Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:238

Zaaknummer

25-606/AL/GLD

Inhoudsindicatie

voorzittersbeslissing. Klaagster beklaagt zich erover dat verweerder onvoldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van een schikking. Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerder pogingen heeft gedaan om tot een vergelijk met klaagster te komen. Zijn cliente was op enig moment niet langer bereid om verder nog met klaagster te onderhandelen. Verweerder heeft dat standpunt van zijn cliente in neutrale bewoordingen aan klaagster bericht. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 3 november 2025

in de zaak 25-606/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 september 2025 met kenmerk K 25/18.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Mevrouw K heeft een kunstwerk op een doek gemaakt. Tussen klaagster en mevrouw K is een discussie ontstaan over onder andere het eigendom van het doek.

1.2 In deze kwestie wordt mevrouw K bijgestaan door verweerder.

1.3 In de periode van 7 december 2023 tot en met 12 september 2024 hebben partijen onderling geprobeerd de zaak te schikken.

1.4 Op 12 augustus 2024 heeft verweerder onder meer aan klaagster geschreven:

De standpunten van partijen liggen ver uit elkaar en een oplossing in der minne is niet langer mogelijk. Besprekingen tot een schikking zijn gelet op uw zeer bijzondere voorwaarde niet langer zinvol.

1.5 Op 3 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

niet mee te werken aan het oplossen van de zaak.

Toelichting: Verweerder heeft aanvankelijk aangegeven open te staan om een regeling in der minne te beproeven. Veertien maanden later, op het moment van het indienen van de klacht, is van een minnelijke regeling nog altijd geen sprake door de houding van verweerder.

 

3 VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om tot een schikking tussen zijn cliënte met klaagster te komen. Volgens verweerder is eenmalig een voorstel gedaan tegen finale kwijting over en weer, maar hebben de zeer onrealistische aanvullende voorwaarden van klaagster er voor zijn cliënte toe geleid dat zij niet langer met klaagster in gesprek wilde gaan over een schikking. Als partijdig advocaat diende verweerder dat standpunt van zijn cliënte te volgen en de wederpartij daarover duidelijk te informeren. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gedaan. Hij heeft klaagster in neutrale bewoordingen laten weten dat hij namens zijn cliënte niet langer inhoudelijk op haar voorstellen zal reageren en klaagster om haar gelijk te behalen een procedure zal moeten starten. Dat klaagster deze reactie van verweerder als neerbuigend en niet passend voor het komen tot een oplossing heeft ervaren, is onvoldoende om verweerder daarvan een verwijt te maken. Andere feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat verweerder de belangen van klaagster in deze onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad, zijn door klaagster niet gesteld en uit de stukken ook niet gebleken.

4.3 Dit leidt ertoe dat verweerder naar het oordeel van de voorzitter tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. De klacht wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.

 

Griffier                                                                     Voorzitter

 

Verzonden op: 3 november 2025