Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:201

Zaaknummer

25-330/A/NH

Inhoudsindicatie

Ongegrond verzet.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 oktober 2025 in de zaak 25-330/A/NH   naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 30 juni 2025 op de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 7 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.  1.2    Op 15 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/2393462 van de deken ontvangen.  1.3    Bij beslissing van 30 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 30 juni 2025 verzonden aan partijen. 1.4    Op 25 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 25 juli 2025 ontvangen. 1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 15 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.    1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2    In de beslissing van de voorzitter staat dat verweerster alleen zou hebben gevraagd welke mensen op dat adres stonden ingeschreven en dat haar vraag dus niet op de persoon was gericht. Verweerster schrijft echter dat zij van iedere persoon die daar staat ingeschreven gegevens uit het BRP (Basisregistratie Personen) wilde hebben. Dus als er (bijvoorbeeld) nog vier andere mensen op het adres ingeschreven zouden staan, die niets van doen hebben met de procedure van de cliënt van verweerster tegen de medehuurder/medebewoner van klager, dan zou verweerster ook die informatie hebben gekregen. Een dergelijke uitvraag bij de gemeente mag niet en is bovendien disproportioneel. Klager heeft een beslissing van het Hof van Discipline van 23 maart 2015, ECLI:NL:TAHVD:2015:96 bijgevoegd. Hieruit volgt volgens klager dat de wettekst duidelijk maakt dat een advocaat een uittreksel (uitsluitend) mag opvragen ten behoeve van een dagvaarding. De rechtvaardiging voor die voorkeursbehandeling is volgens klager mede gelegen in het feit dat de advocatuur onderworpen is aan een gedragscode. Vanwege deze gedragscode wordt erop vertrouwd dat de advocaat geen ontoelaatbaar gebruik of misbruik zal maken van de mogelijkheid om op eenvoudige wijze dergelijke gegevens bij de gemeente op te vragen. Op basis van dit vertrouwen wordt aangenomen dat de advocaat alleen een uittreksel opvraagt als dat noodzakelijk is in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift. Bewijsvergaring valt daar echter niet onder, aldus klager.  2.3    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT 3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING 4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.  4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 oktober 2025.

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 27 oktober 2025