Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:200
Zaaknummer
25-524/A/A
Zaaknummer
25-525/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; klacht over de dienstverlening door de eigen advocaten. De zaak is behartigd met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. De kosten die in rekening zijn gebracht kwalificeren, afgezet tegen de verrichte werkzaamheden, niet als excessief. Verweerder is wel klachtwaardig tekortgeschoten in zijn informatieplicht (gedragsregel 16). De raad mist een overzicht van de mogelijke juridische stappen, een advisering over de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. De klacht hierover is gegrond. Aan verweerder is een waarschuwing met kostenveroordeling opgelegd.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 oktober 2025 in de zaken 25-524/A/A en 25-525/A/A naar aanleiding van de klachten van:
klaagster
over
verweerders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 10 september 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 18 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.3 Op 5 augustus 2025 heeft de raad de beide klachtdossiers met kenmerken 2384320/JS/FS en 2463400/JS/FS van de deken ontvangen. 1.4 De klachten zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van de raad van 15 september 2025. Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerders aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.3 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Klacht over verweerster 2.2 Klaagster beschikt over een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022 waarbij haar verzoek tot voornaamswijziging is toegewezen. Haar voormalig advocaat (mr. M) heeft klaagster in deze procedure bijgestaan. Omdat de inschrijving van de voornaamswijziging en communicatie hierover vervolgens uitbleef, heeft klaagster zich in de zomer van 2023 gewend tot het kantoor van verweerders (hierna: het kantoor) met het verzoek de behandeling van de zaak van mr. M over te nemen en voor inschrijving van de voornaamswijziging bij de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) zorg te dragen. 2.3 Op 10 juli 2023 heeft klaagster een terugbelverzoek bij het kantoor achtergelaten. De notitie van dit terugbelverzoek luidt: “Ze belde m.b.t. een naamswijziging die ze wil aanvragen. Ze weet van het uurtarief. Svp bellen.” 2.4 Mevrouw V, een juridisch medewerkster van het kantoor (hierna: de juridisch medewerkster), heeft klaagster teruggebeld en de zaak van klaagster onder supervisie van verweerder in behandeling genomen. 2.5 Op 12 juli 2023 heeft de juridisch medewerkster een opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd. Deze luidt, voor zover relevant, als volgt: “Omschrijving zaak U wenst uw voornaam te wijzigen van H(…) naar M(…). In het kader daarvan is er namens u door een andere advocaat een procedure gestart. U gaf aan dat middels een beschikking (…) uw naamswijziging is uitgesproken door de rechter. Nu heeft u van uw advocaat begrepen dat uw voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het lukt u echter niet meer om in contact te komen met uw huidige advocaat, maar u wilt wel dat de inschrijving van uw voornaamswijziging zo spoedig mogelijk word[t] geregeld. U zou graag willen dat [het kantoor van verweerders] de zaak overneemt en u bijstaat in deze.
Om u zo goed mogelijke te kunnen adviseren ontvang ik graag van u de volgende stukken: -de beschikking van de rechtbank waarin uw voornaamswijziging is uitgesproken; -de relevante correspondentie tussen u en uw huidige advocaat; -de eventuele brieven van de ambtenaar van de burgerlijke stand waaruit blijkt waarom uw voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven; -de volledige naam en contactgegevens van uw huidige advocaat.
(…)
Honorarium Over de honorering van de werkzaamheden hebben we het navolgende afgesproken: Uurtarief van € 195,00 te vermeerderen met 21% B1W en 5% kantoorkosten. Facturering van het honorarium zal maandelijks geschieden. Aan u zal een voorschot in rekening worden gebracht van € 500,- ex btw en kantoorkosten.” 2.6 Op 15 augustus 2023 heeft klaagster een voorschot van € 625,- betaald. 2.7 Bij bestudering van het dossier bleek het de juridisch medewerkster dat de gemeente bij brief van 14 februari 2023 aan klaagster had meegedeeld dat voor de inschrijving naast de beschikking van de rechtbank, een volledig afschrift van haar geboorteakte voorzien van vertaling en apostille en (indien van toepassing) een huwelijksakte van haar ouders vereist was. 2.8 Op 19 oktober 2023 heeft de juridisch medewerkster aan de gemeente laten weten dat klaagster inmiddels beschikt over de ontbrekende akten en aan de gemeente gevraagd of met het nasturen van deze documenten de voornaamswijziging alsnog kon worden afgehandeld. Omdat de gemeente niets van zich liet horen heeft de juridisch medewerkster op 27 november 2023 gebeld met de gemeente. Een medewerkster van de gemeente gaf aan dat de gemeente binnen vijf werkdagen alsnog zou reageren. Op 30 november 2023 heeft de juridisch medewerkster vervolgens aan klaagster laten weten dat zij het kantoor zou verlaten en dat verweerster de behandeling van de zaak van haar zou overnemen. Op dat moment was de juridisch medewerkster nog in afwachting van een antwoord van de gemeente op haar vraag van 19 oktober 2023. 2.9 Op 12 december 2023 heeft klaagster verweerster om een update over haar zaak gevraagd. Verweerster heeft klaagster op 13 december 2023 geantwoord dat zij klaagster nog niets had laten weten omdat zij nog in afwachting was van een antwoord van de gemeente. Verweerster heeft aan klaagster een concept-rappel aan de gemeente voorgelegd met de vraag of klaagster akkoord ging met verzending van deze e-mail aan de gemeente. 2.10 Op 10 januari 2024 heeft klaagster gereageerd op de vraag van verweerster. Zij schrijft in haar e-mail: “Uw e-mail is mij helaas ontgaan. Excuus voor de late reactie, is er ondertussen al iets vernomen van de gemeente? Zo niet, dan heeft u mijn toestemming om de bovenstaande e-mail te verzenden naar de gemeente mocht dit nog nodig zijn. Ik hoor graag hoe het staat met de zaak.” 2.11 Op 16 januari 2024 heeft de gemeente aan verweerster bericht dat er scans van beide akten naar de gemeente konden worden gestuurd zodat de gemeente kon beoordelen of de geboorteakte voor inschrijving in aanmerking kwam. 2.12 Op 26 januari 2024 heeft verweerster de e-mail van de gemeente aan klaagster doorgestuurd. Daarbij heeft zij klaagster ook gewezen op een aantal openstaande facturen en op het beleid van het kantoor om werkzaamheden die kunnen wachten stil te leggen op het moment dat declaraties niet zijn betaald. 2.13 Op 2 februari 2024 heeft verweerster klaagster opnieuw aangeschreven: “Ik wil u graag op onderstaande mail wijzen. Zolang deze documenten niet zijn opgestuurd naar de gemeente is uw voornaamwijziging nog niet doorgevoerd bij de Burgerlijke Stand. Zoals u kunt zien ben ik volgende week afwezig. Ik stel voor dat u de komende week de openstaande facturen overmaakt en dat wanneer ik terug ben op kantoor ik hiermee verder aan de slag kan gaan.” 2.14 Op 14 februari 2024 hebben klaagster en verweerster telefonisch contact gehad over de openstaande facturen. 2.15 Bij e-mail van 23 februari 2024 heeft verweerster klaagster verzocht haar terug te bellen, omdat zij klaagster niet kon bereiken. Op 7 maart 2024 had verweerster nog steeds niets van klaagster vernomen en heeft verweerster klaagster per e-mail laten weten dat zij haar tegemoet wilde komen met betrekking tot de openstaande facturen en dat het haar tijd leek om de stukken naar de gemeente te sturen. 2.16 Op 7 maart 2024 hebben verweerster en klaagster telefonisch contact gehad. Verweerster heeft dit gesprek per e-mail aan klaagster bevestigd: “Zoals telefonisch besproken zal ik de boekhouder verzoeken de reeds openstaande facturen te crediteren. Daarbij moet ik wel opmerken dat voor het afhandelen van de inschrijving van uw voornaamswijziging u hier nog wel een factuur voor zult ontvangen. U gaf aan dat u het bedrag dat u reeds heeft betaald aan de hoge kant vindt en om u tegemoet te komen hebben we besproken dat dus de openstaande facturen niet door u betaald hoeven te worden. (…) Wat betreft de verdere stappen in uw zaak (…) stel ik voor om op de mail van de gemeente d.d. 16 januari 2024 te reageren. Mevrouw (…) heeft aangegeven dat we op voorhand een scan van de documenten kunnen opsturen omdat zij aan de hand van deze documenten kan bezien of de geboorteakte en daarbij uw voornaamswijziging nu wel voor inschrijving in aanmerking komt. Bijgevoegd treft u de scan aan de beëdigde vertaling van de huwelijksakte van uw ouders en de beëdigde vertaling van uw geboorteakte. Ik stel voor deze twee documenten naar de gemeente te versturen met de volgende mail: (…) Ik verneem graag uw akkoord op de mail voor de gemeente.” 2.17 Op 13 maart 2024 heeft verweerster klaagster nogmaals verzocht om zo snel mogelijk akkoord te geven om haar e-mail inclusief de in gescande stukken naar de gemeente te sturen. Verweerster wijst klaagster er op dat zij op haar e-mails moet reageren, zodat alles zo snel mogelijk geregeld kan worden. 2.18 Op 14 maart 2024 heeft klaagster haar akkoord gegeven en heeft verweerster haar e-mail met bijlagen aan de gemeente gestuurd. Nadat de gemeente verweerster had bericht dat de apostille ontbrak, heeft verweerster op 2 april 2024 alsnog de volledige scans van beide akten naar de gemeente gestuurd. Daarna heeft verweerster de gemeente op 19 april 2024 gerappelleerd. 2.19 Op 22 april 2024 heeft verweerster een reactie van de gemeente ontvangen. De toegezonden documenten kwamen voor inschrijving in aanmerking. Klaagster kon zelfstandig een verzoek doen via de website van de gemeente. Verweerster heeft de e-mail van de gemeente met instructies diezelfde dag aan klaagster doorgestuurd. Zij schrijft aan klaagster: “U kunt het beste direct een verzoek tot inschrijven bij de gemeente Den Haag doen, aangezien hier een lange wachttijd voor is. Hiertoe dient u de geboorteakte en de huwelijksakte van uw ouders alsmede de beschikking voornaamswijziging van de rechtbank in te dienen bij de gemeente. De gemeente Den Haag gaat hiermee aan de slag. In de tussentijd is het van belang dat u de geboorteakte laat registeren in het BRP van de gemeente Amsterdam. [De contactpersoon bij de gemeente] gaf mij aan dat dit in deze gemeente moet omdat u hier staat ingeschreven. Echter, zijn dit twee losse trajecten. Stap 1 lijkt dus het verzoek om inschrijving van de geboorteakte bij de gemeente Den Haag te doen via de link in onderstaande mail. Stap 2 lijkt om de gemeente Amsterdam te benaderen om de geboorteakte te laten registeren in de BRP van uw woongemeente. Dit lijkt te moeten op de wijze zoals is aangegeven op de website van de gemeente Amsterdam (…).” 2.20 Op 1 mei 2024 heeft verweerster klaagster nogmaals haar e-mail met instructies van 22 april 2024 met de benodigde scans toegezonden en uitgelegd dat zij deze moest uploaden in het portaal van de gemeente. De e-mail luidt als volgt: “Onderstaande mail heb ik op 22 april 2024 naar u toegestuurd. Hierin treft u ook de stappen die u moet nemen om zowel de buitenlandse akten te laten inschrijven bij de gemeente (…) als mede de stappen die u dient te nemen met betrekking tot de BRP bij de gemeente Amsterdam. Bijgevoegd treft u ook nogmaals de scans van de akten zodat u deze gemakkelijk kunt uploaden in de portaal van de gemeente.” 2.21 Klaagster heeft een afspraak gemaakt met de gemeente om de akten persoonlijk te overhandigen. De gemeente weigerde echter de documenten in ontvangst te nemen, aangezien deze online via het gemeenteportaal moesten worden ingediend. 2.22 Op 1 mei 2024 heeft klaagster verweerster hiervan op de hoogte gebracht en haar gevraagd welke stappen zij moest volgen voor de onlineregistratie. Verweerster heeft klaagster geantwoord niet bekend te zijn met de details en de e-mail van de gemeente met instructies nogmaals aan klaagster doorgestuurd. Verder heeft verweerster klaagster meegedeeld dat wanneer haar hulp alsnog nodig was, zij wel haar uurtarief in rekening moest brengen en dat klaagster daarom wellicht beter geholpen was met de hulp van een maatschappelijk werkster. 2.23 Diezelfde dag, op 1 mei 2024, heeft klaagster een factuur ontvangen voor de werkzaamheden van verweerster in april 2024. 2.24 Op 6 mei 2024 heeft klaagster bij het kantoor van verweerders een klacht ingediend over verweerster. Verweerster heeft bij e-mail van 19 mei 2024 inhoudelijk gereageerd op deze klacht. 2.25 Op 29 mei 2024 hebben klaagster en verweerster telefonisch contact gehad, waarna verweerster de inhoud van dit gesprek per e-mail heeft bevestigd: “Zojuist hebben wij elkaar telefonisch gesproken over uw brief d.d. 6 mei en mijn reactie hierop. U gaf aan dat u enigszins het gevoel heeft dat u van het kastje naar de muur wordt gestuurd omdat de gemeente aangeeft uw stukken niet te kunnen aannemen, maar u wel alles in uw bezit heeft om uw geboorteakte te laten inschrijven zodat uw voornaamswijziging kan worden doorgevoerd. U gaf aan dat de gemeente heeft gezegd dat alleen een advocaat een voornaamswijziging kan verzoeken. Het klopt dat u een advocaat nodig had om een voornaamswijziging bij de rechtbank te verzoeken. Normaliter verstuurt de rechtbank vervolgens de beschikking met de voornaamswijziging naar de gemeente en stuurt de gemeente uiteindelijk een bevestiging van de inschrijving van de voornaamswijziging naar de advocaat. Bij u verliep dit bij uw vorige advocaat helaas anders omdat uw Marokkaanse geboorteakte niet leek ingeschreven bij de gemeente (…). De gemeente (…) heeft na correspondentie met mijn kantoor aangegeven dat u in bezit lijkt te zijn van de juiste documenten om uw Marokkaanse geboorteakte te doen inschrijven bij de gemeente. Daarbij gaf de (…) de gemeente mij aan dat u ook direct de beschikking van uw voornaamswijziging kunt toevoegen zodat ook dit kan worden doorgevoerd. Hiertoe stuurde (…) de gemeente een link naar mij, welke ik naar u heb doorgestuurd. In deze mail van de gemeente geeft zij ook aan dat u zelfstandig een verzoek kan doen (…) via de website van de gemeente Den Haag. Zoals aangegeven kan ik dit dus niet voor u doen. (…) dit kan alleen door u persoonlijk via uw eigen DigiD. (…) U gaf aan dat u met een maatschappelijk werker gaat kijken of u er nu wel uit gaat komen. Mocht dit niet het geval zijn dan hebben wij afgesproken dat ik nogmaals contact ga zoeken met (de gemeente) om aan te geven dat het niet lukt om de inschrijving te bewerkstelligen en te vragen naar een concreet en duidelijk stappenplan hoe dan wel. Na dit gesprek gaf u aan blij te zijn dat ik u had gebeld en dat u zich gehoord voelde. U kon zich vinden in bovengenoemde gang van zaken en u gaf aan contact met mij te zoeken op het moment dat u er ook met de maatschappelijk werker niet uit zou komen.” 2.26 Verweerster heeft op 6 juni 2024, 8 juli 2024 en op 30 juli 2024 nog gevraagd naar de stand van zaken omtrent de aanvraag. Op 13 augustus 2024 heeft de afdeling debiteurenbeheer van het kantoor klaagster aangeschreven over de nog openstaande factuur. 2.27 Op 15 augustus 2024 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij het dossier naar de gemeente had opgestuurd en dat zij hoopte op een snelle reactie van de gemeente. 2.28 Eind augustus 2024 heeft de afdeling debiteurenbeheer van het kantoor met klaagster gebeld over de openstaande factuur. Klaagster heeft toen geantwoord dat verweerster had gezegd dat zij de facturen niet meer hoefde te betalen. Hierop heeft verweerster klaagster op 21 augustus 2024 als volgt bericht: “Van onze debiteurenbeheer begreep ik dat ze u telefonisch hadden gesproken vanwege de openstaande factuur ad € 312,54. U heeft hen aangegeven dat ik u zou hebben gezegd dat het u deze niet hoefde te betalen. Mijns inziens is dit niet op deze manier besproken en heb ik simpelweg aan u uitgelegd waar de factuur vandaan kwam. Ook heb ik u aangegeven dat ik juridisch weinig meer voor u kon doen in uw zaak, aangezien de inschrijving van uw voornaamswijziging slechts nog via een portaal bij de gemeente moet worden aangevraagd. Ik heb u hierover na de laatste factuur van 1 mei 2024 regelmatig gebeld om te vragen wat de stand van zaken is en of ik u hiermee nog kon helpen. In ons contact van de laatste maanden gaf u aan tevreden te zijn omdat u het gevoel had dat ik met u meedacht en in de gaten hield wat de stand van zaken was in uw dossier. Deze telefoontjes en mailtjes van de laatste 9 maanden heb ik allemaal niet gedeclareerd omdat u aangaf dat u al veel heeft betaal[d] en ik u hierin tegemoet wilde komen. In uw laatste mail van 15 augustus gaf u aan dat u alleen nog op een bevestiging van de gemeente wacht dat uw geboorteakte en de voornaamswijziging zijn ingeschreven. Uit deze mail maak ik op dat u dit alles eerder met de maatschappelijk werker heeft opgepakt en dat u mijn werkzaamheden niet langer nodig heeft. De originele akten heeft u reeds op 29 april 2024 opgehaald. Hoewel ik dus mijns inziens niet met u heb afgesproken dat u de factuur niet hoeft te betalen, ben ik bereid om de factuur af te boeken. Dit is wel op voorwaarde dat we het hierbij laten en beide partijen het boek sluiten. Ik verneem hierop graag uw bevestiging, waarop ik de factuur zal afboeken en het dossier zal sluiten.” 2.29 Op 10 september 2024 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend bij de deken. Klacht over verweerder 2.30 Op 18 februari 2025 heeft klaagster ook over verweerder een klacht bij de deken ingediend. De klacht over verweerder betreft de werkzaamheden van de juridisch medewerkster. Aangezien zij geen advocaat is, is de klacht gericht tegen verweerder onder wiens supervisie de juridisch medewerkster haar werkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij is inmiddels niet meer in dienst bij het kantoor. Verwijzingen naar de juridisch medewerkster dienen voor de inhoudelijke beoordeling van onderhavige klacht dan ook te worden gelezen als een verwijzing naar verweerder.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 3.2 Klaagster verwijt verweerster het volgende: a) verweerster heeft de belangen van klaagster onvoldoende behartigd; b) de inspanningen van verweerster staan niet in verhouding tot de door haar gestuurde declaraties. 3.3 Klaagster verwijt verweerder het volgende: a) de kwaliteit van de dienstverlening ter zake van de voornaamswijziging voldeed niet aan de professionele standaard. b) de juridisch medewerkster heeft klaagster (onder supervisie van verweerder) onjuist en onvoldoende geïnformeerd over de kosten en over de wijze waarop de declaraties tot stand zijn gekomen. c) de inspanningen van de juridisch medewerkster (onder supervisie van verweerder) staan niet in verhouding tot de door de juridisch medewerkster gestuurde declaraties.
4 VERWEER 4.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Maatstaf 5.1 Deze klachten gaan over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerders. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 5.2 Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de daarmee gepaard gaande kosten en de cliënt daarover te informeren. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Ontvankelijkheid klacht verweerder 5.3 Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat klaagster, anders dan zij stelt, niet eerst bij zijn kantoor (maar direct bij de deken) een klacht over hem heeft ingediend. Daarmee heeft klaagster hem de mogelijkheid ontnomen om met klaagster tot een vergelijk te komen. Dit moet volgens verweerder tot gevolg hebben dat de klacht over hem niet-ontvankelijk is. 5.4 De raad volgt verweerder niet in zijn betoog. Er is geen wettelijke verplichting om eerst een klacht bij het kantoor in te dienen. Klaagster mocht dus rechtstreeks een klacht bij de deken indienen en de klacht is dan ook ontvankelijk. Klachtonderdelen a) over verweerster en verweerder – kwaliteit dienstverlening 5.5 De raad ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te beoordelen. Op grond van de gedingstukken heeft de raad onvoldoende kunnen vaststellen dat de juridisch medewerkster (onder leiding van verweerder) en verweerster de belangen van klaagster onvoldoende hebben behartigd of dat de kwaliteit van hun dienstverlening ondermaats is geweest. Klaagster beschikte weliswaar op het moment dat zij in juli 2023 het kantoor van verweerders ingeschakelde al over de noodzakelijke beschikking van de rechtbank tot voornaamwijziging, maar verweerders hebben onderbouwd toegelicht dat de inschrijving bij de gemeente alsnog de nodige werkzaamheden meebracht. Er moesten nog zaken worden uitgezocht en bij de beschikking van de rechtbank ontbrak een volledig afschrift van de buitenlandse geboorteakte van klaagster voorzien van vertaling en apostille en een huwelijksakte van haar ouders. Daarbij heeft de raad niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen dat het bij verweerders (of de juridisch medewerkster) aan voldoende kennis en ervaring ontbrak om de zaak van klaagster correct te behandelen. 5.6 De raad heeft verder onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier voor het verwijt dat klaagster maanden heeft moeten wachten zonder dat er door verweerders voortgang werd geboekt in haar zaak. Uit de weergegeven feiten blijkt dat verweerders zowel de gemeente als klaagster herhaaldelijk om een reactie hebben moeten verzoeken. Zo heeft de juridisch medewerkster de gemeente op 19 oktober 2023 laten weten dat klaagster inmiddels beschikte over de ontbrekende documenten en gevraagd of met het nasturen van deze documenten de voornaamswijziging alsnog kon worden afgehandeld. Omdat de gemeente niets van zich liet horen, heeft de juridisch medewerkster op 27 november 2023 gebeld met de gemeente. De gemeente zou binnen vijf werkdagen alsnog reageren, aldus een medewerker van de gemeente. Dat is niet gebeurd. Nadat de juridisch medewerkster eind november 2023 het kantoor had verlaten, heeft verweerster de behandeling van het dossier overgenomen. Op 13 december 2023 heeft verweerster klaagster laten weten nog steeds niets van de gemeente te hebben gehoord. Op het voorstel van verweerster aan klaagster van 12 december 2023 om een rappél-e-mail aan de gemeente te sturen, heeft klaagster op haar beurt pas 10 januari 2024 gereageerd. Daarna volgde uiteindelijk op 16 januari 2024 een reactie van de gemeente op de e-mail van de juridisch medewerkster van 19 oktober 2023. Nadat verweerster deze reactie op 26 januari 2024 aan klaagster had doorgestuurd, heeft verweerster klaagster wederom meerdere malen moeten rappelleren voordat zij op 14 maart 2024 akkoord gaf om de ingescande stukken aan de gemeente te sturen. Nadien heeft verweerster de gemeente eerst weer op 19 april 2024 gerappelleerd, voordat op 22 april 2024 het antwoord van de gemeente volgde dat klaagster zelfstandig een verzoek tot inschrijving kon doen op de website van de gemeente. De raad leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de vertraging in de behandeling van de zaak werd veroorzaakt door de gemeente en door klaagster, maar niet aan verweerders valt toe te rekenen. 5.7 Ook het verwijt van klaagster dat zij voor niets naar de gemeente is gegaan omdat zij hiertoe door verweerster zou zijn geïnstrueerd, treft geen doel. Uit de e-mail van verweerster van 22 april 2024 blijkt duidelijk dat verweerster klaagster heeft geïnformeerd dat zij de stukken digitaal moest indienen (zie rov. 2.19). 5.8 De raad komt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden tot de slotsom dat de belangen van klaagster zijn behartigd met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. Het klachtonderdeel a) is daarmee ongegrond. Klachtonderdelen b) over verweerster en klachtonderdeel c) over verweerder - declaraties 5.9 In deze klachtonderdelen verwijt klaagster verweerders dat hun werkzaamheden niet in verhouding stonden tot de declaraties. Bovendien had haar zaak tegen een vast bedrag (een ‘fixed fee’) behandeld moeten worden. 5.10 De raad overweegt dat de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om declaratiegeschillen te beslechten, maar slechts waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval. De raad overweegt in dat verband als volgt. 5.11 Dat het kantoor van verweerders (tot voor kort) pakketten aanbood ten behoeve van een voornaamswijziging op basis van een ‘fixed fee’ betekent niet dat ook de zaak van klaagster tegen een dergelijk vast bedrag behandeld moest worden. Verweerders hebben toereikend toegelicht dat de ‘fixed fee’ niet op de zaak van klaagster van toepassing was. Met klaagster is daarom een opdracht op basis van een uurtarief tot stand gekomen. Met de opdrachtbevestiging is klaagster geïnformeerd over het uurtarief en over het feit dat er maandelijkse nota’s werden verstuurd, voorzien van urenspecificaties, hetgeen blijkens de gedingstukken ook is gebeurd. Klaagster is derhalve gedurende de behandeling van het dossier op de hoogte gehouden van de kosten van de behandeling van het dossier. Er is aan klaagster in totaal een bedrag van € 2.647,11 inclusief BTW gedeclareerd voor ongeveer veertien uur aan werkzaamheden. Omdat een deel van de declaraties is gecrediteerd en klaagster een deel niet heeft betaald, heeft klaagster € 2.037,25 inclusief BTW betaald. Van dit betaalde bedrag heeft een bedrag van € 1.808,56 inclusief BTW betrekking op de werkzaamheden van de juridisch medewerkster en verweerder en een bedrag van € 228,69 inclusief BTW op werkzaamheden van verweerster. 5.12 Verweerster heeft voor haar werkzaamheden die zij van december 2023 tot en met augustus 2024 voor klaagster heeft verricht dus slechts € 228,69 bij klaagster in rekening gebracht. Dit bedrag kwalificeert, afgezet tegen de verrichte werkzaamheden, niet als excessief. Klachtonderdeel b) over verweerster is dan ook ongegrond. 5.13 Hoewel de raad vraagtekens plaatst bij het in rekening brengen van kosten voor het versturen van een opdrachtbevestiging, kunnen ook de door de juridisch medewerkster (en verweerder) gedeclareerde uren niet als excessief worden aangemerkt. Naar het oordeel van de raad is het gedeclareerde bedrag weliswaar hoog, ook omdat het werk niet heeft geleid tot een concreet resultaat (de inschrijving van de voornaamwijziging bij de gemeente), maar blijkt uit de overgelegde urenspecificaties voldoende dat de in rekening gebrachte uren zijn gebaseerd op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Bovendien zijn de declaraties gematigd wat bijdraagt aan de aanvaardbaarheid ervan. Klachtonderdeel c) over verweerder is dan ook eveneens ongegrond. Klachtonderdeel b) over verweerder - informatie over de kosten 5.14 Klaagster stelt dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van haar zaak. De juridisch medewerkster had klaagster bovendien moeten informeren dat zij de handelingen zelf had kunnen doen, zonder hulp van een advocaat. 5.15 De raad overweegt het volgende. Ingevolge gedragsregel 16 dient een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. De raad mist in de in de opdrachtbevestiging of een andere e-mail aan klaagster een overzicht van de mogelijke juridische stappen, een advisering over de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. Dit was temeer van belang, aangezien verweerders ter zitting hebben betoogd dat in dit soort zaken de aanvraag om naamswijziging bij de rechtbank vaak redelijk snel gaat, maar de inschrijving bij de gemeente dikwijls veel langer duurt en de werkzaamheden bovendien ook zonder bijstand van een advocaat verricht hadden kunnen worden. Door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting zijn bij klaagster onjuiste verwachtingen ontstaan over de slagingskansen en (financiële) gevolgen van de werkzaamheden tot inschrijving van de voornaamswijziging. De raad is van oordeel dat verweerder hiermee klachtwaardig is tekortgeschoten in zijn informatieplicht, zoals bedoeld in gedragsregel 16. Klachtonderdeel b) over verweerder is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Klachtonderdeel b) over verweerder is gegrond. Verweerder is klachtwaardig tekortgeschoten in zijn informatieplicht, zoals bedoeld in gedragsregel 16. Gelet op het feit dat verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen, kan worden volstaan met de oplegging van de maatregel van waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht over verweerder gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel aan verweerder oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: In de klacht over verweerster met kenmerk 25-524/A/A - verklaart de klacht ongegrond; In de klacht over verweerder met kenmerk 25-525/A/A - verklaart klachtonderdelen a) en c) ongegrond; - verklaart klachtonderdeel b) gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter Verzonden op: 27 oktober 2025
