Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:213
Zaaknummer
25-587/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij een in een burengeschil deels niet-ontvankelijk vanwege tijdverloop. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond omdat de juistheid van de klacht niet is vast te stellen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 oktober 2025 in de zaak 25-587/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K226 2024 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klaagster van 10 september 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is al geruime tijd met haar buren C en A verwikkeld in een conflict over onder meer ladderrecht en het al dan niet aanwezig zijn van een deur in een tuinmuur. 1.2 Verweerder behartigt sinds 2016 de belangen van de buren. Op 28 september 2016 heeft verweerder klaagster een (eerste) verzoek c.q. sommatie gestuurd. 1.3 Klaagster heeft de buren op 20 april 2021 gedagvaard. Uit het vonnis van 14 september 2022 volgt dat klaagster al haar vorderingen heeft ingetrokken c.q. heeft verminderd tot nihil en dat zij is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de buren. 1.4 Bij brief van 2 september 2023 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven: “Tot mij wendden zich – wederom de heer [C] (…) en mevrouw [A], in verband met de uw schriftelijk aankondigingen en mededelingen van voorgenomen onrechtmatige, en strafbare, handelingen en gedragingen, ten opzichte van cliënten en hun huurders, te verrichten op, nabij en inzake het perceel en erf behorend bij [adres]. (…) Op grond van artikel 6:162 BW is het onrechtmatig om de eigendommen van anderen te beschadigen of te vernielen. (..) Bovendien zijn uw aankondigingen en mededelingen aan te merken als strafbare feiten, te weten, het misdrijf vernieling (artikel 350 Wetboek van Strafrecht) en het misdrijf erfvredebreuk (artikel 138 Wetboek van Strafrecht). (…) Voorzover u per omgaande, dat wil zeggen: onmiddellijk, bevestigt dat u zult afzien van de aangekondigde onrechtmatige gedragingen, vernielingen en misdrijven, zijn cliënten bereid om af te zien van verdere strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures, waaronder een kort geding om dit te verbieden op straffe van dwangsommen. Daarbij zal eveneens een reële of integrale proceskostenveroordeling gevorderd worden. (…) aangezien u eerder een procedure gevoerd heeft om rechterlijke toestemming te verkrijgen in het door u gepretendeerde recht tot toegang tot het perceel van cliënten. Doordat u uw vorderingen in die procedure vervolgens heeft ingetrokken (‘tot nihil verminderd’) heeft er geen rechterlijke beoordeling plaatsgevonden. Desondanks kondigt u nu aan dat u zichzelf ook zonder rechterlijk oordeel het recht geeft om die toegang tot het perceel van cliënten – kennelijk – met geweld te forceren, door het weg- of openbreken van een muur op de erfgrens.” 1.5 Begin december 2023 heeft verweerder met A gecorrespondeerd over (verhinderdata voor) een grensreconstructie. Op 7 december 2023 heeft A aan klaagster geschreven dat zij pas toestemming geeft als er duidelijkheid is over wat de reconstructie inhoudt en dat als besloten wordt toestemming te geven, dit voor één specifieke datum en tijdstip zal zijn. 1.6 Het dossier bevat een relaas van bevindingen opgemaakt op 18 december 2023 naar aanleiding van een door klaagster aangevraagde grensreconstructie. Uit het relaas volgt dat (alleen) klaagster en haar partner aanwezig waren. 1.7 Bij brief van 31 maart 2024 heeft klaagster verweerder en buurman C gesommeerd de vernielingen aan de muur te herstellen. 1.8 Op 18 september 2024 heeft klaagster in een bericht aan C onder meer geschreven dat een beambte van het Kadaster een grensreconstructie heeft uitgevoerd en dat uit het rapport blijkt dat de muur tussen de twee percelen eigendom is van klaagster. Klaagster verzoekt en sommeert C onder meer om de aangebrachte blokkade aan haar muur te verwijderen. 1.9 Verweerder reageert op 4 oktober 2024 en schrijft aan klaagster onder meer: “De grensreconstructie, waar cliënten overigens niet van op de hoogte zijn gesteld of voor uitgenodigd zijn, wijzigt niets in de juridische situatie. Het perceel waarvan uw echtgenoot, de heer (…), eigenaar is heeft geen recht van uitgang op het perceel van [C] en ook geen recht van overpad. (…) Voor het overige zien wij de aangekondigde rechtsmaatregelen of dagvaarding wel tegemoet. Verdere correspondentie inzake dit onderwerp wordt niet gevoerd. (…) Voor de goede orde: ingeval van schade aan eigendommen van cliënten, hun gebruikers/huurders, danwel huisvredebreuk of onrechtmatige betreding van het perceel van [C], zal uiteraard aangifte gedaan worden bij de bevoegde instanties.” 1.10 Bij bericht van 5 november 2024 heeft de partner van klaagster buurman C aangeschreven. 1.11 Op 8 november 2024 schrijft verweerder in een e-mail aan klaagster onder meer: In navolging van mijn bericht van 4 oktober jongstleden (zie bijlage) bericht en sommeer ik u, en voorzover vereist sommeer ik eveneens de heer [K] nog als volgt. Overigens is het u uiteraard al sinds 28 september 2016 bekend dat ik als advocaat en belangenbehartiger optreed voor zowel de heer [C] als mevrouw [A]. (…). Ook is in de namens [klaagster] uitgebrachte dagvaarding d.d. 20 april 2021 (zie bijlage) aangegeven dat ik namens beide cliënten als advocaat optreed. Opvallend genoeg is mevrouw Tafahomi nu van mening dat mevrouw [A] geen partij zou zijn en stuurt u – kennelijk uit naam of namens of met medeweten van de heer [K] – correspondentie aan cliënten en hun makelaar, terwijl de heer [K] destijds geen partij was in die procedure. (….) In feite kunnen wij de sommatie van 28 september 2016 nu weer herhalen, hetgeen zeer spijtig is, maar zeker zeer schadelijk en onrechtmatig ten opzichte van mijncliënten is. Het is verboden én onrechtmatig om een deur te creëren binnen twee meter van de erfgrens, zoals u herhaaldelijk aankondigt en heeft aangekondigd en ook daadwerkelijk tot uitvoering gebracht heeft in het verleden. U kondigt aan dat u een deuropening in de muur op de erfgrens met het perceel van cliënten gaat creëren, onder meer om hierdoor ‘licht en lucht’ te kunnen ontvangen. In uw schrijven van 5 november jongstleden (…) heeft u het over een ‘deur in kwestie’ en ‘uitvoering van de nodige herstelwerkzaamheden’, ‘voldoende afstand houden tot onze muur’, ‘het vrijhouden van onze vluchtweg’ en ‘het toegankelijk houden van de openbare strook grond naast uw woning voor ons en anderen’. Ook maakt u melding van uw bereidheid om ‘uw terrein na voltooiing van de werkzaamheden op te ruimen’. Het een en ander betekent niets anders dan de aankondiging van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht én het recht op privacy van cliënten en de gebruikers / huurders van de woning en bijbehorend erf. Ook wordt aangekondigd dat het erf opgeruimd moet worden, hetgeen inhoudt dat u voornemens bent voorwerpen of bouwafval op hun terrein te laten vallen, gooien of plaatsen, hetgeen eveneens ongeoorloofd en onrechtmatig is. Ook strafrechtelijk is er sprake van een aankondiging van erfvredebreuk (artikel 138 Strafrecht) en overtreding van artikel 461 Strafrecht. Voorzover u ondanks deze sommatie om: 1. geen deur te zullen creëren binnen twee meter van de erfgrens; 2. het erf van cliënten niet te zullen betreden; 3. de privacy van cliënten en hun huurders niet te zullen schenden; 4. geen bouwafval of voorwerpen op het erf te zullen deponeren, desondanks bewust in strijd zult handelen met genoemde verboden, bent u aansprakelijk voor alle kosten, schade en overige rechtsgevolgen van deze onrechtmatige handelingen en verrichtingen, evenals de strafrechtelijke gevolgen van het een en ander. Wat dat betreft behoud ik mij voorshands alle rechten voor namens cliënten.” 1.12 Op 7 november 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 1.13 Op 11 november 2024 heeft klaagster de makelaar verzocht om een bevestiging dat verweerder de advocaat is van buurman C. 1.14 Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven: “Álle correspondentie loopt via ondergetekende. Kennelijk wenst u dit niet te accepteren, maar dat betekent niet dat de door u ontvangen aanzeggingen en sommaties geen rechtsgevolg hebben en gehad hebben. (…) Een advocaat heeft geen bewijs van volmacht nodig, gelet op de bij u bekende aanstelling en belangenbehartiging van mijn cliënten en de werking van artikel 3:71 lid2 BW.” 1.15 Op 23 december 2024 heeft klaagster verweerder aangeschreven over het ladderrecht in verband met (aanstaande) werkzaamheden. 1.16 Op 8 januari 2025 heeft klaagster aan de makelaar onder meer geschreven dat zij enkele weken geleden contact heeft genomen met verweerder, maar dat verweerder hierop niet heeft gereageerd. Eerdere klacht 1.17 Op 18 augustus 2022 heeft klaagster bij de deken een (eerste) klacht ingediend over verweerder. 1.18 Bij beslissing van 1 maart 2023 heeft de voorzitter van de raad van discipline klaagsters klachten deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. De klachten kwamen erop neer dat verweerder zou hebben gelogen over het feit dat er geen deur in de muur was, dat sprake was van belangenverstrengeling, dat hij zou hebben geadviseerd om niet met klaagster in gesprek te gaan, dat hij een derde buiten schot wilde laten en dat hij een verkeerd advies zou hebben gegeven aan zijn cliënt. 1.19 Bij beslissing van 7 augustus 2023 heeft de raad van discipline het door klaagster tegen de beslissing van 1 maart 2023 ingestelde verzet ongegrond verklaard.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende. a) Onethisch optreden en het verhinderen van een constructieve oplossing; (herhaald) onprofessioneel en intimiderend optreden en het aanzetten tot onrechtmatig handelen; het bewust belemmeren van een constructieve oplossing. b) Verweerder weigert consequent bewijs te leveren dat hij als advocaat van buurman C mag optreden. 2.2 Klaagster heeft de klacht als volgt toegelicht: door zijn gedrag heeft verweerder zijn positie als advocaat misbruikt om klaagster op intimiderende wijze te beletten haar eigendomsrechten te herstellen. Verweerder adviseert zijn cliënten om in strijd met het recht te handelen en negeert bewust juridische feiten die voor klaagsters eigendomsrecht relevant zijn. Zijn handelingen zijn in strijd met de integriteit en professionaliteit die van een advocaat verwacht mag worden. Ondanks duidelijke bewijzen (de recente grensreconstructie door het Kadaster) adviseert en ondersteunt verweerder zijn cliënt al jaren om dit eigendomsrecht te negeren en een oplossing te blokkeren. Dankzij verweerders actieve rol in deze aanpak weigert de heer C alle initiatieven tot mediation en afhandeling via de wijkrechter en wijst hij structureel elk voorstel tot overleg af. Verweerder verdraait herhaaldelijk de feiten, vertraagt bewust procedures en weigert zijn medewerking, verspreidt onwaarheden en ondersteunt bij de strafbare daad van vernieling. Verweerder zet aan tot en faciliteert onrechtmatig handelen. 2.3 Klaagster heeft concreet gewezen op verweerders e-mail van 8 november 2024. Klaagster stelt dat deze e-mail onder meer intimiderend is, dat verweerder in deze e-mail verschillende onjuiste aannames doet en dreigende taal richting klaagster uit. Klaagster heeft verder gewezen op onder meer verweerders brief van 2 september 2023. 2.4 Klaagster heeft er verder op gewezen dat verweerder in de eerder gevoerde procedure herhaaldelijk alle feiten heeft betwist, zelfs dat klaagsters huis haar eigendom is, ondanks overtuigend bewijs. Klaagster heeft opnieuw kosten moeten maken om opnieuw een Kadasteronderzoek te laten uitvoeren om dit eigendom nogmaals te bewijzen. Toch blijft verweerder namens zijn cliënt weigeren de aangebrachte vernielingen te herstellen. Verweerder weigert bovendien de dagvaarding met betrekking tot de vernielingen in ontvangst te nemen, terwijl hij beweert de advocaat te zijn van de heer C.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader ontvankelijkheid 4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden. Klacht deels niet-ontvankelijk 4.3 Klaagster heeft haar klacht op 7 november 2024 bij de deken ingediend. Haar klacht lijkt ook te zien op gedragingen van verweerder in 2021 en eerder. Zo vraagt klaagster of verweerder in 2021, kennelijk bij het aannemen van de dagvaarding in april 2021, wel een machtiging had om namens buurman C op te treden. Voor zover klaagsters klacht zich ook richt tegen gedragingen van verweerder van vóór 7 november 2021, is de klacht niet-ontvankelijk, omdat deze te laat is ingediend gelet op de hiervoor genoemde termijn van drie jaar. Dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, is de voorzitter niet gebleken. Inhoudelijk toetsingskader 4.4 Voor zover de klacht ontvankelijk is, geldt het volgende toetsingskader voor een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Inhoudelijke beoordeling 4.5 De klacht ziet op verweerders handelen als advocaat van klaagsters wederpartij. Klaagster ervaart dat handelen als onder meer onprofessioneel en intimiderend. De voorzitter kan de juistheid van die verwijten op grond van het klachtdossier niet vaststellen. Verweerder maakt gebruik van de grote mate van vrijheid die hem als advocaat toekomt. De toon van zijn berichten, waaronder de e-mails van 2 september 2023 en 8 november 2024, is zakelijk en correct. Dat verweerder zijn cliënt stimuleert of aanzet tot het plegen van strafbare feiten, blijkt niet uit het klachtdossier. Evenmin blijkt dat verweerder de feiten verdraait, procedures bewust vertraagt, onethisch optreedt, een oplossing verhindert en/of onwaarheden verspreidt. 4.6 Verweerder is verder niet gehouden aan klaagster te bewijzen dat hij namens de buurman optreedt. De advocaat wordt in dat opzicht op zijn woord geloofd. Ook kan klaagster verweerder niet verplichten een (nieuwe) dagvaarding aan te nemen, als verweerders cliënt geen domicilie kiest op verweerders kantoor. Dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld jegens klaagster is de voorzitter niet gebleken. Klaagsters klachten zijn, voor zover ontvankelijk, dan ook kennelijk ongegrond. Tot slot 4.7 Voor zover klaagster in haar aanvulling van 10 september 2025 nieuwe klachten heeft ingediend, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c van de Advocatenwet. Daarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat nieuwe klachten daarom buiten beschouwing. Hetgeen klaagster als nadere toelichting in haar bericht van 10 september 2025 heeft opgenomen, is vanzelfsprekend wel meegenomen. 4.8 Klaagster lijkt haar geschil met haar buren nu via de tuchtrechter te willen beslechten. De tuchtrechter geeft echter geen oordeel in die kwestie, maar beoordeelt alleen het handelen en/of nalaten van verweerder. Als klaagster een oordeel wil over het geschil met haar buren, dan dient zij de kwestie voor te leggen aan de civiele rechter.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk, voor zover deze ziet op gedragingen van verweerder van vóór 7 november 2021; - de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, voor het overige kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 oktober 2025
