad diende een machtiging door klager te worden overgelegd en daarom is gevraagd. De zoon van klager is als partij aangemerkt, zoals ook blijkt uit haar e-mail van 17 maart 2025 die was gericht aan klager en aan de zoon.
3.4 Op grond van de Advocatenwet is verweerster als deken verplicht een onderzoek in te stellen naar elke ingediende klacht. Pas nadat het klachtonderzoek is afgesloten, zij een voorlopig standpunt heeft gegeven, wat op grond van artikel 3 van de Leidraad kan en de voorkeur van de Raad van Discipline Den Haag heeft, en nadat de griffierechten zijn betaald, kan zij de klacht doorsturen naar de raad van discipline. Verweerster heeft op 17 maart 2025 klager al te kennen gegeven dat het oordeel van de raad kan afwijken van haar dekenstandpunt. Op 3 april 2025 is de klacht over mr. B naar de raad gestuurd. Verweerster stelt dat zij die klacht op zorgvuldige wijze en binnen een redelijke termijn heeft onderzocht.
3.5 Naar aanleiding van de klacht heeft verweerster in de hoor- en wederhoorfase alleen schriftelijk contact met mr. B gehad.
3.6 Ander contact met mr. B of zijn kantoor is er niet geweest. Verweerster ontkent dat sprake is geweest van enige voorkennis of vooroverleg met het kantoor van mr. B of derden. De enige voorkennis die verweerster had, kwam uit de eerdere klacht van klager.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Klachtonderdelen a), b) en d)
4.2 In (onder meer) de artikelen 46c en 46d van de Advocatenwet is geregeld wat ten aanzien van de klachtbehandeling van een deken wordt verlangd. Die wettelijke bepalingen zijn nader uitgewerkt in de door de deken gehanteerde ‘Leidraad houdende regels inzake dekenale klachtbehandeling’. Hoe een onderzoek naar een tuchtklacht dient plaats te vinden is niet wettelijk geregeld, hetgeen betekent dat de deken een grote vrijheid toekomt in de inrichting van dat onderzoek en bij het bepalen van de reikwijdte ervan.
4.3 De vraag die moet worden beantwoord is of (de stafjurist namens) verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad door de klachtonderdelen van de klacht van klager over mr. B samen te vatten en opnieuw te nummeren en door vermeende essentiële feiten opzettelijk te verwijderen. De voorzitter beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat de beleidsvrijheid bij het beoordelen van voorgelegde klachten haar de ruimte laat om te handelen zoals door haar is gedaan en ontkent zij de ernstige aantijgingen van klager over opzet en manipulaties. Verweerster heeft daarbij naar het oordeel van de voorzitter aan klager meer dan voldoende gelegenheid gegeven om zijn visie te geven. Van die mogelijkheid heeft klager ook gebruik gemaakt, waarna verweerster de klacht over mr. B door verweerster voor beoordeling heeft doorgestuurd naar de raad van discipline. De voorzitter is uit de stukken ook verder niet gebleken dat verweerster de haar toekomende grenzen als deken heeft overtreden door daarbij gebruik te maken van vermeende voorkennis.
4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klachtonderdelen a), b) en d) kennelijk ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel c)
4.5 Op grond van genoemde Dekenale Leidraad mocht verweerster in het kader van haar dekenonderzoek bij klager om een machtiging van de meeklagende zoon vragen. Niet valt in te zien waarom verweerster treitergedrag verweten kon worden. Uit de stukken is de voorzitter immers gebleken dat verweerster zowel klager als de zoon als klagende partij heeft aangemerkt, zodat een feitelijke grondslag aan dit verwijt ontbreekt. De voorzitter zal dan ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel e)
4.6 Op grond van de artikel 46c leden 2 en 3 van de Advocatenwet dient een deken eerst een onderzoek te doen naar een klacht voordat deze wordt doorgestuurd naar de raad van discipline. Verweerster heeft dat onderzoek naar de klacht over mr. B naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige en voldoende voortvarende wijze gedaan, zelfs ondanks de meermaals door klager gebezigde onbetamelijke uitingen over verweerster en haar stafjurist. Een deken kan een voorlopig standpunt over de haalbaarheid van een klacht innemen, zoals verweerster dat ook heeft gedaan. Het is uiteindelijk de raad van discipline die vervolgens zelfstandig over de klacht oordeelt. Indien klager het na doorzending van de klacht naar de raad niet met de formulering van zijn klacht eens was geweest, had het op zijn weg gelegen om op grond van het Landelijk Procesreglement Raden van Discipline binnen veertien dagen daarna de raad daarover schriftelijk te informeren. Klager is aldus geenszins in zijn belangen om te klagen geschaad.
4.7 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster met haar optreden niet het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Daarom wordt eveneens klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht in alle klachtonderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
