Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:219
Zaaknummer
250229
Inhoudsindicatie
Verzoek tot aanwijzing van advocaat ex artikel 13 Advocatenwet afgewezen.
Uitspraak
Beslissing van 27 oktober 2025 in de zaak 250229 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 28 mei 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat ondanks herhaald verzoek niet (voldoende) heeft toegelicht en/of onderbouwd, waardoor voor de deken onduidelijk is gebleven of de door hem gewenste procedure een redelijke kans van slagen heeft en of bijstand door een advocaat verplicht is. De deken heeft ook niet kunnen beoordelen of het verzoek voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet.
Bij het hof 1.3 Klager heeft een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het beklag is op 2 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken; - de repliek; - de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 24 maart 2025 heeft klager de deken verzocht een advocaat aan te wijzen in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door zijn werkgever. De deken heeft aan klager op grond van artikel 13 Advocatenwet mr. G aangewezen.
2.2 Op 31 maart 2025 heeft klager een nieuw verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend.
2.3 Bij e-mail van 8 april 2025 heeft de deken klager gevraagd toe te lichten welke procedure hij wil starten en wat zijn belang bij die procedure is.
2.4 Bij e-mail van 9 april 2025 heeft klager geantwoord:
“I've explicitly requested a Civil Lawyer for Human Rights”.
2.5 Bij e-mail van 17 april 2025 heeft de deken geantwoord dat het daarmee niet duidelijk is voor welke concrete zaak klager een advocaat zoekt. De deken heeft daarom nogmaals verzocht toe te lichten welke procedure klager wil starten, wat hij precies vordert en wat zijn belang bij die procedure is.
2.6 Bij e-mail van 22 april 2025 heeft klager geantwoord:
“You are giving me the feeling that you want to replace the Judge's role in this case, getting to know what exactly has happened and to do an interrogation yourself.
What do you mean by which specific case?
What do you mean by which procedure I wish to initiate?
What do you mean by what exactly I am claiming?
What do you mean by what my interest in the procedure is?
Why do you need all that information to attribute a Civil Lawyer to a normal case?
Why do you have any interest in having all that information?
Let that information be given to the Judge and let the Judge decide.”
2.7 Bij e-mail van 22 april 2025 heeft de deken klager nogmaals gewezen op de voorwaarden waaraan een verzoek moet voldoen om op grond van artikel 13 Advocatenwet tot aanwijzing van een advocaat over te kunnen gaan.
2.8 Bij e-mail van 23 april 2025 antwoordde klager:
“Which procedure I wish to initiate: - Human Rights violation; GDPR violation; Personal Injury and Career Damages; Private Property rights;”
“What exactly I am claiming: - Public Humiliation; Personal contacts data given to Third Parties without consent; Revealed personal information, data and private documents information into the public domain to prospect future employers, past employers, third parties institutions and individuals in general, etc.; Slandered my name to future prospect employers, past employers, Universities, Landlords, institutions and individuals in general etc.; Invasion of Private Property; Contact of community members e.g. former Landlords, third-parties institutions with or without service contracts with myself (e.g. suppliers), etc. requesting private information about myself; Failure to provide a work certificate; Wrong employer conduct; Exclusion in the workplace; What my interest in the procedure is: - What do you mean with the interest in the procedure? The compensation that I request?
Can you please clarify?”.
2.9 Bij e-mail van 24 april 2025 heeft de deken voor wat betreft de verstrekking van zijn persoonsgegevens aan derden en schending van zijn privacy rechten, verwezen naar de mogelijkheid om een klacht daarover in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
2.10 Bij e-mail van 24 april 2025 antwoordde klager:
“I wish to initiate proceedings because my Human Rights have been violated.”
2.11 Bij e-mail van 25 april 2025 heeft de deken klager het onder meer het navolgende geschreven:
“Op grond van artikel 13 Advocatenwet en de geldende jurisprudentie dien ik te onderzoeken of ik een advocaat kan aanwijzen voor een procedure waarin de bijstand van een advocaat verplicht is. U schrijft dat uw mensenrechten zijn aangetast. De vordering die u in dat verband wilt instellen is niet duidelijk en niet onderbouwd. Ik wijs u in dit verband naar de website van de overheid, waarin staat beschreven welke mogelijkheden u heeft. Hiervoor heeft u geen advocaat nodig”.
2.12 Bij e-mail van 28 april 2025 antwoordde klager:
“What part of the public humiliation, revealing personal information (retrieved illegally) to the public domain have you not understood?
Is this claim unclear and unsubstantiated?
I look forward to hearing from you”
2.13 Bij beslissing van 28 mei 2025 heeft de deken het verzoek van klager afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert daartoe, samengevat, aan dat de deken heeft miskend dat klager een procedure tegen zijn voormalig werkgever wil starten omdat zijn mensenrechten zijn geschonden – en derhalve niet alleen omdat zijn persoonsgegevens zonder toestemming aan derden zijn verstrekt en zijn recht op privacy is geschonden, zoals de deken heeft aangenomen.
3.2 Klager stelt bij dit alles voorop dat het niet aan de deken is om te beoordelen of de bewering van klager dat zijn mensenrechten zijn geschonden duidelijk of onduidelijk, onderbouwd of ongefundeerd is. Die beslissing is aan de rechter. De deken zelf wordt immers verondersteld onpartijdig te zijn. De deken had daarom het verzoek van klager, zonder nader onderzoek, moeten toewijzen.
Verweer
3.3 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om (onder meer) te kunnen beoordelen of een procedure voldoende kans van slagen heeft.
4.3 Het hof stelt vast dat klager, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt welke vordering hij wenst in te stellen, wat de grondslag van die beweerdelijke vordering is, bij welke instantie hij een procedure wil starten en wat zijn belang bij een dergelijke procedure is. Verder ontbreken concrete stukken die als aanknopingspunt kunnen dienen voor een juridische procedure. Als gevolg daarvan kan de haalbaarheid van een eventuele procedure niet worden beoordeeld. Evenmin kan worden beoordeeld of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk/vereist is. De deken kon dus ten gevolge van voor rekening van klager komende omstandigheden niet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet is voldaan. De deken heeft het verzoek van klager dan ook op goede gronden afgewezen. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 28 mei 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 oktober 2025.
