Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:237
Zaaknummer
24-942/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet van klaagster ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 3 november 2025
in de zaak 24-942/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 februari 2025 op de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. B. Wernik
over
verweerster
1 Verloop van de procedure
1.1 Op 12 december 2023 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 18 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K23/169 van de deken ontvangen.
1.3 In een beslissing van 17 februari 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025 . Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerster aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet zijn genoemd in het verzetschrift van klaagster. Klaagster heeft onder meer aangevoerd dat zij haar (gehele) klacht wel tijdig heeft ingediend omdat zij pas op 22 december 2022 op de hoogte is geraakt van de gevolgen van het handelen van verweerster.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.
3 feiten en klacht
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is, net als de voorzitter, van oordeel dat de klacht gedeeltelijk te laat is ingediend. De klacht van klaagster houdt - zakelijk weergegeven - in dat verweerster in de ogen van klaagster te weinig actie heeft ondernomen en niet goed met haar heeft gecommuniceerd. Verweerster heeft klaagster bijgestaan in de periode van eind 2019 tot september 2020. Klaagster heeft in diezelfde periode kennisgenomen of redelijkerwijs kennis kunnen nemen van dat handelen en nalaten van verweerster. Het is niet aannemelijk dat klaagster hiervan pas later op de hoogte is geraakt. Klaagster had zich daarover eerder - binnen drie jaar na september 2020 - moeten beklagen en niet pas op 12 december 2023. De beslissing van de voorzitter op dit punt is dan ook juist.
4.3 De raad is van oordeel dat ook de andere door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter heeft de klacht terecht en op juiste gronden deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht , voorzitter, mrs. A.E. Mulders, E.J.C. de Jong, M.M. Kuyp en A.W. Siebenga , leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
