Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:236
Zaaknummer
25-428/AL/NN
Inhoudsindicatie
Klaagster, een stichting die juridische dienstverlening aan klanten geeft, heeft onder meer namens een klant over verweerster, de advocaat van de wederpartij van die klant, geklaagd. De raad kan, evenals de deken, niet vaststellen dat de stichting de klant in de tuchtzaak mag vertegenwoordigen. Die klant wordt aldus niet als klagende partij aangemerkt. De klachten van de stichting zelf en van een medewerker worden deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond geoordeeld. De raad is niet gebleken dat verweerster zich onprofessioneel richting de stichting dan wel die medewerker heeft gedragen of anderszins ondeskundig, onfatsoenlijk of respectloos heeft gehandeld.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 27 oktober 2025
in de zaak 25-428/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
samen ook: klagers
over
verweerster
gemachtigde: mr. J. Plat, advocaat te Drachten
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 mei 2024 heeft klaagster 2 namens zichzelf en namens klaagster 1 en namens de heer De V bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. Op 15 juli 2024 heeft klager 3 namens zichzelf en namens klaagster 1 en de heer de V de klacht aangevuld.
1.2 Op 26 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN067 / 2344855 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 5 september 2025. Daarbij waren klaagster 2 en klager 3 namens klagers aanwezig. Ook verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, was daarbij aanwezig. De heer de V is niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster 1 is een stichting en biedt juridische hulp. Klaagster 2 is de directeur van klaagster 1. Klager 3 is werkzaam bij klaagster 1.
2.2 De heer De V en zijn ex-partner waren verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Tussen partijen gemaakte afspraken zijn op 29 april 2023 vastgelegd in een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan.
2.3 Op 15 november 2023 heeft de heer De V zich tot klaagster 1 gewend en hulp gevraagd bij het maken van afspraken over onder meer de aan hem en zijn ex-partner in eigendom toebehorende voormalige echtelijke woning. De ex-partner van de heer De V heeft zich tot verweerster gewend. Partijen zijn op dit punt niet tot afspraken gekomen.
2.4 Op 3 juli 2024 heeft verweerster namens haar cliënte de heer De V gedagvaard in kort geding om de verkoop van de voormalige echtelijke woning te realiseren. Tussen verweerster en klaagster 1 is daarover veelvuldig gecorrespondeerd.
2.5 Op 8 juli 2024 heeft verweerster aan de griffie kort gedingen van de rechtbank Groningen onder meer geschreven:
Via het digitale portaal nam ik kennis van de brief van [klaagster 1], zoals deze op 2 juli 2024 is binnengekomen. Mijn reactie hierop is als volgt.
Ik verzoek u de brief van [klaagster 1] geen onderdeel uit te laten maken van het procesdossier en hetzelfde geldt voor eventuele nog door [klaagster 1] in te dienen stukken. Namens [de heer De V] is (nog) geen advocaat gesteld. De medewerkers van [klaagster 1] staan niet als advocaat ingeschreven op het tableau, terwijl onderhavig kort geding is aangebracht bij de civiele voorzieningenrechter en derhalve verplichte procesvertegenwoordiging geldt. [Klaagster 1] en/of [de heer De V] in persoon mogen geen stukken indienen in onderhavige procedure.
Gelet op de volmacht verwacht ik dat [klaagster 1] [de heer De V] ter zitting zal willen vertegenwoordigen. Gelet op het bepaalde in artikel 255 lid 1 Rv jo. artikel 10.2 laatste volzin van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken van 1 juli 2024 maar ik hiertegen bezwaar: [de heer De V] kan en mag op grond van de wet in persoon verschijnen maar hij mag zich niet laten vertegenwoordigen door een gemachtigde die geen advocaat is. Een volmacht maakt dit niet anders. Aanwezigheid (anders dan als toehoorder op de publieke tribune) van [klaagster 1] is in strijd met de goede procesorde. (…)
2.6 Op 9 juli 2024 is namens klaagster 1 aan de voorzieningenrechter bericht:
Met enige verbazing hebben wij gisteravond kennis genomen van de brief van [verweerster] aan uw Rechtbank (…)
In deze gehele procedure heeft zij met [klaagster 1] als volledig gevolmachtigde van [de heer De V] gecorrespondeerd. Alle stukken inclusief de onderliggende bewijzen zijn ingediend als zijnde [de heer De V] en ook op de zitting zullen wij spreken én handelen als zijnde [de heer De V 3].
Om verdere discussie - tijdens de zitting - te voorkomen, ontvangen wij graag van uw Rechtbank (van de rechter) de bevestiging hiervan zodat er tijdens de zitting over de inhoudelijkheid van het dossier gesproken wordt.
2.7 In een brief van 10 juli 2024 heeft de griffie van de rechtbank namens de voorzieningenrechter aan klaagster 1 en verweerster geschreven:
Het onderhavige kort geding betreft geen kantonzaak als bedoeld in artikel 79 lid 1 Rv, maar een andere zaak als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
Gelet op het bepaalde in artikel 255 lid 1 Rv kan de gedaagde in een dergelijke andere zaak behalve bij advocaat ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is. Gelet op (…) laat artikel 255 Rv wel toe dat de in persoon verschenen gedaagde in kort geding zich bij het voeren van verweer door een advocaat die geen gemachtigde is, kan laten bijstaan. (…)
De in het verweerschrift van [klaagster 1] opgenomen vorderingen worden evenwel niet in behandeling genomen, nu dergelijke vorderingen in reconventie krachtens vaste jurisprudentie alleen door een gedaagde die bij advocaat ter zitting verschijnt, kan worden ingesteld.
2.8 Op 11 juli 2024 heeft de mondelinge behandeling in kort geding plaatsgevonden. De heer De V was in persoon aanwezig en is tijdens de zitting bijgestaan door klager 3 namens klaagster 1. Verweerster heeft tijdens de zitting de belangen van haar cliënte behartigd. Tussen de heer De V en zijn ex-partner zijn afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) met haar ondeskundig, vijandig en onzorgvuldig optreden onvoldoende rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de heer De V, die op deskundige wijze werd bijgestaan door klaagster 1 en medewerkers, waardoor de heer De V opzettelijk op kosten is gejaagd, terwijl de kosten van de cliënte van verweerster door een toevoeging werden gedekt;
b) zich onprofessioneel te gedragen (i) tijdens een telefoongesprek met klager 3 door haar stem onnodig te verheffen en (ii) door in processtukken en tijdens de zitting van 11 juli 2024 klaagster 1 en klager 3 openlijk belachelijk te maken zonder enige reden.
Toelichting (sub i): Tijdens een door verweerster geïnitieerd en niet vooraf fatsoenlijk aangekondigd telefoongesprek heeft klager 3 op enig moment een onhandige opmerking tegen verweerster gemaakt maar daar meteen zijn verontschuldigingen voor gemaakt. Verweerster reageerde daar steeds heftiger en met behoorlijke stemverheffing op, waarna klager 3 het telefoongesprek maar heeft beëindigd. Volgens klager 3 getuigt dit optreden van verweerster van een gebrek aan respect voor klaagster 1, voor de heer De V en voor hemzelf.
Toelichting (sub ii): Verweerster heeft zowel in haar processtukken als ook tijdens de zitting op 11 juli 2024 aan klaagster 1 gerefereerd als ‘de stichting’ en geweigerd om klaagster 1 fatsoenlijk bij naam te noemen. Met haar brief van 8 juli 2024 heeft verweerster zelfs geprobeerd om klaagster 1 monddood te maken met haar juridisch onhoudbare opmerkingen. Tijdens de zitting heeft verweerster zich ook respectloos gedragen. Als klager 3 het woord voerde namens de heer De V werd er van de kant van verweerster herhaaldelijk schertsend gelachen. Dat werd nog versterkt door het onfatsoenlijke gedrag van een kantoorgenoot die achter verweerster op de publieke tribune zat. Daarmee heeft verweerster het gezag van klager 3 richting zijn klant geprobeerd te ondermijnen.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerster heeft als partijdig advocaat de belangen van haar cliënte op zorgvuldige wijze behartigd met voldoende oog voor de gerechtvaardigde belangen van klagers. Klaagster 1 wilde de regie over de kwestie hebben. Dat kon niet omdat verweerster voor de ex-partner van de heer De V optrad die een ander belang had.
Klachtonderdeel b)
4.3 Klager 3 heeft haar tijdens een zakelijke telefoongesprek op enig moment ‘schat’ genoemd. Dat vond verweerster ongepast en grensoverschrijdend en daar heeft zij klager 3 op een fatsoenlijke manier op aangesproken. De verontschuldigingen die klager 3 daarna maakte, kwamen niet gemeend over omdat hij daarna allerlei neerbuigende opmerkingen tegen haar maakte.
4.4 Verweerster betwist dat zij zich in haar stukken of tijdens de zitting onprofessioneel over klaagster 1 of over de andere klagers heeft uitgelaten, schertsend heeft gelachen of anderszins onbetamelijk heeft gedragen. Klaagster 1 treedt als stichting naar buiten zodat verweerster die kwalificatie in haar stukken en tijdens de zitting kon gebruiken. Verweerster was tijdens de zitting een aantal keren verbaasd over de door klaagster 1 aangenomen houding en ingenomen juridische standpunten zoals deze door klager 3 werden verwoord. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerster in haar brief van 8 juli 2024 aan de rechtbank gesteld dat de heer De V geen tegenvorderingen kon indienen omdat hij niet door een advocaat werd bijgestaan. Dit was een juist juridisch standpunt van verweerster, zoals de rechtbank ook heeft bevestigd in de brief van 10 juli 2024. Tijdens de zitting is door de voorzieningenrechter op een schikking aangestuurd. Haar cliënte wilde de nodige knopen doorhakken. Daarom zijn in de regeling ook een aantal wensen van de heer De V, die niet als tegenvordering konden worden ingediend, toch in de schikking betrokken.
5 BEOORDELING
Ten aanzien van de bevoegdheid van klaagster 1 om voor de heer De V op te treden
5.1 Op 19 december 2024 heeft de deken in een e-mail aan klagers 2 en 3 gevraagd of zij voldoende rechtstreeks belang bij de klacht hebben omdat de klacht van de heer De V afkomstig leek te zijn.
5.2 Op 2 januari 2025 heeft klaagster 2 daarop namens klaagster 1 gereageerd en de deken gewezen op de meegestuurde volmacht van de heer De V van 23 december 2023 aan klaagster 1. In deze volmacht staat onder meer:
Hierbij machtig ik (…) als mijn gevolmachtigde [klaagster 1] (…) om met mijn uitdrukkelijke toestemming en in mijn naam alle rechtshandelingen te mogen verrichten als ware ik dat zelf. (…)
Deze volmacht is voor onbepaalde tijd geldig tot de dag dat ik deze zal herroepen.
5.3 Op 17 april 2025 heeft de deken aan klaagster 2 gevraagd om het bijgevoegde machtigingsformulier ondertekend door de heer De V aan het ordebureau terug te sturen en een kopie van zijn identiteitsbewijs bij te voegen.
5.4 Hierop heeft klaagster 2 namens klaagster 1 op 30 april 2025 als volgt gereageerd:
U bent de enige die identiteitsbewijzen opvraagt na het ontvangen van de volmacht. Zelfs de rechtbank(en) doen dit niet. Dit is ook niet nodig, de volmacht is rechtsgeldig. Wij verzoeken u om per omgaande uw integrale schriftelijke erkenning van de volmacht aan ons te doen toekomen. Indien uw erkenning wederom uitblijft, zullen wij dit zien als weigering.
5.5 De deken heeft de raad verzocht om te beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige machtiging door de heer De V aan klaagster 1 en haar medewerkers en klaagster 1 aldus bevoegd is om op te treden namens de heer De V.
5.6 In de ‘Leidraad houdende regels inzake dekenale klachtbehandeling Noord-Nederland’ is het volgende bepaald:
6. Indien een ander de klacht indient namens de klager kan de klacht worden ondertekend door de gemachtigde van de klager. Indien de gemachtigde geen advocaat is, dient een schriftelijke en door de klager ondertekende machtiging te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de klager zich wenst te laten vertegenwoordigen in de klachtzaak, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs met daarop de handtekening van klager.
5.7 Vaststaat dat de heer De V niet zelf bij de deken heeft geklaagd over verweerster maar dat klaagster 1 dat namens hem heeft gedaan. De door klaagster 1 op 2 januari 2025 aan de deken gestuurde volmacht van de heer De V dateert van 23 december 2023 en daarmee van voor het moment waarop de klacht is ingediend. Deze volmacht is in algemene bewoordingen geformuleerd, zodat daaruit niet onomstotelijk blijkt dat de volmacht ziet op de vertegenwoordiging in de klachtzaak. De deken heeft klaagster 1 daarop gewezen in haar e-mail van 17 april 2025 en klaagster 1 gevraagd om extra informatie.
5.8 Naar het oordeel van de raad mocht de deken op grond van voornoemde bepaling in de dekenale Leidraad deze extra informatie bij klaagster 1 opvragen. De deken moet zich er immers van kunnen vergewissen of een klagende of verwerende partij zich door iemand anders wil laten vertegenwoordigen in de tuchtprocedure. Naar het oordeel van de raad heeft klaagster ten onrechte geen medewerking gegeven door de door de deken verzochte informatie over de heer De V niet aan te leveren. Klaagster 1 heeft daarmee de deken in haar taak gefrustreerd.
5.9 Het door deken geconstateerde gebrek in de volmachtverlening door de heer De V aan klaagster 1 had hersteld kunnen worden als de heer De V persoonlijk bij de zitting van de raad aanwezig zou zijn geweest. De heer De V is echter niet bij de zitting op 5 september 2025 verschenen. Evenals de deken heeft de raad dus niet kunnen vaststellen dat klaagster 1 de heer De V in deze tuchtzaak mag vertegenwoordigen. Dit leidt daartoe dat de heer De V niet als klagende partij wordt aangemerkt in deze tuchtzaak.
Klachtonderdeel a)
5.10 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.11 Dit verwijt heeft betrekking op het handelen van verweerster richting de heer De V. Zoals hiervoor door de raad is overwogen, is de heer De V geen partij in deze klachtzaak.
5.12 Klagers hebben geen eigen rechtstreeks belang bij dit verwijt, zodat zij niet-ontvankelijk worden verklaard in klachtonderdeel a).
Klachtonderdeel b)
5.13 Naar het oordeel van de raad heeft klaagster 2 geen eigen rechtstreeks belang bij dit verwijt, zodat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in klachtonderdeel b).
5.14 Klaagster 1 en klager 3 hebben naar het oordeel van de raad een eigen rechtstreeks belang bij dit verwijt omdat de aan verweerster verweten uitlatingen hen aangaan.
5.15 De raad stelt vast dat het in hun verwijt gaat om het handelen van de advocaat die niet de advocaat van de wederpartij van klaagster 1 en klager 3 is, maar waarbij klaagster 1 en klager 3 als derde betrokken waren. Zij hebben juridische bijstand verleend aan een klant, de heer De V, die in een procedure de wederpartij van de cliënte van verweerster was.
5.16 Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij of van de daarbij betrokken derden, zoals in dit geval klagers 1 en 3, niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij of betrokken derden.
5.17 Vast staat dat klager 3 namens klaagster 1 en verweerster telefonisch contact met elkaar hebben gehad. Gelet op de tegengestelde verklaringen over wat er toen over en weer is gezegd en op welke manier dat is gegaan, kan de raad niet vaststellen dat verweerster zich toen onprofessioneel heeft gedragen door steeds heftiger en met behoorlijke stemverheffing met klager 3 te spreken. Voor de beoordeling of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moeten eerst de daaraan ten grondslag gelegde feiten worden vastgesteld. Deze feiten kan de raad, nu aan het woord van klagers 1 en 3 en dat van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Dat betekent dat de raad klachtonderdeel b) sub (i) ongegrond zal verklaren.
5.18 Ten aanzien van subverwijt (ii) is de raad van oordeel dat uit de stukken niet is gebleken dat verweerster zich onprofessioneel richting klaagsters 1 en 3 heeft gedragen zoals haar hierin wordt verweten. Dat zij in haar stukken en tijdens de zitting heeft verwezen naar klaagster 1 als ‘de stichting’ is een feitelijk juiste en neutrale benaming voor een rechtspersoon. Wat er volgens klager 3 tijdens de zitting is gebeurd, kan de raad niet vaststellen. Partijen hebben daarover uiteenlopende lezingen terwijl klagers 1 en 3 geen stukken hebben overgelegd die hun standpunt kunnen onderbouwen. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster in haar brief van 8 juli 2024 als juridisch correct standpunt ingenomen dat de tegeneisen van de heer De V alleen door een advocaat mochten worden ingediend. Dit is ook door de rechtbank in de brief van 10 juli 2024 zo bevestigd. Door de verschijning in persoon van de heer De V mocht klager 3 namens hem het woord voeren tijdens het kort geding. Partijen hebben een schikking getroffen waarin door de instemming van de cliënte van verweerster ook (een deel van) de tegeneisen van de heer De V zijn meegenomen. Hieruit kan niet worden afgeleid, zoals klaagster 1 stelt, dat verweerster met haar brief van 8 juli 2024 heeft geprobeerd om klagers 1 en 3 monddood te maken. Dat is een juridisch niet houdbaar standpunt.
5.19 Ook overigens is de raad niet gebleken dat verweerster zich onfatsoenlijk, respectloos of anderszins onbetamelijk richting klagers 1 en 3 heeft gedragen, zodat van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster geen sprake is. Dat betekent dat de raad ook klachtonderdeel b) sub (ii) ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klagers niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a);
- verklaart klaagster 2 niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b)
- verklaart klachtonderdeel b) in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M.M. Mok en G.N. Paanakker, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025
