Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:231

Zaaknummer

25-055/AL/MN

Inhoudsindicatie

Verzetbeslissing. Klager heeft zijn (tweede) klacht op 8 maart 2024 ingediend bij de deken, zodat de voorzitter op grond van voormelde regel terecht heeft geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is voor zover die ziet op het handelen van verweerder van vóór 8 maart 2021. De uitzondering in lid 2 van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van toepassing. Voor het overige heeft klager inhoudelijke argumenten aangevoerd die voor de raad niet altijd goed zijn te volgen en waarvan het ook niet duidelijk is of deze betrekking hebben op de klacht tegen verweerder of zien op het geschil tussen klager met en zijn wederpartij, terwijl het beoordelingskader in verzetzaken beperkt is. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 27 oktober 2025

in de zaak 25-055/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 maart 2025 op de klacht van:

 

klager

gemachtigde: J.G.L. Bruins-Uneken

 

over

 

verweerder

 

1 Verloop van de procedure

1.1 Op 3 november 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een (eerste) klacht ingediend over verweerder. Op 2 oktober 2021 heeft klager deze klacht ingetrokken.

1.2 Op 8 maart 2024 heeft klager bij de deken wederom een klacht bij de deken ingediend over verweerder.

1.3 Op 27 januari 2025 heeft de raad het klachtdossier over die klacht met kenmerk 2328998 van de deken ontvangen. Op 10 februari 2025 is nog een aanvullende e-mail met bijlagen van klager ontvangen.  

1.4 Bij beslissing van 17 maart 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover daarin wordt geklaagd over het optreden van verweerder vóór 8 maart 2021, en voor het overige heeft de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 14 april 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025 . Daarbij waren klager, bijgestaand door zijn gemachtigde, en verweerder aanwezig.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift . Ook heeft de raad kennisgenomen van het e-mailbericht van de zijde van klager van 13 augustus 2025 met bijlagen.

 

2 VERZET

De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

 

I) de beslissing is gebaseerd op onjuiste feiten

Toelichting : In overweging 1.1 van de beslissing van de voorzitter staat onder meer ‘Apothekers in de regio [plaatsnaam] Deelnemers hebben daartoe certificaten in aandelen ontvangen’. Dat laatste is niet juist. Klager heeft als deelnemer in [X] namelijk geen certificaten ontvangen. Dat is juist de kern van alle klachten en procedures. 

 

II) de verjaringstermijn is nog niet aangevangen

Toelichting : Verweerder heeft in de (eerste) klachtprocedure ten aanzien van de klacht van 3 november 2021 een verklaring van een notaris ingebracht. Daarmee is klager door verweerder bewust verkeerd geïnformeerd en zijn rechters misleid. Klager heeft daarom op onjuiste gronden zijn klacht van 3 november 2020 ingetrokken. Het intrekken van die klacht is op onjuist door verweerder gepresenteerde feiten gebaseerd. Klager verzoekt de raad daarom om niet alleen ook de klacht van 8 maart 2024 maar ook de klacht van 3 november 2020 ten volle te behandelen. De verjaringstermijn is nog niet aangevangen.

Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van klager het verzet toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnota.

 

3 feiten en klacht

3.1 Voor de vaststaande feiten, behalve ten aanzien van hetgeen hierna aan te orde komt, en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

 

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 In zijn eerste verzetgrond stelt klager dat de beslissing van de voorzitter is gebaseerd op onjuiste feiten. In het bijzonder betreft het de zinsnede ‘Deelnemers hebben daartoe certificaten in aandelen ontvangen’. De raad is van oordeel dat dit feit inderdaad niet juist is weergeven. Dat de deelnemers geen certificaten van aandelen hebben ontvangen is echter niet in geschil tussen klager en verweerder, wel de consequenties die dat zou moeten hebben. De raad is van oordeel dat de onjuiste zinsnede niet dragend is voor de beslissing van de voorzitter. Deze heeft terecht geoordeeld dat het geschil tussen klager en de cliënte van verweerder daarover, en de vermeende rol van verweerder daarbij, al meer dan drie jaar voor 8 maart 2024 ontstaan is.

4.3 De raad begrijpt de tweede verzetgrond van klager aldus dat klager van mening is dat de voorzitter hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover de klacht ziet op het handelen van verweerder van vóór 8 maart 2021.

4.4 De raad overweegt dat op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet een klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk wordt verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Klager heeft zijn (tweede) klacht op 8 maart 2024 ingediend bij de deken, zodat de voorzitter op grond van voormelde regel terecht heeft geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is voor zover die ziet op het handelen van verweerder van vóór 8 maart 2021. De uitzondering in lid 2 van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van toepassing. Dat klager zijn eerste klacht uit 2020 volgens zijn verklaring op onjuiste gronden heeft ingetrokken maakt dat niet anders.

4.5 Voor het overige heeft klager inhoudelijke argumenten aangevoerd die voor de raad niet altijd goed zijn te volgen en waarvan het ook niet duidelijk is of deze betrekking hebben op de klacht tegen verweerder of zien op het geschil tussen klager met [X], terwijl in het kader van het verzoek het beoordelingskader zich beperkt tot hetgeen hiervoor onder 4.1 is vermeld.

4.6 De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Of er al dan niet certificaten zijn uitgereikt aan de deelnemers was geen relevant feit voor de beoordeling van de klacht, maar heeft betrekking op het inhoudelijke geschil tussen klager en [X]. De raad zit daarin geen enkele aanleiding om de klacht inhoudelijk te beoordelen en de raad betwijfelt in redelijkheid dan ook niet of de beslissing van de voorzitter juist is.

4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom voor het overige ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

 

verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff , voorzitter, mr. H.J. Voors en H. van Katwijk, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.

 

Griffier                                                                              Voorzitter

 

Verzonden op 27 oktober 2025