Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:214
Zaaknummer
25-588/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over cassatieadvocaat. De klacht is voor een deel niet-ontvankelijk, omdat klaagster ruimschoots na afloop van de klachttermijn van drie jaar over verweerder heeft geklaagd. De klacht is voor een deel kennelijk ongegrond, omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder bij het doorsturen van de aansprakelijkstelling aan zijn assurantietussenpersoon niet is gebleken.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 oktober 2025 in de zaak 25-588/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K210 2024 ia/nm, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 11 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 11. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van klaagster en van verweerder van 8 september 2025. Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerder van 9 september 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is met haar ex-echtgenoot verwikkeld in een geschil over partner- en kinderalimentatie en over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Op 11 januari 2012 heeft het gerechtshof Den Haag een beschikking gegeven in het hoger beroep over partner- en kinderalimentatie (hierna: de alimentatiebeschikking). 1.2 In februari 2012 heeft de toenmalige advocaat van klaagster verweerder gevraagd om advies over het instellen van cassatie tegen de alimentatiebeschikking van 11 januari 2012. Begin april 2012 heeft klaagster een negatief cassatieadvies, gedateerd 4 april 2011, van verweerder ontvangen. Op uitdrukkelijk verzoek van klaagster heeft verweerder in april 2012 toch cassatie ingesteld tegen de alimentatiebeschikking. 1.3 Op 27 september 2012 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) aan een derde moet worden verkocht. 1.4 Op 29 maart 2013 heeft verweerder klaagster gemaild dat de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de alimentatiebeschikking van 11 januari 2012 heeft verworpen. 1.5 Op 22 januari 2014 heeft het gerechtshof Den Haag een beschikking gegeven over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarin heeft het gerechtshof de beschikking van 27 september 2012 bekrachtigd. In randnummer 2 van de beschikking zijn de verzoeken van klaagster opgesomd, waaronder het verzoek om toebedeling van de woning aan de ex-echtgenoot met diverse nevenverzoeken. In randnummer 38 van de beschikking is het standpunt van de man vermeld dat ‘op grond van de standpunten van de vrouw kan worden aangenomen dat zij geen medewerking zal verlenen aan de verkoop en levering van de woning.’ 1.6 Op 27 januari 2014 heeft klaagster verweerder gemaild over de mogelijkheid van cassatie tegen de beschikking van 22 januari 2014. Op 28 januari 2014 heeft verweerder klaagster gemaild dat hij bereid is om de mogelijkheden van cassatie te onderzoeken. 1.7 Op 11 april 2014 heeft een toenmalige kantoorgenoot van verweerder, mr. Van D., een negatief cassatieadvies gedateerd 10 april 2014 aan klaagster gemaild. 1.8 Op 21 september 2015 heeft verweerder klaagster gemaild met zijn kantoorgenoot mr. Van D. in cc: Inmiddels heb ik het dossier uit het archief gelicht waar het inderdaad naartoe is verhuisd omdat u dat, ondanks meerdere verzoeken daartoe, door u niet is opgehaald.
Uit de beschikking van 22 januari 2014 van het hof (waarop het negatieve advies betrekking had), blijkt (in rov. 17 t/m 19) dat uw stellingen met betrekking tot de belastingschuld zijn verworpen om procesrechtelijke redenen. Rov 19:
(…) Mede gezien de uitdrukkelijke betwisting door de man dat in het kader van de vaststelling van de draagkracht rekening is gehouden met de hypotheekrente is het hof van oordeel dat er geen redenen zijn om af te wijken van de hoofdregel dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de hypotheekbank.’
Het hof past de hoofdregel toe dat schulden ieder voor de helft aan partijen moet worden toebedeeld, omdat om procestechnische redenen de door u ingeroepen uitzondering niet is komen vast te staan. Dit lijkt op het voorbeeld dat ik u eerder schreef en maakt dus dat er in cassatie niets aan te doen valt.’ 1.9 In oktober 2016 heeft klaagster bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder een klacht over verweerder ingediend. 1.10 Op 7 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag klaagster veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de echtelijke woning. 1.11 Op 26 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter in Den Haag de ex-echtgenoot gemachtigd de verkoop en levering van de echtelijke woning te bewerkstelligen. Tegen dit vonnis in kort geding heeft klaagster hoger beroep ingesteld. 1.12 Op 1 februari 2022 heeft het gerechtshof Den Haag het verzoek van klaagster om de werking van het vonnis in kort geding van 26 oktober 2021 te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep, afgewezen. In randnummer 8 heeft het gerechtshof overwogen: ‘8. Het hof is van oordeel dat de belangen van de man met betrekking tot de onmiddellijke werking van het bestreden vonnis zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw in deze. De vrouw weet al sinds de beschikking van dit hof van 22 januari 2014 dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht. Inmiddels zijn acht jaar verstreken en de vrouw heeft nog steeds geen medewerking verleend aan de verkoop van die woning. Uit de genoemde beschikking van dit hof volgt dat de woning is verdeeld en wel in die zin dat de woning moet worden verkocht. De vrouw is van voormelde beschikking van dit hof niet in cassatie gegaan, derhalve staat de wijze van verdeling tussen partijen vast, namelijk verkoop van de woning. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een juridische misslag nu de woning in 2014 al verdeeld is. De vrouw heeft niet aan haar stelplicht voldaan waaruit haar (financiële) noodtoestand bestaat indien uitvoering moet worden gegeven aan het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter. De vrouw weet al vele jaren dat zij de woning na de verkoop moet verlaten. De belangen die de vrouw aanvoert om geen uitvoering te geven aan het bestreden vonnis wegen minder zwaar dan het belang dat de man heeft bij de ten uitvoerlegging van het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken - evenals de voorzieningenrechter - dat de vrouw rechterlijke beslissingen inzake de verkoop van de woning steeds naast zich neerlegt. Naar het oordeel van het hof dient de vrouw op een correcte wijze uitvoering te geven aan rechterlijke beslissingen. De vordering van de vrouw tot schorsing van de onmiddellijke werking zoals door de voorzieningenrechter is beslist, wordt afgewezen.’
1.13 Op 11 december 2023 heeft klaagster verweerder gemaild met de vraag hoe zij de door haar geleden schade kan indienen bij zijn schadeverzekeraar en waar zij het dossier ter behandeling naartoe kan sturen. 1.14 Op 12 december 2023 heeft verweerder klaagster gemaild dat hij haar e-mail (met haar klacht) heeft doorgestuurd aan de assurantietussenpersoon van het kantoor. 1.15 Op 10 januari 2024 heeft verweerder klaagster gemaild dat de assurantietussenpersoon kennelijk geen aanleiding ziet voor een reactie omdat er geen enkele reden is voor aansprakelijkheid. 1.16 Op 16 oktober 2024 heeft verweerder klaagster gemaild: ‘Nu u steeds mr. […] in cc vermeldt en dus de mail ook aan hem stuurt, ga ik ervan dat u deze zaak met hem als uw advocaat overlegt. Hij heeft u ook in hoger beroep bijgestaan en kan u dus uitleggen hoe dat debat verlopen is.
U spreekt steeds over een ‘forfait overige eigenaarslasten van € 95,-“. Blijkens de beschikking van de rechtbank van 21 april 2011 p. 7 stelt de rechtbank dat forfaitaire bedrag bij gebreke van voldoende betwisting vast. In uw beroepschrift van 28 juni 2011 klaagt u daar niet over dat dit onjuist zou zijn. Sterker nog: in uw verweerschrift in incidenteel appel p. 4 stelt u zelf dat ‘ter zake van de eigenaarslasten dient conform de Tremanormen te worden uitgegaan van € 95,00.=’. Hoezo cassatieberoep als u zelf dat standpunt hebt ingenomen? Een zinnige klacht daarover was dus niet te formuleren. Ik ben ook helemaal niet door de rechtbank op de vingers getikt en er is helemaal geen schade die in enig causaal verband staat met mijn advisering van destijds.
Wat betreft de alimentatieprocedure verwijs ik u verder naar mijn eerdere mails.
Als gezegd acht ik de discussie gesloten.’ 1.17 Op 16 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op 25, 28, 29 en 31 oktober 2024 heeft klaagster haar klacht verder toegelicht.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft ten onrechte geen cassatie ingesteld tegen de grieven die door de advocaat van klaagster zijn geformuleerd en zijn opgenomen onder randnummer 2 van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 januari 2014. Volgens klaagster wordt dit bevestigd in de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 1 februari 2022; b) verweerder heeft de e-mail van klaagster, waarin zij een klacht over verweerder heeft geformuleerd, pas op 12 december 2023 naar de assurantietussenpersoon van zijn kantoor doorgestuurd. 2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klager ingaan.
3 VERWEER 3.1 Primair doet verweerder een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht. In dat verband merkt verweerder op dat hij in 2012 cassatieadvies aan klaagster heeft gegeven en voor klaagster cassatieberoep heeft ingesteld dat uitsluitend ging over de alimentatieprocedure. Verweerder wijst erop dat klaagster daarover destijds een klacht heeft ingediend en dat die klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2017:122). Ook wijst verweerder erop dat de klachttermijn van drie jaar is overschreden. Tot slot merkt verweerder op dat het cassatieadvies over de boedelscheiding in 2014 door zijn toenmalige kantoorgenoot aan klaagster is gegeven en dat klaagster hier destijds ook over heeft geklaagd (ECLI:NL:TADRSGR:2017:226). 3.2 Subsidiair voert verweerder inhoudelijk verweer tegen de klacht. Verweerder merkt op dat hij zijn werk als cassatieadvocaat naar eer en geweten heeft gedaan. In zijn verweer is verweerder ingegaan op zes punten uit de klacht van klaagster. Verder betwist verweerder dat sprake is van een beroepsfout door geen cassatieberoep voor klaagster in te stellen tegen het arrest van het gerechtshof uit 2014. Tot slot merkt verweerder op dat aan klaagster is meegedeeld dat geen sprake is van aansprakelijkheid en er dus verder niets over valt mede te delen aan klaagster, ook niet door zijn assuradeur. 3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Klachtonderdeel a) is niet-ontvankelijk 4.1 De voorzitter stelt voorop dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 4.2 De voorzitter stelt op grond van het uitgebreide klachtdossier vast dat verweerder in april 2012 een cassatieadvies aan klaagster heeft gegeven ten aanzien van de alimentatiebeschikking van 11 januari 2012. Verder stelt de voorzitter vast dat verweerder weliswaar met klaagster heeft gemaild over de mogelijkheden voor cassatieberoep tegen de beschikking van 22 januari 2014 over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zie de e-mail van verweerder van 28 januari 2014, maar dat het uiteindelijke (negatieve) cassatieadvies is gegeven door mr. Van D., de kantoorgenoot van verweerder. Los van het feit dat klaagster haar klacht over verweerder van 16 oktober 2024 dus ruimschoots na verloop van de klachttermijn van drie jaar, en dus te laat, bij de deken heeft ingediend, richt de klacht zich niet op de door verweerder verrichte cassatiewerkzaamheden. Ook in het geval ervan uit zou worden gegaan dat verweerder het cassatieadvies van april 2014 al dan niet samen met mr. Van D. aan klaagster heeft gegeven, heeft klaagster haar klacht te laat bij de deken ingediend. Klaagster wist immers al op of omstreeks 11 april 2014 dat het cassatieberoep tegen de beschikking van 22 januari 2014 was afgewezen en dat de door het gerechtshof bepaalde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, inclusief de verkoop van de echtelijke woning, daarmee onherroepelijk was geworden. Van redenen voor verlenging van de vervaltermijn op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is de voorzitter niet gebleken. Tot slot ziet de voorzitter in het dossier ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar is. Klachtonderdeel a) is niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond 4.3 De voorzitter is op grond van de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen klaagster en verweerder van oordeel dat verweerder ten aanzien van de aansprakelijkstelling door klaagster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft de e-mail van klaagster van 11 december 2013 een dag later, op 12 december 2023, doorgestuurd aan de assurantietussenpersoon van zijn kantoor. Daarmee heeft verweerder aan zijn verplichting op dat punt voldaan. Bovendien blijkt dat verweerder klaagster op 10 januari 2024 nog heeft bericht dat de assurantietussenpersoon kennelijk geen aanleiding ziet voor een reactie op de door klaagster gestelde schade, omdat er geen enkele reden is voor aansprakelijkheid. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk; - verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden 29 oktober 2025
