Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:222

Zaaknummer

250209

Inhoudsindicatie

Ongegrond verzet tegen beslissing van de voorzitter om de klacht tegen de deken niet te verwijzen. 

Uitspraak

Beslissing van 27 oktober 2025 in de zaak 250209

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van het hof van 10 juli 2025 in de klacht van:

 

klager 

 

tegen: 

 

1. […]

2. […] 

3. […]

4. […]

verweerders

1    PROCEDURE

1.1    Met de beslissing van 10 juli 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline (hierna: het hof) de klacht van klager ten aanzien van verweerders sub 2 en 3 voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant en het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerders sub 1 (de deken) en 4, afgewezen. 

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 16 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast: - een bericht van de deken van 19 augustus 2025, waarin de deken aangeeft zich te refereren aan het oordeel van het hof; - de repliek; - een bericht van de deken van 4 september 2025, waarin de deken afziet van dupliek. 

1.3    Het hof heeft het verzet in raadkamer behandeld.

2    HET VERZET

2.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de voorzitter ten onrechte heeft aangenomen dat klager zijn klacht mede heeft gericht tegen verweerders sub 2, 3 en 4. De klacht van klager is enkel gericht tegen verweerder sub 1.

2.2    Daarnaast heeft de voorzitter de inhoud van de klacht tegen de deken verdraaid. De klacht hangt niet samen met de klacht van klager tegen twee advocaten, zoals de voorzitter heeft overwogen, maar houdt in dat de deken laakbaar heeft gehandeld door de belangen van klager te veronachtzamen bij het in behandeling nemen van zijn klacht. De voorzitter is ten onrechte op deze klacht van klager niet ingegaan.

2.3    De deken heeft het hof medegedeeld dat zij zich refereert aan het oordeel van het hof.

 

3    BEOORDELING

3.1    De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.

3.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

3.3    Het hof stelt voorop dat verzet niet open staat tegen een beslissing van de voorzitter, waarbij het verzoek tot verwijzing is toegewezen, in casu ten aanzien van verweerders sub 2 en 3. 

3.4    Het hof overweegt voorts dat verzet tegen afwijzing van het verzoek tot verwijzing van een tegen een deken ingediende klacht alleen gegrond kan worden verklaard als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

3.5    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. De voorzitter heeft overwogen dat een klacht tegen een deken geen middel is om de inhoud van een andere zaak, waartegen een rechtsmiddel openstaat, aan de orde te stellen. Het recht om een klacht in te dienen tegen de deken is er inderdaad niet voor bedoeld om de werkwijze van een deken en/of het dekenstandpunt naar aanleiding van een ingediende klacht aan de orde te stellen. De voorzitter heeft dan ook de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. 

3.6    Het hof verklaart op grond van het voorgaande het verzet van klager ongegrond.

 

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025. 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 27 oktober 2025