Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:240
Zaaknummer
25-520/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 27 oktober 2025
in de zaak 25-520/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 4 augustus 2025 met kenmerk 2451740.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
Verweerster heeft de korpschef van de politie te [plaatsnaam] bijgestaan op een zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam (afdeling bestuursrecht) van 21 november 2024. Klager was eiser in die zaak.
1.1 Op 31 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) op de zitting van 21 november 2024 feitelijke informatie te verstrekken waarvan zij wist, althans behoorde te weten, dat deze onjuist was;
b) het publiek op de betreffende zitting, waaronder klager, zonder onderbouwing, te beschuldigen van het maken van bandopnamen van de zitting.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
4.2 Daarbij geldt dat de advocaat de belangen van zijn cliënt moet behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.3 Klager verwijt verweerster dat zij op een zitting feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist was. Klager wijst in dit verband in het bijzonder op de stelling van verweerster dat een onderzoek naar en een toegang tot de systemen van de politie, zoals door klager is verzocht, is uitgesloten.
4.4 De voorzitter is van oordeel dat verweerster met deze stelling de aan haar toekomende (grote) vrijheid van handelen niet te buiten is gegaan. Op grond van de stukken in het klachtdossier – waaronder het proces-verbaal van de zitting – is niet gebleken dat verweerster wist of had moeten weten dat deze informatie onjuist zou zijn. Verweerster mocht zonder nader onderzoek afgaan op de juistheid van deze informatie die zij van haar cliënt had ontvangen. Bovendien hebben klager en zijn advocaat in die procedure tegen de vermeende onjuiste feiten of onjuiste standpunten verweer kunnen voeren. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een bestuursrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de bestuursrechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.5 Uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2024 volgt dat verweerster tijdens die zitting heeft aangegeven dat zij wil weten of er audio-opnamen worden gemaakt, waarna één van de rechters heeft gevraagd of er iemand aan het opnemen is. De voorzitter is van oordeel dat het verweerster in het kader van de belangenbehartiging van haar client vrij stond om dit punt op deze manier aan de orde te stellen. Verweerster heeft klager nergens van beschuldigd en zijn belangen zijn door het stellen van deze vraag niet geschaad. Dit handelen van verweerster levert daarom geen tuchtrechtelijk verwijt op. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025
