Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:204

Zaaknummer

25-050/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een geschil over afrekening van diensten. Verweerster heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de te verwachten (extra) kosten van haar zaak. Zij heeft bij aanvang een kosteninschatting gegeven. Dit bleek achteraf veel te laag: al binnen elke maanden overtroffen de facturen die inschatting. Verweerder heeft klaagster op dat moment niet geïnformeerd. De door verweerster geschapen verwachtingen zijn, achteraf gezien, veel te rooskleurig geweest. Verweerder is op het punt van de financiële voorlichting tekortschoten, met als gevolg dat klaagster werd overvallen door forse kosten die zij niet had verwacht en ook niet had kunnen voorzien. Klachten over inhoudelijke kwaliteit en afhandeling van de klacht en het dossier ongegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025 in de zaak 25-050/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster gemachtigde: [H]

over

verweerster  gemachtigde: mr. M.B.G. Stevens

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 3 mei 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 24 januari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R2025/11 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren aanwezig: -    [NH] en [H] (gemachtigde) namens klaagster; -    verweerster en haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.  1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 35. Ook heeft de raad kennisgenomen van:  -    de brief met bijlagen van de gemachtigde van verweerster van 10 maart 2025; -    de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 10 maart 2025; -    de e-mail met bijlagen (alleen de producties) van de gemachtigde van klaagster van 25 augustus 2025; -    de e-mail van de gemachtigde van verweerster van 27 augustus 2025; -    de reactie daarop van de gemachtigde van klaagster van 28 augustus 2025. De raad heeft ter zitting besloten dat alleen de producties bij de email van 25 augustus 2025 in het dossier worden gevoegd. Het aanvullend verweer (13 pagina’s) is niet in het dossier gevoegd.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster is exploitant (geweest) van coronatestlocaties. Klaagster heeft met HCC een geschil over de afrekening van het juiste aantal afgenomen testen, over de juistheid van het gehanteerde tarief en over de verrekening met de in rekening gebrachte beschermingsmiddelen en testmaterialen.   2.3    In mei 2023 hebben de gemachtigde van klaagster (hierna ook: H) en/of de vertegenwoordigster van klaagster (hierna ook: NH) zich tot verweerster gewend voor bijstand in het geschil met wederpartij HCC. 2.4    Op 23 mei 2023 heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan NH gestuurd. In deze brief staat onder meer dat er opdracht is gegeven aan het kantoor van verweerster tot het verrichten van juridische diensten, dat het honorarium wordt gebaseerd op tijdsbesteding tegen een uurtarief variërend van € 235,- tot € 315,- exclusief btw en kantoorkosten en dat de kosten in beginsel maandelijks in rekening worden gebracht.  In de bijbehorende algemene voorwaarden is onder meer opgenomen dat het kantoor bepaalt door welke advocaat/advocaten de werkzaamheden worden uitgevoerd, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen (artikel 3 lid 2). 2.5    NH heeft op 23 mei 2023 aan verweerster laten weten dat H de gemachtigde van klaagster is en dat met H gecorrespondeerd mag worden. 2.6    In juni 2023 heeft verweerster een aangetekend schrijven gestuurd aan de wederpartij, waarin de wederpartij is gesommeerd tot inzage in de administratie voor wat betreft de locaties van klaagster.  2.7    Op 27 juni 2023 heeft verweerster aan H onder meer geschreven:  “lndien er geen informatie wordt verstrekt door de wederpartij zouden wij een art. 843a Rv procedure kunnen starten bij de rechtbank waarin wij op korte termijn verzoeken om inzage in de verzochte bescheiden. Om de vordering tot inzage op basis van dit artikel te kunnen toewijzen moet aan een aantal cumulatieve voorwoorden zijn voldaan: - er moet sproke zijn van een rechtmatig belang; - het moet gaan om bepaalde bescheiden; - aangaande een rechtsbetrekking (gerechtelijke procedure) waarin eiser partij is of zal worden. Iemand heeft rechtmatig belang bij het opvragen van stukken als deze relevant zijn voor (vaststelling van) zijn rechtspositie. Het gaat daarbij de eerste plaats om een bewijs belang die dient te corresponderen met de op hem rustende bewijslast. Degene die de vordering instelt, dient voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Kortom, we dienen e.e.a. wel voldoende te kunnen onderbouwen.” 2.8    Op 3 juli 2023 mailt verweerster aan H onder meer: “De procedure waar ik over schrijf is voor het opvragen van documenten welke benodigd zijn ter onderbouwing van onze vordering. Mijns inziens kunnen wij niet op een andere wijze aantonen wat het verschil is tussen welke testen zijn vergoed c.q. afgenomen en hoeveel testen er zijn gedeclareerd bij de overheid.  Een incassoprocedure kan alleen worden gestart indien de vordering opeisbaar is (wederpartij dient in verzuim te zijn). Aangezien het louter een voorstel was vanuit HCC welke door jullie is afgewezen, kan er nog geen incassoprocedure worden gestart. (…) Ik ga ervan uit dat we met een art. 843a RV procedure een eind kunnen komen.” 2.9    Op 4 juli 2023 is er telefonisch contact geweest tussen H en verweerster. H mailt vervolgens aan verweerster:  “Je gaf aan dat een bodemprocedure rond de 7500 euro zal kosten. Wat kost een art. 843a Rv procedure ongeveer?”  2.10    Verweerster reageert diezelfde dag en schrijft: “Indien het tijdens de bodemprocedure wordt gevorderd worden er geen extra griffierechten in rekening gebracht. Anders dient het te worden gevorderd in kort geding, waarvoor de griffierechten € 676,- bedragen voor een niet natuurlijke persoon en er dient een extra dagvaarding te worden opgesteld (extra uren), te worden betekend (ongeveer € 130,-) en de administratie naar de rechtbank in tijd.” 2.11    Op 11 juli 2023 mailt verweerster aan H onder meer:  “We zullen de nodige achtergrondinformatie in de dagvaarding moet verwerken dus het lijkt mij verstandig het gehele verhaal uiteen te zetten zodat deze kan worden overgenomen in de dagvaarding van de bodemprocedure (scheelt een hoop tijd en daarmee kosten). Ik denk dat we daarom voor de dagvaarding en de mondelinge behandeling rond de € 3.000,- excl. aan honorarium komen.  Op grond van art. 5.12 kan de Partner een onafhankelijke accountant een audit laten uitvoeren naar de administratie van HCC indien de Partner een of meer facturen heeft afgekeurd zoals bedoeld in art. 5.10. Dit houdt in dat de factuur binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening dient te worden afgekeurd onder gedetailleerde opgaaf van redenen en met stukken ter onderbouwing daarvan. (…) Is e.e.a. via deze wijze verlopen?” 2.12    In de zomerperiode is er overleg geweest tussen klaagster en de wederpartij. Op 24 augustus 2023 is door of namens de wederpartij aan klaagster voorgesteld om drie tussentijdse (door klaagster aangewezen) afrekeningen te laten controleren door erkende registeraccountants. 2.13    Op 24 augustus 2023 mailt H aan verweerster onder meer dat procederen helaas de enige optie lijkt. 2.14    Verweerster reageert diezelfde dag en schrijft aan H onder meer: “Uit alle communicatie blijkt dat ze, ondanks de toezegging daartoe, geen openheid van zaken willen geven. De lijst van 22 augustus jl. geeft inderdaad weinig inzicht. De begeleidende e-mail daarentegen spreekt wel boekdelen, namelijk dat er (wederom) een laag aanbod wordt gedaan tegen het intrekken van claims en finale kwijting. De zaak riekt aan alle kanten.  Ik stel voor dat we gaan dagvaarden met het instellen van een incidentele vordering tot afgifte administratie.” 2.15    Op 27 augustus 2023 mailt verweerster aan H: “Ja die e-mails zijn leesbaar. Bedankt voor het toezenden van onderstaande informatie. Hieruit concludeer ik dat de heer [C] stelt dat jullie niet tijdig een audit hebben laten uitvoeren.” 2.16    Op 5 september 2023 mailt verweerster aan H onder meer: “Tot mijn spijt heb ik vandaag van de financiële administratie vernomen dat alle facturen tot nu toe onbetaald zijn gebleven. (…) inmiddels staat er een bedrag open van € 1.280,72. Bijgaand tref je de facturen en specificaties.” 2.17    Op 13 sept mailt verweerster aan H onder meer: “Tijdens onze bespreking van vorige week heb je te kennen gegeven en laten zien dat je foto’s hebt waaruit blijkt dat HCC over dezelfde periode verschillende uitbetalingsoverzichten heeft verstuurd en deze ook niet overeen komen met de door haar gedane betalingen. Ook heb je foto’s laten zien van controleformulieren welke niet overeen komen met de door HCC verstrekte overzichten. Je hebt aangegeven mij nog het e.e.a. toe te sturen met toelichting. Zou je mij deze stukken op korte termijn kunnen toezenden zodat de dagvaarding kan worden afgerond?” 2.18    H laat diezelfde dag per e-mail aan verweerster weten dat ze er mee bezig is en dat ze dit weekend het dossier hoopt af te geven. Ook schrijft H dat NH een rekening doorstuurde, zonder bijlage. Verweerster reageert diezelfde dag en stuurt onder meer de laatst verzonden declaratie en specificatie aan H. 2.19    Op 18 september mailt H aan verweerster onder meer: “Ik heb alle relevante stukken uitgeprint en zo goed mogelijk geprobeerd te ordenen. Het e.e.a. heeft wel wat toelichten nodig. Het lijkt mij efficiënter en beter om op korte termijn af te spreken, ik denk dat het max 30 min zal duren? (…) Alle facturen werden opgemaakt door HCC, de administratie en de hoeveelheid aan test afnames staan in het portaal van HCC, het grootste deel is gedeclareerd bij de overheid. (…) Kunnen wij hier wat mee in de dagvaarding, gezien het belangrijk is (…) wij de juiste gegevens krijgen om evt. opnieuw te factureren met het oog op de belastingdienst?” 2.20    Verweerster reageert diezelfde dag en mailt aan H onder meer:  “Om de vaart erin te houden stel ik een andere route voor. Bijgaand zend ik je de concept KG dagvaarding voor het opvragen van de administratie welke is opgesteld door collega mr. [B]. In de kantlijn tref je een aantal opmerkingen die dienen te worden beantwoord en een aantal bewijsopdrachten. Misschien kan je de gevraagde informatie aanleveren zodat we deze procedure in ieder geval aanhangig kunnen maken? Daarnaast hebben mijn collega en ik overleg gevoerd over het volgende. Het lijkt ons verstandig voorafgaand aan deze procedure een verlofrequest in te dienen voor bewijsbeslag (te weten op alle stukken die in de kort geding dagvaarding worden opgevraagd). Dan wordt de kans op vervreemding in de tussentijd aanzienlijk verkleind. Immers dient er slechts een eenzijdig verzoekschrift bij de rechter te worden ingediend op basis waarvan hij de toestemming zal verlenen. Dit is een procedurele route die vaker wordt gevolgd indien de kans aanwezig is dat bewijs in de tussenliggende periode zal worden vernietigd.”  2.21    Op 19 september 2023 om 11:15 uur laat H aan verweerster weten dat ze straks stukken komt afgeven. Ze schrijft daarbij: “wat betreft het beslag leggen dit is prima wat ons betreft. Zijn er ook nog nadelen/risco’s zoals mogelijke schadeclaims ofzo die dan onze richting op kunnen komen?” 2.22    Op 19 september 2023 om 16:34 uur mailt H aan verweerster onder meer: “Op een aantal stukken die ik heb afgegeven heb ik geschreven, ter info, wat uitleg en zienswijze (…) Ik hoop dat deze stukken je dagvaarding kunnen versterken. (…) Zie je vragen, antwoorden ,concept en verzoekschrift beslaglegging wel verschijnen.” 2.23    Op 6 oktober 2023 mailt verweerster aan H een concept dagvaarding (843a Rv). Zij schrijft daarbij:   “Aan de hand van de door jou verstrekte papieren is de dagvaarding aangepast. Deze zend ik je bijgaand. Het betrof nogal wat uitzoekwerk. Het commentaar zoals gegeven op de eerste versie van de dagvaarding was steeds vrij algemeen onder verwijzing naar de mapjes zonder dat het een chronologisch geheel was. Dat maakt het voor ons lastig zoeken waardoor er meer werk is gaan zitten in het opstellen van de dagvaarding dan aanvankelijk gedacht. Ook zijn op de aangeleverde papieren - althans degene die worden benoemd in de dagvaarding - handgeschreven opmerkingen geplaatst en/of accentueringen geplaatst. Dit mogen wij niet op deze wijze overleggen aan de rechtbank. De stukken moeten 'schoon' zijn. Vriendelijk verzoek ik je dus de genoemde stukken in de dagvaarding schoon aan te leveren.  Als de dagvaarding qua feiten voor jou akkoord is kan aan de hand daarvan het verlofrekwest worden opgesteld. Dan zouden we snel kunnen doorpakken om e.e.a. aanhangig te maken bij de rechtbank. In de kantlijn staan nog een aantal opmerkingen die dienen te worden beantwoord.” 2.24    Op 13 oktober 2023 stuurt de office manager van verweerster de aangepaste dagvaarding, inclusief productieoverzicht en producties (1 t/m 46) aan H. 2.25    Op 19 oktober 2023 mailt verweerster aan H: “Bijgaand zend ik je het concernoverzicht van de wederpartij, de aangepaste concept kort geding dagvaarding en het concept beslagrekest.  De documenten dienen nog te worden aangepast met de stukken die vanmiddag opnieuw bij jou zijn opgevraagd door mijn collega mevrouw (…) omdat deze niet goed leesbaar zijn. Eerst zal het beslagrekest worden ingediend. Zodra het verlof is toegekend dient binnen 14 dagen de dagvaarding te worden betekend en worden verzonden aan de rechtbank. (…) Ik hoop in de loop van volgende week het beslagrekest te kunnen indien.”  2.26    Op 25 oktober 2025 bedankt de officemanager H voor het toesturen van alle documenten, waarbij zij aangeeft dat het er op het eerst oog goed uitziet. 2.27    Op 7 november 2023 mailt de officemanager aan H dat een declaratie (van 4 oktober 2023, totaal € 4.478,62 inclusief BTW en kantoorkosten) onbetaald is gebleven, met het verzoek deze binnen zeven dagen te betalen. Diezelfde dag mailt de officemanager aan H dat (zoals telefonisch besproken) declaraties in het vervolg ook aan H zullen worden gestuurd.  2.28    Op 9 november 2023 om 12:50 uur mailt de office manager aan H:  “Ik heb contact opgenomen met de IT specialist, die door de deurwaarder werd geraden, met het verzoek ons een richtprijs te geven voor het op locatie(s) verzamelen van digitale gegevens waarop u beslag wil leggen. Hoeveel tijd er exact aan moet worden besteed, is natuurlijk nog niet inzichtelijk en zal ook mede afhankelijk zijn van aantal locaties en de mate van toegankelijkheid van de digitale systemen van de wederpartijen. Zie bijgaand de door ons ontvangen e-mail van de betreffende IT specialist met daarin opgenomen het uurtarief en voor reistijd rekent hij de helft van het uurtarief.  Mocht u hiermee akkoord gaan dan kunnen wij de betreffende IT specialist opnemen in het concept verzoekschrift beslaglegging.” In de bijgaande e-mail van de IT-specialist staat dat het uurtarief € 195,- excl. BTW is en dat voor reistijd 50% van het uurtarief wordt gehanteerd.  2.29    H reageert diezelfde dag en mailt aan de office manager: “Wat ons betreft is het goed, ga er van uit dat jullie wel weten wie je hiervoor moet inschakelen. Kun je nog wel een indicatie vragen betreft de uren die er normaal gesproken aan zoiets besteed worden?” 2.30    Op 16 november 2023 stuurt de officemanager een reactie van de ICT-deskundige op het concept verzoekschrift aan H, alsmede een aangepast concept verzoek bewijsbeslag. De officemanager vermeldt dat het griffierecht € 676,- bedraagt en dat de kosten van de deurwaarder en de ICT-deskundige en de advocaatkosten daar nog boven op komen.   2.31    Op 21 nov 2023 stuurt de officemanager een factuur aan H. Zij reageert diezelfde dag en schrijft: “Wij zitten ondertussen op circa 12.051 euro en de dagvaarding is nog niet de deur uit.  U gaf aan dat de bodemprocedure rond de 7500 euro zou kosten in de mail hieronder. Verwacht u nog veel uren hieraan te besteden en is het normaal dat deze procedure veel meer kost als een bodemprocedure, kan ik er vanuit dat dit geheel tegelijk voor het kort geding en een bodemprocedure gebruikt kan worden gezien de bestudering van alle stukken?” 2.32    Op 27 november 2023 is het verzoek bewijsbeslag bij de rechtbank ingediend. Op 28 november 2023 is het verlof verleend door de rechtbank. 2.33    Op 6 december 2023 mailt verweerster aan H onder meer: “Normaliter is het uurtarief van mr. [B] € 275,- per uur excl. kantoorkosten en btw. Omdat ik haar heb gevraagd de processtukken op te stellen i.vm. de ruimte in mijn agenda heb ik intern gevraagd haar uurtarief op € 235,- excl. kantoorkosten en btw vast te stellen. Dit is in de laatste factuur ook aangepast maar blijkbaar is haar uurtarief in eerder facturen niet op dit tarief gesteld. Waarvoor mijn excuses, dit dient dus nog gecorrigeerd te worden. Mijn collega (…) zal nog berekenen welk bedrag gecorrigeerd dient te worden. Ook heb ik op de laatste factuur een riant aantal uren in mindering laten brengen (op ‘nul’ gezet) omdat ik dit redelijk vond. Zoals je weet is er veel uitzoekwerk gaan zitten in de aangeleverde documenten. Voor het meeste werk heb ik het secretariaat ingeschakeld – dit wordt immers niet in rekening gebracht – om de kosten aan jullie zijde te drukken. Nogmaals, hier is veel werk in gaan zitten. Helaas ontkwam mijn collega mr. [B] er niet aan om de processtukken telkenmale aan te passen doordat de gegeven informatie wijzigde. Om deze reden heb ik geprobeerd dit te compenseren door een flink aantal uren in mindering te brengen. Het is van belang dat de beslaglegging en het kort geding goed wordt voorbereid om te voorkomen dat jullie straks misgrijpen. Dit betreft ook al de aan te spreken procespartijen. Jullie hebben deze informatie nodig om jullie vordering te onderbouwen. Het zou te risicovol zijn dat gegevens zouden worden vernietigd. Ik begrijp dat je tot nu toe gemaakte kosten hoog vind, maar de werkzaamheden zijn essentieel om de toewijsbaarheid van jullie vordering te onderbouwen. We hebben vandaag van de deurwaarder vernomen dat hij in afwachting is van een datum van de politie zodat er onder begeleiding beslag kan worden gelegd op de stukken. Wanneer er een datum gepland is wenst de deurwaarder graag een Teams call met ons te houden (ook met jullie erbij) om e.e.a. nog te bespreken. Ik ga ervan uit dat wij nu alle informatie van jullie zijde in ons bezit hebben, dat de relevante stukken in het dossier aanwezig zijn en middels de beslaglegging veilig worden gesteld en dat de opbouw van de vordering in de bodemprocedure minder tijd kost. Het kort geding is in een afrondende fase.” 2.34    Op 8 december stuurt de officemanager een factuur aan H (ter hoogte van € 7.909,86 inclusief btw en kantoorkosten). 2.35    Op 12 december 2023 (13:04 uur) schrijft H per e-mail aan verweerster onder meer: “Ik had u eerder gemaild over factuur van Oktober hierbij komt nu dan ook mijn beklag /hulpvraag over de forse factuur van November die wij afgelopen vrijdag hebben ontvangen. Jullie hebben tm november circa 18.659,56 ex btw gefactureerd. Ik ben het niet eens met deze hoge kosten. De facturen die wij nu krijgen komen niet eens in de buurt van wat wij eerder hebben besproken op 4 en 11 juli 2023. Er is nog niet eens een mondelinge zitting geweest. (…) Ik kan dit niet verantwoorden aan [NH]-[klaagster]. Heeft u de bedragen die u in ons telefonisch gesprek en via de mail aan mij doorgaf van 3000 euro voor KG en mondelinge behandeling en voor bodemprocedure 7500 wel besproken en doorgegeven aan mr [B]? De gedeclareerde uren zijn veel te hoog voor een gespecialiseerde advocaat. Ik had natuurlijk wel rekening gehouden met wat extra kosten maar dit is voor het KG 6x zoveel en dan zit er nog niet eens een mondelinge behandeling bij. Ik heb de uitleg die u op 6 december 2023 toestuurde gelezen maar dan nog verklaard dat voor mij niet de hoge facturen. Vooral omdat u ook nog zegt dat de meeste stukken door de mdw zijn gedaan die geen geld kosten en dat u de uren van u zelf heeft weggehaald. U zegt dat ze de dagvaarding telkenmale moest aanpassen doordat de informatie veranderde. Kunt u dit verduidelijken? De eerste dagvaarding is gemaakt zonder dat ik alle stukken had afgegeven maar u had al het e.e.a via de mail gehad. De meeste stukken had u dus al van begin af aan en in september heb ik de rest aangeleverd. Ik zie kantoor kosten, kosten van verschillende medewerkers en uren van u, maar de meeste uren van mevrouw [B] en met name die uren zijn veel te hoog. Kijkt u zelf eens hoevaak ze bijvoorbeeld uren berekende voor het bestuderen en opstellen van procestukken. circa 1200 euro aan kantoorkosten, meer dan 3800min mr [B], 436 min mr [verweerster], 227 min mr [X]. (…)  Met alle respect naar mr. [B] toe ze heeft goed aanvullend werk geleverd en er een mooi geheel van gemaakt en maar dit kan/mag niet zoveel geld kosten. Ik had en wilde ook langs komen om de stukken toe te lichten dan had het max 1 uur extra betaalde tijd gekost voor [klaagster]. Ik had dan al haar vragen kunnen beantwoorden en de stukken kunnen toelichten. Ik heb dit ook aangeboden in de mail. Het bewijsbeslag zou voort komen uit de dagvaarding zoals u aangaf dus dat zijn ook niet vele uren extra. Bijna alle stukken die relevant zijn en die ik heb gegeven /waar het omgaat zitten bij de dagvaarding en het bewijsbeslag om zoveel stukken gaat het niet. De contracten van overheid hebben de meeste pagina`s maar daarvan heb ik de belangrijkste punten apart toegezonden zodat niet alles gelezen hoefde te worden, dat heb ik ook zo in de mail gezet. Zij heeft zover ik kan zien alleen de stukken-punten verwerkt die ik haar apart heb toegezonden. Verder betreft het foto´s, mailtjes, signal, contracten van HCC die u bijna op een enkele na allemaal al had in September, die had ik allemaal al in de brievenbus gestopt of gemaild. Veel stukken zijn vele malen/dubbel opgevraagd bij mij omdat die niet meer te vinden waren-niet leesbaar waren-of die zijn niet doorgestuurd naar mr [B]. Jullie hadden de stukken dan al wel bestudeerd want als ik terugkijk in de diverse versies van de dagvaarding dan waren ze al wel verwerkt-benoemd maar niet als bijlage toegevoegd.” 2.36    Verweerster reageert op 12 december 2023 en schrijft aan H:  “Bedankt voor jouw uitgebreide reactie. Ik heb aan mijn collega mr. [B] gevraagd om een toelichting op de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Op voorhand wil ik wel te kennen geven dat de opgestelde stukken zeer uitgebreid zijn nu wij een bewijslast onzerzijds hebben en wij de juiste informatie moeten verkrijgen om een vordering te kunnen instellen. De stukken die jullie voorhanden hadden zijn onvoldoende om een vordering in te stellen en waren ook minder inhoudelijk dan aanvankelijk gedacht. De route die was voorgesteld was ook anders omdat is gebleken dat de benodigde informatie vrijwel geheel bij de wederpartij ligt en verspreid over diverse partijen en/of informatiekanalen. Naar mijn weten hebben we hierover gesproken, ook de hoeveelheid in het beding te betrekken partijen. Inzage was noodzakelijk, maar het veilig stellen van de informatie op voorhand is essentieel vanwege de kans dat het anders zou worden vernietigd. Nogmaals, een vordering kan alleen worden toegewezen indien dit kan worden onderbouwd. Wij dienen hierin een juridische afweging te maken. Bij een toewijzing van jullie vordering zal de wederpartij logischerwijs ook in de proceskosten worden veroordeeld (let op: nooit volledig) en verzacht dit misschien de nu te maken kosten.  Ik probeer z.s.m. inhoudelijk te reageren op de omvang van de verrichte werkzaamheden. Echter, de stukken en correspondentie zijn dusdanig ongestructureerd en onduidelijk aangeleverd dat wij met man en macht hebben geprobeerd hier een voor een rechter duidelijk verhaal van te maken. Mijn collega's van het secretariaat hebben veel werk verricht om de kosten julliezijds te drukken. Ik heb hierin ook op diverse momenten begeleiding en ondersteuning gegeven welke niet in rekening is gebracht. Daarnaast heb ik uit coulance het uurtarief van mijn collega verlaagd alsmede zijn vele uren weggestreept (op de laatste factuur is ongeveer de helft van de uren op een nultarief gezet). Dit is ook zichtbaar op de specificaties. Ik ben van mening dat dit goed onderbouwde processtukken heeft opgeleverd (waarvan één 38 pagina's betreft), het veilig stellen van de stukken is al toegewezen door de rechtbank. Ik vind het dan ook jammer om te horen dat je de gedeclareerde uren alsnog te hoog vind.  Helaas loopt e.e.a. nu langs elkaar. De deurwaarder heeft gebeld met de mededeling dat de politie morgen een datum kenbaar zal maken wanneer zij hen van begeleiding kunnen voorzien. Omdat wij kosten maken (deurwaarder, ICT bedrijf) om de beslaglegging uit te voeren, ben ik genoodzaakt de werkzaamheden 'on hold' te zetten zolang wij geen overeenstemming hebben omtrent de gemaakte kosten. Inmiddels staan er twee facturen open. Mijn collega [officemanager] heeft berekend dat er nog een bedrag van € 364,- excl. btw in mindering dient te worden gebracht vanwege het eerder gehanteerde tarief op factuur 202300247. Op de laatste factuur staat ook het reeds door ons betaalde griffierecht vermeld.” 2.37    Op 13 december 2023 mailt H aan verweerster onder meer: “We hebben al meer als 12000 euro betaald (…) het bedrag voor het kortgeding inclusief mondelingen behandeling zou 3000 kosten, wij zitten nu al op meer als 18000 euro. (…) Ik zie nergens op jullie website staan wie de klachtenfunctionaris/bemiddelaar is, is die er ook bij jullie” 2.38    Op 14 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij door verweerster een financieel voorstel aan H is gedaan. 2.39    H stuurt diezelfde dag per e-mail aan verweerster onder meer:  “Voorstel van jou is: de laatste rekening van november en werk tot aan zitting vervalt. Het totaal bedrag zal dan op 12.744,16 ex b.t.w komen (de afgelopen 5 nota's)  Dit is nog steeds ver boven het bedrag wat wij in de eerste instantie voor ogen hadden richtlijn was 3000 euro inclusief zitting.de uren van het bewijsbeslag en een groot gedeelte van bodemprocedure zit hier dan wel bij maar als nog is het veel meer.” H heeft in haar e-mail een ander voorstel gedaan. 2.40    Op 15 december 2023 reageert verweerster en schrijft aan H:   “Mijn voorstel is het uiterste bod wat ik kan en wil doen. Dit mede vanwege de tijdsdruk ivm dinsdag as. Dat heb ik gisteren uitgelegd en benadrukt.  Als wij geen overeenstemming hebben moet ik dinsdag afblazen omdat ik na het leggen van beslag genoodzaakt ben binnen 14 dagen de eis in de hoofdzaak aanhangig te maken. Dan zal ik mij moeten stellen als advocaat en ben ik dus het aanspreekpunt voor de wederpartij alsmede de rechtbank in het dossier.  Als er dinsdag geen beslag wordt gelegd kan je met alles wat je nu hebt naar een andere advocaat en daar e.e.a. in werking zetten.  Zoals gisteren uitgelegd door mr. [B] kunnen wij nog niet overzien welke werkzaamheden moeten worden verricht vóór de mondelinge behandeling, we zijn daarvoor ook afhankelijk van de wederpartij en de stappen die zij zullen zetten. Misschien willen ze in gesprek etc. Om deze reden kan ik geen toezegging doen voor het afschrijven van toekomstige verrichtingen.” 2.41    Op 17 december 2023 mailt H aan verweerster onder meer: “Je voorstel was laatste ontvangen nota November vervalt behalve griffierecht en werk tot aan de pleitnotitie zal niet meer berekend worden. Behalve als er werk bijkomt van tegenpartij n.a.v. beslag toch? Gezien wij al in de heat of the moment zitten en ze dinsdag actie gaan ondernemen lijkt het mij voor alle partij beter om door te gaan. (…) Kan je een nieuwe factuur sturen met de correctie en een credit nota?” H heeft in haar e-mail verder verschillende vragen aan verweerster gesteld.  2.42    Op 15 december 2023 is er (telefonisch) overleg gevoerd over de beslaglegging tussen verweerster, H, de IT-specialist en de deurwaarder. 2.43    Op 18 december 2023 heeft de officemanager de deurwaarder gevraagd naar de kosten voor het leggen van beslag. De deurwaarder heeft daar diezelfde dag per e-mail op gereageerd en onder meer aangegeven dat dit lastig op voorhand te begroten, dat er een uurtarief wordt gehanteerd en dat ter plaatste twee personen aanwezig zijn (dus € 360,- per uur). De officemanager heeft dit bericht diezelfde dag doorgestuurd aan H. 2.44    Het dossier bevat een creditfactuur d.d. 18 december 2023 voor de werkzaamheden in november 2023. Een bedrag van € 7.909,86 (inclusief btw en kantoorkosten) is gecrediteerd.  Het dossier bevat verder een urenspecificatie voor de gewerkte uren in december 2023. Deze uren zijn niet in rekening gebracht (totaal € 8.543,14 inclusief btw en kantoorkosten). 2.45    Op 19 december 2023 is bewijsbeslag gelegd. Het proces-verbaal van de deurwaarder van 19 december 2023 maakt onderdeel uit van het klachtdossier. De kosten voor de deurwaarder bedroegen € 9.700,37. 2.46    Op 9 januari 2024 mailt verweerster aan H onder meer: “Onderstaand tref je de reactie van [advocaat wederpartij]. (…) Ter bevestiging wij hebben wel degelijk de e-mail van […] d.d. 22 augustus 2023 ingediend bij het verzoek bewijsbeslag. Deze zal ook worden ingediend bij de dagvaarding. (…) Zoals eerder besproken komen er ten gevolge van de correspondentie met de door de wederpartij ingeschakelde advocaat additionele werkzaamheden om de hoek kijken. (….) lk heb de werkzaamheden van december niet gefactureerd (dit was wederom een bedrag rond de € 7.000,-). (…) De werkzaamheden van deze maand worden wel in rekening gebracht, dit ziet dus voornamelijk op de correspondentie met [advocaat wederpartij] van deze week alsmede de aanpassingen die de komende week dienen te worden gedaan in de dagvaarding.” 2.47    Op 11 januari 2024 reageert H en schrijft onder meer: “betreft je mail over de kosten die nu gemaakt worden-dit ziet dus voornamelijk op de correspondentie met [advocaat wederpartij] van deze week alsmede de aanpassingen die de komende week dienen te worden gedaan in de dagvaarding- ik vertrouw erop dat je dit zo efficiënt mogelijk doet gezien de kosten tot nu toe en wij niet weten of die vergoed gaan worden” 2.48    Op 17 januari 2024 mailt verweerster aan H onder meer: “We hebben nu ook in het petitum een onbepaald bedrag – te bepalen door de rechter – gevraagd voor de erkende ten onrechte in rekening gebrachte kosten. Hierdoor zal het griffierecht niet hoger worden”  2.49    In januari 2024 heeft verweerster de kortgedingdagvaarding uitgebracht. Een concept van de dagvaarding (zonder bijlagen) maakt onderdeel uit van het klachtdossier. Op 2 februari 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.  2.50    Op 28 februari 2024 heeft de rechtbank vonnis in kort geding gewezen. De rechtbank heeft alle vorderingen van klaagster afgewezen. Ook heeft de rechtbank in reconventie de vordering toegewezen tot opheffing van het bewijsbeslag binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom en uitvoerbaar bij voorraad. Klaagster is veroordeeld in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie. In het vonnis is onder meer overwogen:  “3.10.    Daarnaast vindt de voorzieningenrechter dat voldoende is gebleken dat een rechtsbetrekking bestaat tussen [klaagster] c.s en HDG en tussen [klaagster] c.s. en HCC, waarvan HDG enig aandeelhouder/bestuurder is. Dit geldt echter niet voor de stelling van [klaagster] c.s. dat ook tussen [klaagster] c.s. en de overige gedaagden afzonderlijk (…) een rechtsbetrekking bestaat. Alle vorderingen van [klaagster] ten aanzien van deze overige gedaagden zullen daarom worden afgewezen. (…) 3.13.     (…) Zowel vordering I als vordering II in het petitum zullen worden afgewezen. (…) 3.16.    Het onder 1 van het petitum gevorderde in alle varianten (…) voldoet niet aan het criterium ‘bepaalde bescheiden’. Ook niet met toepassing van de eventuele selectiecriteria. [Klaagster] c.s. heeft namelijk onvoldoende onderbouwd gesteld van welke bescheiden om inzage of afschrift wordt verzocht, terwijl zij dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel had kunnen en moeten bepalen. (…) 3.19.    Ook vordering II van het petitum voldoet niet aan het criterium ‘bepaalde bescheiden’. (…) Daarnaast had het ook hier op de van [klaagster] c.s. gelegen om bij de verschillende bescheiden afzonderlijk specifiek aan te geven op welke entiteit(en) van [klaagster] c.s.  en van HCC c.s. deze rechtsbetrekking van toepassing is. In het algemeen alle eiseressen onder ‘[klaagster]’ scharen is niet juist, omdat dit niet overeenkomst met de werkelijkheid.. Eiseressen zijn immers formeel los van elkaar staande entiteiten met eigen rechtsbetrekkingen. (…) 3.20.    In aanvulling hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bepaalde in artikel 843a lid 4 Rv aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Uit de stukken blijkt namelijk dat HCC c.s. meerdere malen een aanbod aan [klaagster] c.s. heeft gedaan om drie door [klaagster] c.s. aan te wijzen tussentijdse afrekeningen te laten controleren door een registeraccountant die is aangewezen door HCC c.s. en door een registeraccountant die [klaagster] c.s. zelf mag inschakelen. (…) Op deze manier kan dus ook langs een andere minder ingrijpende weg, namelijk buiten rechte via een registeraccountant, het bewijs worden verkregen. [Klaagster] c.s. is voor zover bekend nooit ingegaan op dit aanbod en heeft ook geen tegenvoorstel gedaan. (…) 3.23.    (…) Deze vordering is te onbepaald en zal daarom niet worden toegewezen. Het is de voorzieningenrechter immers niet toegestaan mee te procederen en zelf met een juridische oplossing voor het door [klaagster] c.s. geschetste probleem te komen. (…) 3.30    (…) De juistheid van de afrekening door HCC c.s met [klaagster] c.s. had bovendien ook op een andere minder ingrijpende manier gecontroleerd kunnen worden. Uit de stukken blijkt immers dat HCC c.s. meerdere malen een aanbod aan [klaagster] c.s. heeft gedaan om drie door [klaagster] c.s. aan te wijzen tussentijdse afrekeningen te laten controleren door een registeraccountant (….). Tijdens de mondelinge behandeling is dit aanbod nogmaals herhaalt en zelfs uitgebreid met de mededeling dat nog onderhandeld zou kunnen worden over het aantal te controleren afrekeningen. (…) 3.31     Uit het voorgaande volgt dat het beslag destijds onnodig en daarmee onterecht is gelegd nu een alternatieve (minder ingrijpende) methode mogelijk was om hetzelfde doel te bereiken. Daarbij wordt ook opgemerkt dat het feit dat HCC c.s. dit aanbod (meermaals) heeft gedaan niet, althans onvoldoende, duidelijk naar voren is gekomen in het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag. In het lichaam van het verzoekschrift is dit aanbod immers in het geheel niet aan de orde gekomen, terwijl het benoemen van alle relevante feiten en omstandigheden wel een vereiste is voor beslaglegging.” 2.51    Over het door de deurwaarder te verstrekken certificaat van vernietiging is tussen (de advocaten van) partijen onenigheid ontstaan. Op 29 februari 2024 mailt verweerster aan de advocaat van de wederpartij:  “Zoals zojuist telefonisch ook u toegelicht wil ik geen misbruik maken van hetgeen geschreven in het vonnis, ik wil namens cliënte juist spoedig uitvoering geven aan het oordeel van de rechter. Onder 4.2 staat opgenomen dat er een certificaat van vernietiging dient te worden afgegeven aan ondergetekende, hetgeen ik heb gevraagd aan de bewaarder. Tevens heb ik gevraagd u hierover te berichten. We hebben met elkaar afgesproken dat ik op voorhand als oplossing de bewaarder zal berichten ons beiden een certificaat af te geven binnen de verstrekte termijn van vijf dagen na betekening, hetgeen volgens u vandaag zal geschieden.” 2.52    Op 6 maart 2024 heeft een (klacht)gesprek tussen H en verweerster plaatsgevonden. In een door klaagster opgestelde transcriptie van het gesprek is vermeld dat verweerster het volgende naar voren zou hebben gebracht:  “ik heb nog tegen [mr. B] gezegd joh ik krijg bijna de indruk dat die rechter dat die, dat die geld heeft ontvangen om dit op papier te zetten” 2.53    Op 6 maart 2024 mailt H aan verweerster onder meer: “Wanneer ga je reageren op de mail van [advocaat wederpartij] waarin hij vraagt om een reactie i.v.m. een dreigende claim? Gezien de tijd doortikt en wij nu met onze rug tegen de muur staan vraag ik je z.s.m. te reageren zodat wij waren waar de tegenpartij staat en wat jou verweer is op de stellingen van [advocaat wederpartij]/tegenpartij.” H stelt in haar e-mail diverse vragen over onder meer de mogelijkheid van hoger beroep en het beslag. 2.54    Op 7 maart 2024 mailt verweerster aan H onder meer:  “Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat ook ik teleurgesteld ben over de uitkomst van de procedure en dat ik begrijp dat jullie dit als zeer vervelend ervaren. Zoals gisteren besproken is mijn college mr. [B], degene die de processtukken heeft opgesteld, voorlopig niet werkzaam wegens ziekte. Dat maakt het lastig voor mij om te beoordelen waarom zij bepaalde keuzes heeft gemaakt voor het opstellen van de stukken. (….) Nu de kortgeding procedure is afgerond, zouden jullie een bodemprocedure kunnen ingaan om in ieder geval de door HCC toegezegde bedragen alsmede materiaalkosten te vorderen. Hierin zouden jullie wederom een incidentele vordering tot afgifte / inzage administratie kunnen opnemen. De vraag is of de eerder gevraagde administratie dan nog voorhanden is. Het gevaar was juist dat dit zou worden vernietigd indien er bij een procedure een vordering tot afgifte / inzage zou worden ingesteld. Het bewijsbeslag diende nu te worden vernietigd, een beroepsprocedure tegen het KG vonnis zou dit niet kunnen terugdraaien. De vraag is dan ook of dit verstandig is gelet op de tijd en kosten die dit met zich meebrengt. (….) Ik heb slechts te kennis gegeven dat ik volledig sta achter de processtukken die door mijn collega zijn opgesteld. De toets tot het leggen van het bewijsbeslag is veel beperkter dan in een KG tot afgifte/inzage. Indien het aanbod van 3 facturen meer concreet naar voren was gekomen in het verzoekschrift tot bewijsbeslag zou dit niet automatisch betekenen dat het verzoek was afgewezen. Ook omdat er in het verzoekschrift wel is ingegaan op het aanbod bemiddeling van (…) en daaraan ook uitvoering is gegeven. Dit leverde voor jullie onvoldoende op, reden waarom jullie alsnog een procedure wilden starten.  Ik zou je eventueel nog kunnen aanbieden om tegen gereduceerd tarief te werken (€ 175,- per uur) om jullie tegemoet te komen. Echter, op basis van de inhoud van de bespreking van gisterochtend maar ook onderstaande e-mails is er mijns inziens te weinig vertrouwen, zeker nu je een aantal keer aansprakelijkheid van schade ter sprake hebt gebracht, om de werkzaamheden voort te zetten.” 2.55    Op 8 maart 2024 stuurt een financieel medewerker van verweersters kantoor een factuur aan NH. De factuurdatum is 29 februari 2024.  2.56    Op 20 maart 24 om 13:30 uur mailt verweerster aan H:   “Het bericht blijft maar wijzigen en ik dien elke keer weer le controleren wat je hebt gewijzigd n.a.v. de tekst die ik jou heb verstuurd. Dit is lastig werken. lk voel mij ook niet meer senang bij de aanpassingen die je nu voorschrijft in 'rood' waarvan je stelt dat deze feitelijk niet juist zijn omdat wij telkens het verweer hebben gevoerd dat jullie zonder volledige inzage niet konden aanwijzen welke afrekeningen dienden te worden gecontroleerd en waarop. Dan zijn wij thans verkeerd ingelicht. Ook blijkt niet uit het lichaam van de dagvaarding niet dat het bedrog ad. € 65.280,- daadwerkelijk is erkend. Kortom, dit zou de wederpartij waarschijnlijk wederom als een onjuiste stellingname betitelen. Om deze reden kon ik don ook niet instemmen met een verzending van het door jou aangepaste bericht.” 2.57    Op 20 maart 2024 om 17:55 uur mailt H aan verweerster: “Ik kreeg onderstaand mail van 8 maart 2023 van [NH] doorgestuurd. Zie mail 7 november 2023 van [office manager], facturen zouden naar mij verzonden worden. Is [financieel medewerker] niet op de hoogte van onze afspraak dat jij de nota’s zou achterhouden, dat wij geen openstaande nota’s meer hebben en dat wij ook geen nota’s meer zouden krijgen van jou? Jij hebt dit op 6 maart j.l. tijdens de bespreking meermaals gezegd.” 2.58    Op 25 maart 2024 reageert verweerster aan H onder meer: “Dit is niet hetgeen ik tijdens de bespreking van 6 maart jl. kenbaar heb gemaakt. Op de vraag of jullie een factuur zouden ontvangen van de betreffende bespreking heb ik gezegd dat het betreffende gesprek niet in rekening zou worden gebracht. De verrichte werkzaamheden na deze datum heb ik ook niet meer in rekening gebracht. Deze facturen zijn echter al van vóór deze periode (werkzaamheden januari en februari). Op 14 december 2023 heb ik v.w.b. onze eerdere uren uit coulance voorgesteld om a) een aanzienlijk factuur te crediteren en b) de werkzaamheden tot aan de het opstellen van de pleitnota niet in rekening te brengen (dit betreft tezamen ongeveer een bedrag van € 14.000 excl. btw) tenzij er werkzaamheden dienden te worden verricht n.a.v. het beslag omdat ik niet kon voorzien hoe de wederpartij zou reageren. Omtrent dit laatste zou ik je informeren (hetgeen ik heb gedaan op 9 januari jl). Met dit voorstel ben je akkoord gegaan. Hetgeen je per e-mailbericht hebt gestuurd aan mijn collega (…) is dan ook beslist onwaar. De facturen bestaan daarnaast niet alleen uit de door ons verrichte werkzaamheden maar betreffen ook kosten van derden (griffierecht, IT bedrijf) die door ons kantoor al zijn betaald. Verder heb je mij n.a.v. mijn e-mailbericht d.d. 7 maart jl. mij ook niet meer bericht of ik de werkzaamheden dien voort te zetten. Gelet op de latere e-mailcommunicatie alsmede het inmiddels (wederom) gerezen geschil v.w.b. de facturatie dien ik hierbij expliciet te kennen te geven dat ik mij onttrek als advocaat wegens een gebrek aan vertrouwen.” 2.59    H reageert diezelfde dag en schrijft aan verweerster onder meer: “Ik heb je eerder te kennen gegeven dat ik nog terug kom op je mail van 7 maart. (…) Ik ga z.s.m inhoudelijk reageren daarop en op onderstaande mail waar wij het niet mee eens zijn de facturen blijven betwist. Wie is jullie Klachtenfunctionaris behandelaar? Je bent nog steeds een antwoord verschuldigd aan [advocaat wederpartij] en daarbij een cc aan ons, je hebt toegezegd dit te doen maar hebt ondertussen alweer verschillende mails naar mij gestuurd maar nog geen enkel duidelijk bericht verzonden aan [advocaat wederpartij] met de standpunten en de vragen. De mail naar de rechtbank met het verzoek tot procesverbaal wil ik graag hebben daarnaast zie ik het aangepaste vonnis en procesverbaal als die er zijn graag z.s.m tegemoet.” 2.60    Op 29 maart 2024 stuurt H een e-mail aan onder meer verweerster met als onderwerp “Kosteloos!! Klacht gehele gang van zaken /betwisting facturen/dringend verzoek om klachtenfunctionaris en Deken/ Geld terug betalen!’. De mail bevat onder meer een klachtbrief. 2.61    Op 10 april 2024 stuurt een financieel medewerker van verweersters kantoor een declaratie (van 10 april 2024, totaal € 780,-) aan NH. NH stuur de factuur door aan H. H mailt daarop op 11 april 2024 aan de financieel medewerker onder meer:  “Ik heb geen idee waar dit van is. Betreft 23 maart 2024 en er staat onderzoekskosten bij. Ik weet niet wat [verweerster] aan het onderzoeken is maar ik ga daar niet voor betalen want hebben dat niet afgesproken.” 2.62    Op 12 april 2024 mailt de financieel medewerker aan H dat hij graag wil langskomen en dat de insteek van de bespreking is ‘de openstaande en reeds betaalde facturen te bespreken en de inhoudelijke kant van de facturen.’ Ook wil hij bespreken ‘hoe we met elkaar omgaan inzake uw klachten.’ 2.63    Op 14 april 2024 reageert H en laat aan de financieel medewerker weten dat zij graag op korte termijn afspreekt op het kantoor van verweerster, mede omdat daar ook het hele dossier ligt. 2.64    Op 17 april 2024 mailt de financieel medewerker aan H dat de insteek van de bespreking die hij in zijn e-mail van 14 april heeft aangegeven sterk afwijkt van wat H wil bespreken. Hij schrijft dat hij om die reden wat hij wilde bespreken op papier heeft gezet en ook drie voorstellen heeft gedaan.    2.65    Op 25 april 2024 reageert H en schrijft onder meer:  “Ik had verwacht dat er een persoonlijk en constructief gesprek zou plaatsvinden om alle klachten, facturen en nog lopende zaken niet afgehandelde zaken met [kantoor] te bespreken. (…) Wij zijn tot op heden niet in contact gekomen met een Klachtenfunctionaris. Is het niet zo dat elk advocatenkantoor dat moet hebben (…) Zoals ik je al heb laten weten heeft [verweerster] tijdens onze gesprekken begin maart 2023 n.a.v. de uitspraak en de klachten duidelijk gezegd dat ze de kosten en uren achter zou houden en dat wij geen facturen meer krijgen, ik vroeg haar duidelijk of wij klaar waren met betalen waarop zij ja zei. (…) Eerder heb ik al verzocht om de verzonden e-mail met de factuur van januari nogmaals door te sturen zodat ik kan zien wanneer die naar ons is verzonden. Wij hebben alleen een herinnering eind maart hiervan ontvangen. (…) Voor wat betreft de griffiekosten (betwist): Die hebben wij al één keer betaald, zie eerdere factuur waarop € 676 is berekend, en zie bijlagen mail voor wat betreft de griffierechten voor het kortgeding. Het bedrag van het griffierecht klopt dus totaal niet (€ 2.889).” 2.66    Op 26 april 2024 reageert de financieel medewerker en schrijft aan H onder meer: “1. Er is bij [kantoor] geen Klachtenfunctionaris en is ook niet verplicht. Zoals in mijn eerder schrijven aangegeven dienen jullie voor klachten naar de Geschillencommissie Advocatuur volgens artikel 9 van de Algemene voorwaarden [kantoor] welke door jullie is geaccordeerd. 2. Ik heb in mijn mail dd. 17 april jl. een overzicht gemaakt van alle betaalde en onbetaalde facturen om een overzicht te verstrekken van alle gemaakte uren en mijn voorstel om ter finale kwijting daarvan 50% voor rekening van [kantoor] te nemen. Alle klachten/ opmerkingen en verzoeken om aanpassingen over de facturen vallen hieronder dus daar ga ik nu niet op in c.q. wijs ik af. 3. Griffierecht ad € 676.00 is betaald voor de beslaglegging en € 2.889 voor het kort geding. Dat dit in de factuur op 0,00 stond heeft te maken dat de belasting door de Rechtbank aan ons nog niet binnen was. Inmiddels is dat wel zo en hebben wij het griffierecht betaald. (…) Jullie kunnen voor 6 mei a.s. naar de Geschillencommissie Advocatuur en dan moeten wij voor die datum van de Geschillencommissie wel bericht krijgen dat de klacht inclusief de bijbehorende stukken door jullie zijn ingediend. (Het geschil is dan uiteraard de totale openstaande facturen ad € 18.920.50 waar een bindend advies voor wordt gegeven. Of Jullie accepteren mijn voorstel voor een creditnota ad € 6.949,51 incl. btw en voor 6 mei wordt door jullie het resterende bedrag ad € 11.970,99 betaald. Als geen gebruik wordt gemaakt van een van beide mogelijkheden zal ik, op 6 mei a.s. de sommatie verzenden en op 13 mei jullie in rechte erbij betrekken en gaan dagvaarden. Uiteraard voor het gehele openstaande bedrag ad € 18.920.50 exclusief rente en gerechtelijke -en buitengerechtelijke kosten.” 2.67    Op 28 november 2024 heeft klaagster verweerster (c.q. haar kantoor) aansprakelijk gesteld. 2.68    Verweerster heeft diezelfde dag de ontvangst van het bericht bevestigd en laten weten dat zij de klacht doorzet naar haar verzekeraar. 2.69    Op 15 januari 2025 heeft de verzekeraar aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen. 2.70    Het dossier bevat een ongedateerde notitie (2 pagina’s) van mr. B.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    Kwaliteit dienstverlening: Verweerster heeft klaagster verkeerd voorgelicht. Er is sprake van misleiding, dwaling en bedrog. Zij wilde gelijk procederen en heeft klaagster niet gewezen op een andere, mogelijk minder risicovolle, aanpak. Verweerster is een kansloze beslaglegging begonnen. Verweerster heeft (beroeps)fouten gemaakt en de waarheidsplicht geschonden in de procedure. Verweerster heeft na het vonnis niet gehandeld om de schade te beperken.  b)    Financiën: Verweerster heeft excessief gedeclareerd c.q. (veel) meer gedeclareerd dan vooraf afgesproken. Er waren prijsafspraken gemaakt (€ 3.000,- / € 7.500,-), maar verweerster heeft zich daar niet aan gehouden. Zij heeft ook niet gewaarschuwd op het moment dat het afgesproken bedrag werd overschreden. Verweerster deed het voorkomen alsof het bewijsbeslag een simpele bijzaak was die maar een paar extra uurtjes zou kosten. Verweerster heeft niet vooraf de hoge kosten voor onder meer de deurwaarder benoemd.  Zij heeft een andere advocaat bij de zaak betrokken en gaandeweg dubbele uren berekend. Ook zijn vele uren aan studie besteed. De griffiekosten bleken uiteindelijk veel hoger dan vooraf door verweerster gemeld. De verstrekte facturen kloppen niet. Verweerster wil geen geld teruggeven, terwijl zij de bodemprocedure niet meer gaat doen.  c)    Klacht/afhandeling dossier: Verweerster heeft haar werk niet afgemaakt. In plaats van haar fouten te erkennen zegt ze dat het erop lijkt dat de rechter is omgekocht. Klaagster wordt totaal genegeerd wat de klachten betreft. Verweerster(’s kantoor) heeft geen klachtfunctionaris. Zij heeft in het klachtgesprek gezegd dat klaagster geen facturen meer zou krijgen en niets meer verschuldigd was, maar toch volgden er nog facturen.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) - kwaliteit 5.2    Klaagster maakt verweerster allereerst een aantal verwijten die zien op de kwaliteit van de bijstand. Zo verwijt klaagster verweerster dat zij gelijk wilde gaan procederen en klaagster niet heeft gewezen op een andere (mogelijk minder risicovolle) aanpak. De raad begrijpt uit het dossier dat klaagster zich in mei 2023 tot verweerster heeft gewend voor bijstand. Verweerster heeft daarop eerst de wederpartij aangeschreven. Daarna heeft klaagster in de zomermaanden van 2023 (kennelijk zonder bijstand van verweerster) nog onderhandeld met de wederpartij, maar dit heeft niet tot het voor klaagster gewenste resultaat geleid. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat het voorstel van de wederpartij – een beperkt (accountants)onderzoek c.q. controle van slechts een paar facturen – voor klaagster onvoldoende was. Dat verweerster op dat moment adviseerde om te gaan procederen is tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk. Niet kan worden gezegd dat verweerster uit eigen beweging direct wilde gaan procederen. Dit verwijt is daarmee ongegrond. 5.3    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij klaagster verkeerd heeft voorgelicht en een kennelijk kansloze beslaglegging is begonnen. Dat de beslaglegging kansloos was, kan de raad niet vaststellen. Daarvoor is niet voldoende dat de voorzieningenrechter de art. 843a Rv-vordering heeft afgewezen en heeft overwogen dat het beslag destijds onnodig en daarmee onterecht is gelegd. Dat klaagster (juridisch inhoudelijk) verkeerd is voorgelicht, kan de raad evenmin vaststellen. Het is duidelijk dat het vonnis van 28 februari 2024 teleurstellend is geweest voor klaagster. Een voor klaagster negatief vonnis betekent echter niet automatisch dat verweerster tekort is geschoten en/of (beroeps)fouten heeft gemaakt. De raad kan dat op grond van alleen het vonnis en een conceptdagvaarding onvoldoende vaststellen. Dat de waarheidsplicht zou zijn geschonden, kan de raad ook niet vaststellen. Verweerster is afgegaan op de door klaagster aangeleverde stukken, terwijl zij de vervolgens op basis daarvan opgestelde processtukken tevoren aan klaagster ter accordering heeft voorgelegd.    5.4    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij na het vonnis niet heeft gehandeld om de schade te beperken. Het is de raad onduidelijk wat klaagster vindt dat verweerster op dat punt had moeten doen. Verweerster heeft klaagster bij e-mail van 7 maart 2024 geïnformeerd over de mogelijkheid van een bodemprocedure. Verweerster heeft daarbij ook aan klaagster laten weten dat een hoger beroep tegen het vonnis van 28 februari 2024 de vernietiging van het bewijsbeslag niet kon terugdraaiden. Klaagster lijkt zich op het standpunt te stellen dat verweerster per omgaande na het vonnis een nieuw verzoekschrift tot bewijsbeslag had moeten indienen. De raad kan dat niet volgen. Klaagster en verweerster hebben verder gecorrespondeerd over een reactie aan de advocaat van de wederpartij. Dit heeft niet tot overeenstemming geleid en verweerster heeft klaagster daarom op 20 maart 2024 laten weten dat zij niet kan instemmen met het door klaagster voorgestelde bericht. Onder meer dit heeft er kort daarna toe geleid dat verweerster haar werkzaamheden heeft beëindigd.  5.5    De raad is dan ook van oordeel dat op basis van de in het klachtdossier aanwezige stukken niet kan worden vastgesteld dat verweerster ondermaatse kwaliteit heeft geleverd. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond. Klachtonderdeel b) - financiën 5.6    Klaagster maakt verweerster daarnaast diverse verwijten die zien op de financiële kant van de zaak. De raad stelt daarbij voorop dat de tuchtrechter geen oordeel geeft over declaratiegeschillen. Wel beoordeelt de tuchtrechter of sprake is van excessief declareren. Of daarvan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. De raad kan in dit geval niet precies vaststellen welk bedrag door verweerster uiteindelijk in rekening is gebracht aan klaagster. In het klachtdossier lijken enkele (credit)facturen te ontbreken. Door klaagster is een bedrag van zo’n € 70.000,- genoemd, maar dit is door verweerster betwist en dit bedrag lijkt ook de (forse) kosten voor onder meer de deurwaarder en de IT-specialist te bevatten. Welk bedrag nu precies aan klaagster is gedeclareerd voor door verweerster en haar kantoor gemaakte kosten van rechtsbijstand, blijft voor de raad onduidelijk. 5.7    Uit de in november/december 2023 gevoerde correspondentie blijkt wel dat er in november 2023 zo’n € 12.050,- was gedeclareerd (zie e-mail 21 november 2023) en in december 2023 zelfs al ruim € 18.000,-. Dat was fors meer dan de in de zomer van 2023 door verweerster gemaakte inschattingen van € 7.500,- voor een bodemprocedure en € 3.000,- voor een art. 843a Rv-procedure (zie e-mailcorrespondentie 3 t/m 11 juli 2023). Verdere financiële vastlegging van de te verwachten kosten ontbreekt: in de ontvangstbevestiging wordt alleen het uurtarief genoemd. De raad is van oordeel dat verweerster klaagster hierover meer c.q. beter had moeten voorlichten. Pas op het moment dat klaagster aan de bel trok over de kosten is het (begin december 2023) tot een gesprek gekomen hierover. Op dat moment waren er echter al forse kosten gemaakt. Verweerster had klaagster vooraf én gaandeweg beter moeten informeren over de te verwachten omvang van de (extra) kosten die de zaak, met name het te leggen bewijsbeslag, met zich zou brengen. Verweerster had dat moeten doen op het moment dat zij met klaagster de mogelijkheid van het bewijsbeslag besprak. Dat verweerster klaagster heeft geïnformeerd over de (extra) kosten van het bewijsbeslag blijkt niet uit de gevoerde correspondentie. Verweerster heeft op 18 september 2023 per e-mail voorgesteld om bewijsbeslag te leggen, zonder daarbij op de (te verwachten) kosten in te gaan. Op dat moment had verweerster een eerste concept voor het verzoekschrift reeds laten opstellen. Klaagster werd pas kort voor/rondom het daadwerkelijk leggen van het beslag geconfronteerd met forse kosten van onder meer de deurwaarder en IT, waarbij bovendien slechts uurtarieven zijn doorgegeven en – ondanks verzoek daartoe – aan klaagster geen inschatting van de totale kosten is gegeven. Verweerster heeft klaagster daarover onvoldoende voorgelicht, waardoor klaagster dit financiële aspect van de zaak niet heeft kunnen meenemen in de afweging om wel of geen bewijsbeslag te gaan leggen. Verweerster had klaagster ook moeten informeren c.q. waarschuwen op het moment dat de eerdergenoemde kosteninschattingen werden bereikt en/of overschreden. De raad is van oordeel dat verweerster op het punt van de (te verwachten) kosten te weinig met klaagster heeft gecommuniceerd. Klaagster maakt verweerster daarvan terecht een (tuchtrechtelijk) verwijt. Dit klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.  5.8    Ook rondom het griffierecht voor het kort geding is klaagster niet goed geïnformeerd. Verweerster heeft aangegeven dat het griffierecht daarvoor € 676,- bedroeg. In januari 2024 heeft verweerster het petitum van de dagvaarding gewijzigd in een onbepaald bedrag, waarbij ze aan klaagster schreef dat het griffierecht hierdoor niet hoger zou worden (zie e-mail 17 januari 2024). Het griffierecht blijkt later toch € 2.889,- te bedragen (zie de e-mail van de financieel medewerker van 26 april 2024). Verweerster had klaagster ook daarover correct moeten informeren. Ook in zoverre kan verweerster een verwijt worden gemaakt en is dit klachtonderdeel gegrond. 5.9    Voor zover dit verwijt ook ziet op het betrekken van een tweede advocaat (mr. B) bij de behandeling van de zaak, geldt dat het inschakelen van een kantoorgenoot op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In de (bij de opdrachtbevestiging behorende) algemene voorwaarden is opgenomen dat het kantoor bepaalt door welke advocaat/advocaten de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het was bovendien bij klaagster bekend dat ook mr. B werkzaamheden uitvoerde. Zij heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Dat gaandeweg dubbele uren zouden zijn berekend, zoals klaagster stelt, kan de raad niet vaststellen. Kennelijk zijn in ieder geval voor de zitting van 2 februari 2024 kosten voor zowel verweerster als mr. B in rekening gebracht. Dat is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar op het moment dat zij ook beiden (vanuit hun specialisme) hun inbreng bij (de voorbereiding van) die zitting hebben gehad. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond. 5.10    Klaagster verwijt verweerster nog dat zij geen geld wil teruggeven, terwijl zij de bodemprocedure niet meer gaat doen. Of verweerster nog geld aan klaagster moet terugbetalen, is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter. De raad zal zich daarover dan ook niet verder uitlaten. Klachtonderdeel c) – klacht/afhandeling dossier 5.11    Klaagster is verder ontevreden over de afhandeling van haar klacht en de afhandeling van haar dossier. De raad acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster in maart 2024 haar werkzaamheden voor klaagster heeft beëindigd. Tussen klaagster en verweerster was een verschil van mening ontstaan en verweerster kon op dat moment concluderen dat het vereiste vertrouwen niet langer aanwezig was. Zij kon dan ook haar werkzaamheden beëindigen (zie gedragsregel 14 lid 2).  5.12    Klaagster stelt dat zij totaal werd genegeerd wat de klachten betreft. De raad kan klaagster daarin niet volgen. Er heeft een klachtgesprek plaatsgevonden op 6 maart 2024. Vervolgens is er nog gecorrespondeerd, zowel tussen klaagster en verweerster, alsook tussen klaagster en de financieel medewerker van het kantoor. Dat de inhoud van die berichten niet naar klaagsters wens is geweest, betekent niet dat haar klachten zijn genegeerd. Over de op 6 maart 2024 tijdens het klachtgesprek gemaakte afspraak over de facturen verschillen klaagster en verweerster van mening. De raad kan niet vaststellen wat precies is afgesproken en of klaagster daarna terecht of niet facturen heeft ontvangen. 5.13    Bij haar klacht dat verweerster zou hebben gezegd dat de rechter lijkt te zijn omgekocht, heeft klaagster geen belang. Daar komt bij dat op grond van alleen de overgelegde (gedeeltelijke) transcriptie niet kan worden vastgesteld in welke context verweerster dit heeft gezegd en met welke toonzetting. De raad gaat daarom aan dit klachtonderdeel voorbij.  5.14    Kennelijk had het kantoor waar verweerster werkte geen klachtenfunctionaris. Dat is een verwijt wat aan (het bestuur van) het kantoor gemaakt dient te worden en niet aan verweerster. De raad ziet op dit punt bovendien niet hoe klaagster hierdoor in haar belangen is geschaad. Er heeft een klachtgesprek plaatsgevonden en er is over haar klachten gecorrespondeerd. Klaagster had zich vervolgens kunnen wenden tot de Geschillencommissie, zoals haar door de financieel medewerker ook is verteld. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.  Tot slot 5.15    Voor zover klaagster in haar nagezonden stukken, waaronder de stukken van 10 maart 2025, nieuwe klachten heeft ingediend, geldt dat de raad die buiten beschouwing heeft gelaten. Dit zou namelijk artikel 46c van de Advocatenwet doorkruisen, waarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek doet. De raad is daarom bij het vaststellen van de klacht alleen uitgegaan van en afgegaan op de door klaagster bij de deken ingediende stukken. 

6    MAATREGEL 6.1    Verweerster heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de te verwachten (extra) kosten van haar zaak. Verweerster heeft bij aanvang van de zaak een kosteninschatting gegeven. Deze bleek achteraf veel te laag: de facturen overtroffen al binnen enkele maanden de gegeven inschatting. Verweerster heeft klaagster niet geïnformeerd op het moment dat het bedrag van de kosteninschatting werd overschreden. Zoals in de notitie van mr. B is opgemerkt had klaagster de verwachting dat de kosten laag waren. Die verwachtingen zijn door verweerster geschapen en zijn, achteraf gezien, veel te rooskleurig aan haar voorgespiegeld. Verweerster is op het punt van de financiële voorlichting tekortgeschoten, met als gevolg dat klaagster werd overvallen door forse kosten die zij niet had verwacht en ook niet had kunnen voorzien. 6.2    De raad is van oordeel dat hiervoor een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats is en legt daarom de maatregel van waarschuwing op. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.  7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel b deels gegrond, zoals overwogen in 5.7 en 5.8; -    verklaart klachtonderdeel b voor het overige ongegrond; -    verklaart klachtonderdelen a en c ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, G. Sarier, M.F.H. Broekman en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 oktober 2025