Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:233
Zaaknummer
25-248/AL/MN
Inhoudsindicatie
Verzetbeslissing. Ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 27 oktober 2025
in de zaak 25-248/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 juni 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 Verloop van de procedure
1.1 Op 24 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2385355 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Op diezelfde dag heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 De mondelinge behandeling van het verzet is geagendeerd op 1 september 2025. Klager en verweerster zijn voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. Van de zijde van verweerster heeft de raad bericht ontvangen dat zij niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling. Klager is zonder bericht niet verschenen op de zitting van de raad van 1 september 2025 .
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) De voorzitter is van de onjuiste veronderstelling uitgegaan dat klager ‘er voor koos’ om geen andere advocaat in te schakelen.
Toelichting : De voorzitter stelt in overweging 4.6 dat klager nog tijd had om een andere advocaat te vinden, en dat het verstrijken van de termijn ‘voor eigen risico kwam’. Die bewering is feitelijk onjuist en negeert dat klager geen advocaat kon vinden, ondanks actieve pogingen. Het negeert ook dat het artikel 13-verzoek bij de NOvA is afgewezen om redenen buiten de macht van klager en dat klager niet vrijwillig koos, maar door omstandigheden werd buitengesloten van toegang tot hoger beroep.
II) Het structurele spanningsveld tussen overheidsbetalingen en advocatentermijnen wordt genegeerd.
Toelichting : De voorzitter gaat volledig voorbij aan de structurele problemen dat gemeenten acht weken de tijd nemen om bijzondere bijstand of toevoeging uit te betalen, terwijl advocaten standaard veertien dagen betalingstermijn hanteren. Hierdoor ontstaat een financieel vacuüm, waarin rechtzoekenden zoals klager feitelijk geen toegang tot de rechter hebben, ondanks formeel bestaande rechten.
III) Ongelijke behandeling ten opzichte van andere advocaten.
Toelichting : Klager heeft aangetoond dat andere advocaten wél bereid zijn te wachten op betaling vanuit de overheid en hun cliënten niet laten vallen als er tijdelijk geen geld is. De voorzitter legitimeert echter een gedragslijn van [verweerder] waarin geen coulance wordt betracht. Daarmee ontstaat een impliciete norm: wat bij andere advocaten als zorgplicht geldt, wordt hier buiten beschouwing gelaten.
3 feiten en klacht
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. De zinsnede in overweging 4.6 ‘Klager heeft daarvoor niet gekozen (…)’ heeft de strekking dat het een feit is dat klager geen andere advocaat heeft ingeschakeld. In zijn eerste en tweede verzetgrond licht klager nu toe waarom dat volgens hem zo was, maar dat doet niet af aan het feit dat hij geen andere advocaat had ingeschakeld. De beslissing wordt er daarom ook niet anders van. Dat volgens klager andere advocaten het anders doen dan verweerster doet ook niet af aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mr H.J. Voors en mr. H. van Katwijk, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025
