Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:209
Zaaknummer
25-254/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in strafzaken. De klacht is in alle onderdelen ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder klagers belagen niet adequaat heeft behartigd, dat klager onbehoorlijk is geïnformeerd of dat hij anderszins gebrekkig is begeleid. Hoewel klager op momenten langer dan gebruikelijk op een reactie heeft moeten wachten, blijkt niet dat verweerders communicatie daadwerkelijk onvoldoend was. Onbetwist is gesteld dat de communicatie op cruciale momenten wel voldoende was.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025 in de zaak 25-254/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 10 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K194 2024 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Op 19 april 2023 heeft klager contact opgenomen met het kantoor van verweerder voor bijstand in een strafzaak. Verweerder heeft klager vervolgens bijgestaan. 2.3 Op 25 mei 2023 heeft verweerder (in de zaak met parketnummer 96/132042-21) aan de officier van justitie gemaild: “In de zaak met opgemeld parketnummer is het besluit genomen om cliënt te dagvaarden (dagvaarding is nog niet uitgebracht) omdat - zo begrijpt de verdediging - cliënt niet is verschenen na een oproep voor een OM-zitting. Cliënt heeft mij te kennen gegeven dat hij de oproep niet heeft ontvangen. Hij wenst echter graag alsnog de kans te krijgen om te beproeven of deze zaak buiten de rechter om op een OM-zitting kan worden afgedaan. Ik verzoek u hem daarom nogmaals uit te nodigen voor een OM-hoorgesprek.” 2.4 In juli 2023 is klager door het OM gedagvaard om te verschijnen voor de politierechter. 2.5 Bij brief van 1 september 2023 heeft verweerder de officier van justitie verzocht twee personen als getuigen op te roepen voor de op 13 september 2023 geplande zitting, om de verklaring van klager dat hij alsnog wilde meewerken aan het bloedonderzoek te verifiëren. 2.6 Op 13 september 2023 is de zaak door de politierechter behandeld. Verweerder heeft klager ter zitting bijgestaan. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat het onderzoek is aangehouden, zodat een aanvullend proces-verbaal kon worden opgemaakt. De volgende zitting werd bepaald op 20 december 2023. 2.7 Op 20 december 2023 is de behandeling van de zaak hervat door een andere politierechter. Verweerder heeft klager ter zitting bijgestaan. Klager is door de politierechter veroordeeld voor overtreding van art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet (het weigeren van medewerking aan bloedonderzoek na verdenking van rijden onder invloed van drugs) tot een werkstraf van 30 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Het klachtdossier bevat alleen de eerste pagina van het proces-verbaal van deze zitting. 2.8 Op 2 januari 2024 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 20 december 2023. 2.9 Op 15 januari 2024 hebben klager en verweerder via WhatsApp onder meer de volgende berichten uitgewisseld: Verweerder: “Mijne inziens moeten we de twee verbalisanten als getuigen oproepen waarvan jij hebt verklaard dat je aan hen hebt aangegeven dat je alsnog wenste mee te werken.” Klager: “Bestuurder aandragen aangezien daar vragen over zijn en nog altijd geen duidelijkheid over is?” Verweerder: “Daar ziet de verdediging uiteindelijk niet op, de verdenking is de weigering om mee te werken aan een onderzoek naar rijden onder invloed.” Klager: “Waarom sprak de rechter op het einde dan over bestuurderschap? Ik word in feite gestraft voor niets. Hij had daar tussendoor tijdens de zitting ook vragen over. Dus ik zou niet weten waarom het niet relevant zou zijn” (…) Verweerder: “Uiteindelijk hoeft een rechter niet vast te stellen of jij wel of geen bestuurder bent geweest. Er mag medewerking aan een onderzoek worden bevolen als er een verdenking (een redelijk vermoeden) van het rijden onder invloed bestaat. Daarvoor staat m.i. voldoende in het PV. Belangrijke vraag blijft of jij binnen de onderzoekstijd alsnog jouw medewerking hebt willen verlenen. Daar is de rechter te makkelijk overheen gestapt.” (…) Klager: “In de uitgebreide tenlastelegging/verdenking staat ook het deel in de geest van ‘tegen wie de verdenking is gerezen een voertuig te hebben bestuurd’ heeft niet voldaan aan het bevel of zich onderworpen aan een bloedonderzoek. Of zeg ik nu iets dat niet klopt?” (…) Verweerder: “Tegen wie de verdenking is gerezen: dat is waar ik op doelde. Er moet een verdenking zijn om een bevel af te geven. De feiten en omstandigheden die genoemd zijn in het pv. waarom ze jou verdenken zijn m.i. voldoende om het bevel te geven. Omdat de zaak nu gaat over de weigering hoeven ze niet te bewijzen dat jij bestuurder was. Dat had pas gehoeven op het moment dat jij had meegewerkt en er uit onderzoek zou volgen dat je onder invloed was. (…) Klager: “Maar wat als ik kan bewijzen dat ik niet de bestuurder was icm met hun pv. Ze hebben niets verklaard noch wat gezien van de bestuurder.” (…) Verweerder: “Ze hebben in het PV de omstandigheden geschetst waardoor de verdenking tegen jou ontstond. Dat is voldoende om jou te bevelen mee te werken aan het onderzoek. Zoals gezegd, als je had meegewerkt en als daar middelen gebruik uit volgde dan was de vraag relevant geworden of jij daadwerkelijk bestuurder was. Maar vanwege de weigering (waar jij op terug bent gekomen) hoeft de vraag of jij bestuurder was niet meer te worden bewezen. Zelfs als je dat aantoont zal je niet worden vrijgesproken van de weigering.” (…) Klager: “Dit stuk is voor mij helder. Echter snap ik niet waarom de rechter dat stuk over bestuurderschap toch ter sprake bracht in zijn vonnis. Zijn beredenering over het weigeren is ook aan te vallen in hb neem ik aan?” 2.10 In de appelschriftuur van 16 januari 2024 heeft verweerder samengevat aangevoerd dat klager binnen de termijn is teruggekomen op zijn eerdere weigering, waarmee geen sprake is van een voltooide weigering in de zin van art. 163 lid 6 WVW. Verweerder heeft in de appelschriftuur opgenomen dat hij niet beschikt over een uitgewerkt proces-verbaal en uitgewerkt vonnis. 2.11 Klager is in een andere zaak (parketnummer 08/293182-20) uitgenodigd voor een OM-hoorzitting op 2 april 2024. 2.12 Op 19 februari 2024 laat klager via WhatsApp aan verweerder weten dat hij een afspraak met de reclassering heeft ingepland. Klager vraagt in zijn bericht of het normaal zo is dat de advocaat hierbij aanwezig is of dat klager daar zelfstandig naartoe hoort te gaan. 2.13 Verweerder heeft diezelfde dag via WhatsApp gereageerd: “Bij een gesprek met de reclassering is geen advocaat aanwezig.” Klager heeft dit bericht beantwoord met een ‘duimpje omhoog’. 2.14 Klager stuurt vervolgens via WhatsApp verschillende berichten aan verweerder, waaronder: Op 14 maart 2024: “Wanneer heb jij tijd om het te hebben over de komende OM-zitting?” Op 18 maart 2024: “Zojuist was ik op zoek naar de dagvaarding van de OM-zitting. Deze kan ik helaas niet terugvinden. Ik verneem graag nog van je om een bespreking in te plannen. Ik geloof dat de OM-zitting ergens in april stond.” Op 20 maart 2024:“Ik wil je middels dit bericht graag herinneren aan mijn voorgaande berichten. Ook heb ik zojuist een rapport ontvangen vanuit Reclassering dat mij verontrust. Hier zou ik het graag met je over willen hebben op korte kortermijn, gezien volgens het rapport de zitting plaats moet vinden op 2 april 2024.” 2.15 Op 20 maart 2024 reageert verweerder via WhatsApp en stelt voor de volgende dag contact te hebben. Klager stuurt daarop via WhatsApp het reclasseringsadvies en zijn reactie daarop aan verweerder. 2.16 Op 26 maart 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Ik heb zojuist verlof gevraagd voor 2 april as., ik ben er dus gewoon bij. Zullen we misschien samen daarheen gaan?” 2.17 Op 29 maart 2024 is er telefonisch contact geweest tussen klager en verweerder. 2.18 Op 2 april 2024 (om 9.25 uur) stuurt verweerder via WhatsApp de intrekking voor de hoorzitting van die dag aan klager. 2.19 Op 9 april 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Ik kwam zojuist te weten over het adolescentenrecht art 77 Sv. Mogelijk dat dit een goede (aanvullende) gronden zijn om al mijn zaken op te baseren. Verneem graag van je of je hier mee bekend bent en wanneer je hierover kunt sparren” 2.20 Bij brief van 23 mei 2024 heeft het OM klager geïnformeerd dat in zaak 08/293182-20 is besloten om klager niet meer te vervolgen, omdat hiervoor onvoldoende bewijs is (kennisgeving sepot). 2.21 Op 24 mei 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder of het een idee is om het binnenkort over het adolescentenstrafrecht te hebben met het oog op de hoger beroep zaken. 2.22 Op 25 mei 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Goedemiddag, De brief met daarin de kennisgeving sepot is naar mijn ouderlijk huis gestuurd Het OM heeft dus een fout adres gebruikt, daar ben ik eigenlijk niet over te spreken. Is hier nog wat aan te doen?” 2.23 Op 6 juni stuurt klager een ondertekend verzoekschrift aan verweerder. 2.24 Op 28 juni 2024 is de behandeling van klagers zaken overgenomen door mr. C.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 1) Niet adequaat behartigen van klagers belangen: Verweerder is tekortgeschoten in het adequaat voorbereiden en vertegenwoordigen tijdens cruciale zittingen, wat resulteerde in een suboptimale verdediging van klagers belangen. Dit heeft klagers vertrouwen in de juridische vertegenwoordiging ernstig geschaad. 2) Tegen klagers wil handelen: Verweerder heeft ten onrechte klagers standpunten niet meegenomen in de gekozen processtrategie , waardoor cruciale verdedigingsgronden niet zijn meegewogen in klagers zaak. Dit heeft geleid tot een onterechte veroordeling en ongunstige strafmaatregelen. 3) Onbehoorlijke voorlichting: Het nalaten van tijdige en relevante communicatie over veranderingen in de rechtbank en de inhoudelijke beoordeling van klagers zaak heeft geleid tot een ongegronde negatieve beoordeling door de rechter en verdere schade aan klagers zaak. 4) Gebrekkige begeleiding in andere zaken: Het onterechte advies om een strafbeschikking te accepteren en de inadequate beoordeling van het reclasseringsrapport wijzen op een tekortkoming in de zorgvuldige begeleiding van klagers zaken. 5) Nalaten te reageren op hulpvragen: Het gebrek aan adequate communicatie en opvolging bij belangrijke vragen heeft klagers vermogen om geïnformeerde beslissingen te nemen ernstig belemmerd en klagers juridische positie ernstig verzwakt. 6) Verkeerde adressering afdoeningsbrief: Het verzenden van belangrijke juridische documenten naar een verkeerd adres heeft geleid tot een inbreuk op klagers privacy en een ongemakkelijke situatie met zijn familie. 7) Ontbreken van schriftelijke verslagen en documentatie: Het ontbreken van schriftelijke verslagen van de zittingen heeft geleid tot verwarring en onzekerheid over de voortgang en uitkomsten van klagers zaken, wat zijn rechtspositie heeft benadeeld. 8) Belangenverstrengeling: De tijdsdruk en de mogelijke belangenverstrengeling door de werklast van verweerder hebben geleid tot een inadequate behandeling van klagers zaak en een ondermijning van de kwaliteit van de rechtsbijstand. 9) Onvoldoende opvolging en verzuim in het verkrijgen OM-zitting: Het verzuim om de uitnodiging voor de OM-zitting adequaat op te volgen heeft geleid tot extra juridische complicaties en kosten, wat duidt op een gebrek aan doelmatigheid in de rechtsbijstand. 3.2 Klager stelt dat sprake is van schending van gedragsregels 1, 5, 9, 11, 13, 14 en 15.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. 4.2 Klachtonderdeel 1): Verweerder voorzag op 19 december 2023, een dag voor de zitting van 20 december 2023, dat hij mogelijk niet tijdig bij de rechtbank in Den Haag zou kunnen zijn voor de zitting van klager vanwege een andere zaak. Verweerder heeft dit, en de mogelijkheid van waarneming door een kantoorgenote, telefonisch met klager besproken. Verweerder heeft klager ook voorgehouden dat het verzoeken om aanhouding tot de mogelijkheden behoorde. Klager gaf aan beide oplossingen onwenselijk te vinden. Verweerder heeft daarna in andere zaken afspraken gemaakt, waardoor hij tijdig weg kon. Daardoor heeft verweerder klager alsnog zelf kunnen bijstaan op de zitting van 20 december 2023. Verweerder betwist dat hij zich gebrekkig had voorbereid en dat hij onvoldoende aandacht had voor de zitting. 4.3 Klachtonderdeel 2): Verweerder heeft de wijze van verdediging toegelicht. Hij stelt dat het bestuurderschap in de voorbereiding op de zittingen is besproken en dat uiteindelijk is gekozen voor een strategie waarin het terugkomen op de initiële weigering, waardoor geen sprake was van een voltooide weigering, centraal stond. Die keuze volgt ook uit het gegeven dat de onderzoekswensen voor de zitting van 13 september 2023 daarop zijn toegespitst en er op die zitting ook vooral daarover is gesproken. Ook via WhatsApp is daarover gesproken en ook de appelmemorie is op die manier ingestoken. Verweerder beschikt niet over het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2023. Voor zover hij inderdaad heeft aangegeven dat ‘het bestuurderschap niet ter discussie stond’ heeft hij daarmee bedoeld aan te geven dat de zaak daar niet over gaat omdat het bestuurderschap niet bewezen hoeft te worden. Verweerder stelt niet expliciet het standpunt te hebben betrokken dat klager zou hebben gereden. 4.4 Klachtonderdeel 3): Verweerder heeft toegelicht dat een zaak na aanhouding niet automatisch door dezelfde rechter wordt behandeld. Aan advocaten wordt niet op voorhand kenbaar gemaakt wie de rechter zal zijn. Ook als op voorhand bekend was geweest dat een andere rechter de zaak zou doen, was de zaak niet anders voorbereid. 4.5 Klachtonderdeel 4): Verweerder stelt dat in de zaak met parketnummer 08-293182-20 telefonisch is gesproken over de uitnodiging voor de OM-hoorzitting op 2 april 2024. In dat telefoongesprek is het accepteren van een strafbeschikking als een van de mogelijke uitkomsten besproken. Verweerder heeft klager, na bestudering van het dossier, op 25 maart 2024 geadviseerd en aangegeven dat het dossier voldoende handvatten bevatte voor een pleitbaar verzoek voor een bewijssepot. Met betrekking tot het reclasseringsadvies heeft verweerder aangegeven dat klager hem niet heeft gevraagd aanwezig te zijn bij het gesprek met de reclasseringsmedewerker. In de optiek van verweerder was het rapport niet overwegend negatief. 4.6 Klachtonderdeel 5): Verweerder kan klager deels volgen in dit verwijt. Klager heeft soms lang op antwoord moeten wachten. Verweerder heeft de omstandigheden die daartoe hebben geleid toegelicht. Verweerder stelt dat hij op de momenten dat het ertoe deed, rondom de zittingen, adequate bijstand heeft verleend en dat binnen de geldende termijnen onderzoekswensen zijn ingediend en tijdig beroep is ingesteld. 4.7 Klachtonderdeel 6): Verweerder heeft toegelicht dat het OM dergelijke brieven verstuurt naar het BRP-adres van de betrokkene. Verweerder heeft hier geen betrokkenheid bij gehad. 4.8 Klachtonderdeel 7): Verweerder heeft toegelicht dat hij alleen beschikt over een proces-verbaal van de zitting van 13 december 2023. Verweerder beschikt niet over het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2023. Klager heeft niet om het proces-verbaal verzocht. Als klager bepaalde stukken had willen ontvangen, had verweerder dat graag vernomen en had hij die verstrekt. 4.9 Klachtonderdeel 8): Gedragsregel 15 ziet niet op de situatie die klager beschrijft. Dat klager door drukte soms langer op antwoord heeft moeten wachten, is spijtig. Verweerder verwijst naar zijn reactie bij klachtonderdeel 5. 4.10 Klachtonderdeel 9): Verweerder heeft de officier van justitie bij e-mail van 25 mei 2023 verzocht om de zaak weer op een OM-hoorzitting te plaatsen en daarbij aangegeven dat klager de oproep niet had ontvangen. Het OM heeft daaraan geen gevolg gegeven. 4.11 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de (eigen) advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 5.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets. Klachtonderdeel 1) – niet adequaat behartigen belangen 5.3 Dit verwijt ziet op de zitting van 20 december 2023. Verweerder heeft toegelicht dat hij een dag voor de zitting voorzag dat hij, vanwege een andere zaak, klager mogelijk niet bij de zitting kon bijstaan. Hij heeft dit telefonisch met klager besproken en de mogelijkheid van bijstand door een kantoorgenoot voorgelegd. Voorstelbaar is dat dit voor klager tot onzekerheid heeft geleid. Dat maakt echter niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. Een advocaat heeft nu eenmaal meer cliënten. Verweerder heeft het zo geregeld dat hij alsnog bij de zitting kon zijn en hij heeft klager ter zitting ook bijgestaan. Dit verwijt is daarom ongegrond. 5.4 Dat verweerder de zitting gebrekkig had voorbereid en dat hij onvoldoende aandacht had voor de zitting is door klager onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat verweerder ook een andere zaak had diezelfde dag (of kort daarvoor) is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft betwist dat zijn optreden ter zitting onvoldoende was. De raad kan de juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Ook dit verwijt is ongegrond. Klachtonderdeel 2) – onvoldoende verdedigen van belangen 5.5 Dit verwijt ziet eveneens op de zitting van 20 december 2023. De politierechter heeft klager kennelijk expliciet gevraagd naar het bestuurderschap van het voertuig. Wat door verweerder precies is gezegd, kan de raad niet vaststellen. Klager heeft alleen de eerste pagina van het proces-verbaal van de zitting overgelegd en daaruit blijkt niet dat deze vraag is gesteld en wat daarop het antwoord was. Dat verweerder heeft erkend dat klager bestuurder was, is niet gebleken. Voor zover verweerder heeft opgemerkt dat het bestuurderschap niet ter discussie stond, is dat geen erkenning van het bestuurderschap als zodanig. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat een redelijk vermoeden van schuld dat klager de bestuurder was voldoende was voor de gekozen processtrategie. Dit bleek volgens verweerder uit het proces-verbaal. Verweerder stelt de strategie, gericht op de stelling dat geen sprake was van een voltooide weigering om medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, met klager besproken te hebben. Hoewel dit niet expliciet blijkt uit het klachtdossier, ziet de raad daarvoor voldoende bevestiging in verweerders brief van 1 september 2023 en de wijze waarop de zitting van 13 september 2023, waarbij klager aanwezig was, is verlopen. Bovendien is dezelfde strategie gevoerd in de namens klager ingediende appelmemorie. Dat een cruciaal punt over het hoofd is gezien, blijkt niet. Dat klager door de politierechter is veroordeeld, betekent niet dat verweerder tekort is geschoten in de verdediging van klagers belangen. Ook deze verwijten zijn ongegrond. Klachtonderdeel 3) – onbehoorlijke voorlichting 5.6 Klager verwijt verweerder dat hij niet vooraf op de hoogte is gesteld van het feit dat de rechter op 20 december 2023 een ander was dan de rechter die de zaak op 13 september 2023 had behandeld. Hoewel verweerder vooraf met klager de mogelijkheid had kunnen bespreken dat een andere rechter de zitting van 20 december 2023 zou doen, maakt dat niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Op voorhand was, ook voor verweerder, niet te voorspellen hoe een andere rechter naar de zaak zou kijken. De voorbereiding van de zaak veranderde daardoor ook niet. Dat klager er niet van op de hoogte was, is voor klager misschien vervelend, maar hij is daardoor niet in zijn belangen geschaad. Dit verwijt is ongegrond. Klachtonderdeel 4) – gebrekkige begeleiding in andere zaken 5.7 Dit klachtonderdeel ziet allereerst op het volgens klager gegeven advies om een strafbeschikking te accepteren. De raad begrijpt dat verweerder telefonisch de opties heeft toegelicht die bij een OM-hoorzitting mogelijk zijn, waaronder het accepteren van een strafbeschikking. Dat hij op dat moment daadwerkelijk heeft geadviseerd een strafbeschikking te accepteren, blijkt niet. Dat kan ook pas op het moment dat de officier van justitie tijdens de OM-hoorzitting een strafbeschikking aanbiedt. Zo ver is het niet gekomen. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij na bestudering van het dossier heeft geadviseerd te verzoeken om een sepot. Klager heeft dit niet betwist. De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerder heeft geadviseerd een strafbeschikking te accepteren. Dit verwijt mist daarmee feitelijke grondslag en is ongegrond. 5.8 Klager verwijt verweerder verder dat hij hem onvoldoende heeft begeleid in het traject met de reclassering. Uit de WhatsApp-gesprekken blijkt dat klager verweerder heeft gevraagd of het normaal is dat een advocaat meegaat naar een gesprek met de reclassering. Verweerder heeft daarop laten weten dat een advocaat daar niet bij is. Klager heeft daarop gereageerd met een ‘duimpje omhoog’ emoticon, waarmee klager te kennen gaf akkoord te zijn met het antwoord van verweerder. Verweerder heeft een andere visie op het reclasseringsrapport dan klager. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft bovendien onbetwist gesteld dat uiteindelijk een bewijssepot is gevolgd. Niet gebleken is dat het reclasseringsrapport en klagers reactie daarop daarvoor relevant zijn geweest. Ook dit verwijt is daarom ongegrond. Klachtonderdeel 5) – nalaten tijdig te reageren 5.9 Hoewel verweerder heeft toegelicht dat en waardoor klager soms langer dan gebruikelijk moest wachten op een reactie, blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerders communicatie daadwerkelijk onvoldoende was. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat hij op cruciale momenten wel (voldoende) heeft gecommuniceerd en tijdig onderzoekswensen en beroep heeft ingesteld. Op grond van de in het klachtdossier aanwezige WhatsApp-correspondentie kan de raad alleen vaststellen dat klager in april/mei 2024 langer op een reactie heeft moeten wachten. Voor de geplande OM-hoorzitting van 2 april 2024 is wel contact geweest en verweerder heeft klager de ochtend van de zitting geïnformeerd dat de zitting toch niet doorging. Dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij op momenten wat langer op een reactie heeft moeten wachten, is de raad niet gebleken. Dit verwijt is daarom ongegrond. Klachtonderdeel 6) – verkeerde adressering afdoeningsbrief 5.10 Het is duidelijk dat de brief van het OM van 23 mei 2024 naar het verkeerde adres (de ouders van klagers in plaats van naar klager) is gestuurd. Zoals verweerder terecht opmerkt is hij niet betrokken bij de adressering en het op de post doen van een brief van het OM. De onjuiste adressering is dan ook niet aan verweerder te wijten. Voor zover klager verweerder ook verwijt dat verweerder hierop niet adequaat heeft gereageerd, geldt dat klager niet concreet aan verweerder heeft gevraagd hierop actie te ondernemen. Dit verwijt is ongegrond. Klachtonderdeel 7) – ontbreken schriftelijke verslagen 5.11 Verweerder erkent dat hij het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2023 niet met klager heeft gedeeld. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat klager daar (eerder) ook niet om heeft verzocht. Klager was bij de zitting aanwezig en wist dus wat er besproken was. Dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij niet het proces-verbaal beschikte, is de raad niet gebleken. Inmiddels beschikt hij overigens wel over dit proces-verbaal. 5.12 Verweerder stelt dat hij niet over het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2023 beschikt. Klager stelt dat uit het dossier van zijn opvolgend advocaat blijkt dat het proces-verbaal van die zitting wel degelijk beschikbaar is. Dat betekent naar het oordeel van de raad niet dat verweerder daarover ook de beschikking had. De raad kan niet vaststellen wanneer het proces-verbaal is opgesteld, maar gebruikelijk is dat dit bij politierechterzaken pas gebeurt nadat hoger beroep is ingesteld. In de appelschriftuur is in ieder geval vermeld dat het proces-verbaal op dat nog moment nog niet beschikbaar was. Nu de raad niet kan vaststellen dat verweerder over het proces-verbaal beschikte, kan hem ook niet verweten worden dat hij dit niet aan klager heeft verstrekt. Deze verwijten zijn ongegrond. Klachtonderdeel 8) - belangenverstrengeling 5.13 Klager verwijt verweerder belangenverstrengeling, waarmee klager bedoelt dat de behandeling van zijn zaak heeft geleden onder het feit dat verweerder ook veel andere zaken had en het druk was op zijn kantoor. Gedragsregel 15 ziet niet op deze situatie, maar op het optreden tegen een oud-cliënt. Zoals hiervoor al overwogen heeft een advocaat nu eenmaal meer cliënten. Dat verweerder de zaak inadequaat heeft behandeld en/of ondermaatse kwaliteit heeft geleverd, is de raad niet gebleken. Dit verwijt is daarom ongegrond. Klachtonderdeel 9) – OM-zitting 5.14 Klager verwijt verweerder onvoldoende opvolging bij c.q. verzuim in het verkrijgen van een OM-zitting. Verweerder heeft de officier van justitie op 25 mei 2023 echter wel degelijk verzocht om alsnog een OM-zitting te plannen, nadat klager de oproep kennelijk niet had gekregen. Verweerder kan niet verweten worden dat de officier van justitie vervolgens heeft besloten klager toch de dagvaarden. Verweerder heeft met zijn verzoek aan de officier van justitie voldoende gedaan op dit punt. Ook dit verwijt is ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, G. Sarier, M.F.H. Broekman en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025
