Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:229
Zaaknummer
25-511/AL/OV
Inhoudsindicatie
De voorzitter verklaart een klacht over het handelen van een deken kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 27 oktober 2025
in de zaak 25-511/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel van 4 augustus 2025 met kenmerk 2492493.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 19 maart 2025 heeft klager de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Den Haag om aanwijzing van een advocaat op basis van artikel 13 van de Advocatenwet verzocht. Deze deken heeft het verzoek vervolgens aan verweerder gestuurd, omdat verweerder de bevoegde deken is om een beslissing te nemen op dit verzoek.
1.2 In een brief van 20 maart 2025 heeft verweerder het verzoek van klager afgewezen. Die brief van verweerder aan klager luidt, voor zover relevant, als volgt:
Het moment van indienen van uw verzoek en het feit dat de door u gewenste proceshandeling morgen, 21 maart 2025, dient plaats te vinden heeft tot gevolg dat ik geen advocaat voor u zal aanwijzen. De laattijdige indiening door u van het aanwijzingsverzoek staat aan de aanwijzing van een advocaat in de weg. Een advocaat kan in alle redelijkheid niet binnen de termijn van één dag worden belast met de inhoudelijke behandeling van een zaak. Het vorenstaande vormt dan ook gegronde reden om uw verzoek af te wijzen. Verder is de zaak waarvoor u aanwijzing verzoekt (spoed kort-geding tegen het Openbaar Ministerie op 21 maart 2025) kansloos. De inhoudelijke aspecten op basis waarvan u een spoed kort geding wenst op 21 maart 2025, betreffen verzoeken waarover uitsluitend de strafrechter zal oordelen en niet de civiele rechter. Als deken wijs ik geen advocaat aan als op voorhand duidelijk is dat met een procedure bij de rechter niet kan worden bereikt wat de rechtzoekende wil. Ik ben van mening dat de door u gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Dit vormt eveneens een gegronde reden om uw verzoek af te wijzen.(…) Kortom, uw verzoek om aanwijzing van een advocaat wordt, primair vanwege de laattijdigheid van indiening hiervan en subsidiair vanwege het kansloze karakter van de door u gewenste procedure, afgewezen. Indien u zich met mijn beschikking niet kunt verenigen, kunt u binnen zes weken na de bekendmaking van deze beschikking op basis van art. 13, lid 3 van de Advocatenwet beklag doen bij het Hof van Discipline te Den Haag. Ik moet u er hierbij op wijzen dat een dergelijk beklag niet tot resultaat kan hebben dat alsnog een advocaat kan worden aangewezen om hoger beroep voor u in te stellen, aangezien de termijn reeds is verstreken.
1.3 Klager heeft na de afwijzing van zijn verzoek beklag gedaan bij het hof van discipline Verweerder heeft hiertegen verweer gevoerd.
1.4 Klager heeft op 27 maart 2025 bij het hof van discipline een klacht tegen verweerder ingediend. Op 1 mei 2025 is deze klacht door het hof van discipline voor onderzoek en afhandeling naar de deken in het arrondissement Overijssel verwezen.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder aan klager geen advocaat heeft willen aanwijzen op het moment dat hij er een nodig had. Verweerder heeft zijn verzoek als kansloos bestempeld en daarmee klager aantoonbaar hebben tegengewerkt.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Het in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Als hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat een belanghebbende na een afwijzing van het verzoek om een advocaat aan te wijzen, beklag kan doen bij het hof van discipline. Klager heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De vraag of verweerder inhoudelijk juist heeft gehandeld, is op grond van deze bepaling voorbehouden aan het hof van discipline. In deze tuchtprocedure is alleen de vraag nog aan de orde of verweerder - los van zijn inhoudelijke beslissing - door zijn optreden het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De voorzitter beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek transparant, tijdig en respectvol met klager gecommuniceerd. Van het tegenwerken van klager of van ander tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is dan ook geen sprake. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025
