Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:152

Zaaknummer

25-414/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Verweerder had melding moeten maken van het contact dat hij met een bedrijf heeft gehad. Verweerder heeft de rechtbank onvolledig, en daarmee onjuist, geïnformeerd. Wel heeft hij zich voldoende ingespannen om dit bij de rechtbank aan  te kaarten, nadat hij op zijn fout is gewezen. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch van 3 november 2025 in de zaak 25-414/DB/ZWB naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 1 gemachtigden: [klager 2] en [klager 3]

en

klager 2

en 

klager 3

over:

verweerder gemachtigde: [kantoorgenoot]

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 4 november 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 24 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-076 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klagers 2 en 3, mede namens klaagster 1, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

  2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster 1 heeft een Europese openbare aanbesteding georganiseerd voor het leveren van een (software)tool en panoramafoto’s van OV-haltes. [FO] is als tweede geëindigd in de rangorde. Klaagster 1 heeft op enig moment de aanbestede overeenkomst gedeeltelijk ontbonden, in die zin dat de panoramafoto’s geen onderdeel meer uitmaken van de overeenkomst.

2.3    Verweerder heeft namens [FO] een dagvaarding uitgebracht, waarin het standpunt wordt ingenomen dat klaagster 1 jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst niet opnieuw aan te besteden. Daardoor zou schade zijn ontstaan. Verweerder heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat het bedrijf dat de oorspronkelijke aanbesteding heeft gewonnen, bij een nieuwe aanbesteding geen kans zou hebben gemaakt om deze te winnen. Over de andere twee oorspronkelijke inschrijvers heeft verweerder gesteld dat deze niet zouden deelnemen aan een nieuwe, hypothetische aanbesteding: één inschrijver omdat zij niet meer in de branche actief is en de andere inschrijver omdat deze niet capabel is. 

2.4    Bij tussenvonnis van 22 mei 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat klaagster 1 jegens verweerders cliënte onrechtmatig heeft gehandeld en de schade moet vergoeden. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om de schade nader te onderbouwen.

2.5    Op 29 mei 2024 heeft verweerder contact gezocht met de eigenaar van [V], een bedrijf dat zich ook had ingeschreven:

“Ik geloof dat u zijdelings op de hoogte bent van het feit dat [FO] een procedure is gestart tegen [klaagster 1] over een aanbesteding uit 2021. Ik begreep dat [V] zich destijds ook heeft ingeschreven. Inmiddels heeft de rechtbank bij tussenvonnis bepaald dat [klaagster 1] de aanbesteding wezenlijk heeft gewijzigd en daardoor toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van cliënte.  

Ik moet de rechtbank nu informeren over de vraag wat de situatie zou zijn als de opdracht voor levering van de 360-gradenfoto’s in de tool opnieuw zou zijn aanbesteed. Onderdeel daarvan is de vraag welke partijen zich in dat geval zouden hebben ingeschreven. Van de heer [K] begreep ik dat [V] zich inmiddels niet meer bezighoudt met de specifieke werkzaamheden die [klaagster 1] heeft uitgevraagd en dat u daarom (althans mede daarom) niet opnieuw zou inschrijven. Als dat inderdaad het geval is, zou ik er zeer mee geholpen zijn als u aan mij per email bereid bent te bevestigen dat [V] niet zou inschrijven als [klaagster 1] een nieuwe aanbesteding in de markt zou zetten voor de levering van 360-gradenbeelden in een tool.”  

2.6    Diezelfde dag heeft de eigenaar van [V] gereageerde:

“Allereerst dank voor de mail en informatie rondom de aanbesteding irt schouwen van haltes middels 360 camera’s. Ik kan u melden dat wij ons totaal niet herkennen in de aanname van uw client dat wij bij een nieuwe uitvraag geen interesse zouden hebben. We zijn een commercieel bedrijf dat elke uitvraag als een kans zien en per casus bepalen of deze voor onze business interessant kan zijn. Op het moment dat [klaagster 1] een aanbesteding in de markt zou zetten dan zullen wij afhankelijk van de vraag en behoefte een aanbieding doen. Sterker nog.   

Op dit moment voeren wij dergelijke schouwwerkzaamheden voor een groot aantal klanten uit.  De veronderstelling dat wij ons op dit vlak niet meer bezighouden is dan ook onjuist. Wel is het zo dat wij van mening zijn dat er andere alternatieven zijn die wellicht beter aansluiten op de behoefte van de klant.”

2.7    Bij akte van 23 juli 2024 heeft verweerder gesteld:

“(…) Tijdens de mondelinge behandeling heeft [FO] zich op het standpunt gesteld dat de derde gerangschikte partij niet zou meedoen aan de hypothetische aanbesteding omdat die partij zich niet meer specifiek richt op het ontsluiten van beelden in een tool. Die partij is voor zover [FO] bekend de besloten vennootschap [V]. Op haar website heeft [V] aangegeven dat zij in 20Q7 de tool [naam] heeft ontwikkeld en dat uit die tool volgde waar alle haltes in Nederland lagen [V] geeft op haar website aan dat haar focus is verschoven naar het beheren van de haltedata zelf en dat zij zijn gestopt met de verdere ontwikkeling van [tool]. (…) De stelling van [FO] dat [V] als derde gerangschikte partij niet zou hebben ingeschreven, blijkt uit het voorgaande. (…)”

2.8    Op 6 september 2024 heeft klager 2 aan verweerder geschreven:

“De stelligheid waarmee u beweert dat [V] niet meer actief zou zijn als (potentiële) concurrent van [C] en [FO] vind ik lastig te rijmen met de reactie van [V} op de vragen die u [V] heeft gesteld over haar marktactiviteiten. Bij e-mail van 29 mei 2024 heeft u de directeur-eigenaar van [V] benaderd met het volgende bericht: (…)

Ik kan uit het antwoord van [V] op uw vragen niet anders dan concluderen dat [V] bij een (nieuwe) aanbesteding van cliënte zeer waarschijnlijk een inschrijving zou doen. Toch betrekt u in de Akte een tegengesteld standpunt. 

Kunt u mij uitleggen hoe u, niettegenstaande de niet voor meerdere uitleg vatbare reactie van [V], tot het standpunt in de Akte bent gekomen en hoe dit zich verhoudt tot de verplichting die advocaten hebben, op grond van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de Gedragsregels, bij te dragen aan waarheidsvinding? (…)”

2.9    Op 10 september 2024 heeft verweerder gereageerd:  

“Onder b) van de Akte uitlaten na tussenvonnissen ben ik ingegaan op de vraag of er nog andere partijen zijn die aan de hypothetische aanbesteding konden deelnemen en zouden hebben deelgenomen. Die hypothetische situatie heeft betrekking op de overeenkomst voor de levering van de tool. In zijn e-mail heeft de heer [V] zijdens [V] aangegeven dat [V] per casus bepaalt of zij op een aanbesteding zou inschrijven. Afhankelijk van de vraag en de behoefte van [klaagster 1] zou [V] kennelijk overwegen om op de aanbesteding in te schrijven. Op haar website heeft [V] neutraal en publiekelijk toegelicht dat haar focus is verschoven naar het beheren van de haltedata en dat zij gestopt is met de verdere ontwikkeling van de [tool]. Nu [V] van geval tot geval afweegt of zij zou inschrijven op een aanbesteding van [klaagster 1] en nu haar focus is verschoven naar het beheren van haltedata heeft [FO] gemeend dat [V] als derde gerangschikte partij niet zou hebben ingeschreven op de hypothetische aanbesteding.  In uw e-mail geeft u aan dat [V] bij een nieuwe aanbesteding zeer waarschijnlijk wel zou hebben ingeschreven. Hoewel ik meen dat dat niet uit de e-mailcorrespondentie met [V] volgt en gelet op de toelichting op haar website ook niet in de rede ligt, realiseer ik mij dat ik op dit punt zorgvuldiger kon zijn in mijn akte. Terugkijkend was het mogelijk zorgvuldiger geweest de rechtbank te informeren dat ik op dit punt contact heb gehad met de bestuurder van [V] waarin hij heeft aangegeven dat [V] van geval tot geval beoordeelt of zij zich zou inschrijven. Ik zou de rechtbank op dit punt graag kort willen informeren, maar omdat de zaak voor vonnis staat kan dat alleen met uw voorafgaande toestemming. Ik verzoek u daarom vriendelijk om mij daar toestemming voor te verlenen.”

2.10    Op 13 september 2024 heeft klager 2 aan verweerder geschreven:

“Uw toelichting overtuigt niet.  Ik kan mij voorstellen dat u de rechtbank over deze kwestie wilt informeren. Ik hecht er sterk aan dat u in een eventuele schriftelijke verklaring aan de rechtbank ingaat op de discrepantie tussen – enerzijds - de feitelijke omstandigheden, meer in het bijzonder de heldere verklaringen van de directeur-eigenaar van [V] op uw specifieke vragen, en – anderzijds – de stellingen in uw akte van 24 juli 2024. Ook uw keuze om in de akte de correspondentie met [V] onvermeld te laten, verdient opheldering.  Als u mij een concept voor een brief aan de rechtbank voorlegt, zal ik op basis daarvan beslissen of ik toestemming verleen voor verzending van uw brief aan de rechtbank.”  

2.11    Op 18 september 2024 heeft verweerder een concept voorgelegd aan klager 2. Daarin is opgenomen:

“(…) Na indiening van de Antwoordakte heeft [klager 2] zich tot mij gewend en de vraag voorgelegd hoe ik tot het standpunt in de Akte ben gekomen omdat [V] – in de ogen van [klaagster 1]– zeer waarschijnlijk wel zou hebben ingeschreven. Ik heb toegelicht dat uit de reactie van [V] mijns inziens niet volgt dat [V] zeer waarschijnlijk wel zou hebben ingeschreven en dat [FO] in het kader van de te beantwoorden vraag waarde hecht aan de uitlating op de website van [V] waar zij in de Akte naar heeft verwezen.   

Dat doet er niet aan af dat ik [klager 2] ook heb toegelicht dat ik terugkijkend zorgvuldiger had kunnen – en moeten – zijn in de Akte door uw rechtbank en [klaagster 1] te informeren over het contact dat [klaagster 1] in de Antwoordakte heeft geciteerd. Ik bied uw rechtbank en [klager 2] mijn excuses aan voor die onzorgvuldigheid.”

2.12    Op 19 september 2024 heeft klager 3 aan verweerder geschreven:

“Uit uw rechtstreekse contact met [V] wist u dat de stellingen van [FO] over de positie van [V] niet juist zijn; toch heeft u die in de Akte gehandhaafd. Uw brief aan de rechtbank zal dat moeten uitleggen en rechtzetten. De enkele excuses voor het feit dat u in uw Akte onvermeld heeft gelaten dat u inhoudelijk contact met [V] heeft gehad, zijn onvoldoende om in te kunnen instemmen met verzending aan de rechtbank.”  

2.13    Op 26 september 2024 heeft verweerder aan klager 2 geschreven:

“U acht mijn handelswijze in strijd met het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de Gedragsregels omdat die handelswijze niet zou hebben bijgedragen aan waarheidsvinding. Ik heb mij rekenschap gegeven van die gestelde onzorgvuldigheid en ik heb mij direct bereid verklaard om de rechtbank te informeren over die gestelde onzorgvuldigheid. U geeft aan dat de rechtbank juist en volledig geïnformeerd moet worden over de gang van zaken. In uw akte heeft u al geciteerd uit de e-mailcorrespondentie zoals ik die met [V] heb gevoerd. Als u bedoelt dat ik die e-mailcorrespondentie als bijlage bij mijn brief moet voegen in het kader van het juist en volledig informeren van de rechtbank, ben ik daartoe bereid en dan verneem ik graag uw bevestiging op dit punt. In de eerdere e-mail geeft [klager 3] aan dat ik zou weten dat de stellingen van [FO] over de positie van [V] niet juist zijn en dat ik dat in de brief aan de rechtbank moet uitleggen en rechtzetten. Dat is precies wat ik met de conceptbrief probeer te bewerkstellingen; het rechtzetten van die gestelde onzorgvuldigheid. Achteraf bezien had ik de rechtbank – zoals aangegeven in mijn concept – moeten informeren over de hiervoor bedoelde e-mailcorrespondentie waar u de rechtbank reeds volledig over heeft geïnformeerd.”  

2.14    Diezelfde dag heeft klager 3 gereageerd:

“U lijkt te miskennen dat het er primair om gaat dat u, hoewel u op grond van uw e-mailwisseling met [V] wist dat de stellingen van [FO] over de positie van [V] niet juist zijn, deze stellingen willens en wetens in de Akte heeft gehandhaafd. Uw brief aan de rechtbank moet niet enkel melding maken van de e-mailwisseling met [V] maar ook (en vooral) toelichten dat uit die e-mailwisseling volgt dat (bepaalde) stellingen uit de Akte onhoudbaar zijn.”  

2.15    Op 27 september 2024 heeft verweerder aan klager 3 geschreven:

“Ik meen dat de inhoud van de akte en de daarin opgenomen verwijzing naar de website niet onjuist zijn, zij het dat ik wel heb erkend dat ik beter melding had moeten maken van het contact dat ik met [V] heb gehad. Die correspondentie met [V] heeft u volledig geciteerd in uw akte en de rechtbank heeft daar kennis van kunnen nemen. Ik heb aangeboden om de rechtbank te informeren over die onzorgvuldigheid, daar mijn excuses voor te maken en de e-mailcorrespondentie als bijlage bij die brief te versturen, maar dat is kennelijk onvoldoende voor u en uw cliënte. Ik betreur dat. Als u alsnog wenst dat ik de rechtbank informeer conform het eerder door mij toegezonden concept, verneem ik dat graag.”

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende. a)    Verweerder heeft feitelijke informatie verstrekt waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat die onjuist is; b)    Verweerder heeft opzettelijk een feit verzwegen dat van belang is voor de gevraagde beslissing; c)    Verweerder heeft geen afstand genomen van een standpunt in een akte, nadat hij is gewezen op de onjuistheid daarvan.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Toetsingskader  

5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdelen a) en b)  

5.2    Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij onjuist heeft gehandeld en dat hij melding had moeten maken van het contact dat hij met de eigenaar van [V] heeft gehad. Ook de raad is van oordeel dat verweerder de rechtbank onvolledig heeft geïnformeerd door daar geen melding van te maken. Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond.

Klachtonderdeel c)

5.3    De raad volgt klagers echter niet in klachtonderdeel c. Het is niet aan de wederpartij om verweerder te dicteren welk standpunt hij al dan niet inneemt namens zijn cliënte. Zeker klager 2 en klager 3, die beiden advocaat zijn, behoren dit te weten. Nadat verweerder door klagers erop is gewezen dat hij de rechtbank onvolledig heeft geïnformeerd, heeft verweerder zich voldoende ingespannen dit bij de rechtbank aan te kaarten. Daarbij heeft verweerder ook aangeboden om de e-mailcorrespondentie met [V] alsnog over te leggen. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, is slechts omdat klagers hem daartoe geen toestemming gaven. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft de rechtbank onvolledig, en daarmee onjuist, geïnformeerd. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft dat zelf ook, in ieder geval ter zitting, ingezien. De raad betrekt bij het bepalen van de op te leggen maatregel ook dat verweerder zijn medewerking heeft verleend aan het herstellen van zijn fout, door de rechtbank daarover aan te willen schrijven. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat verweerder niet eerder met het tuchtrecht in aanmerking is gekomen, zal de raad een waarschuwing opleggen.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klagers, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond; -    verklaart klachtonderdeel c) ongegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;  - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4;

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.M.C. van de Ven en M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 3 november 2025