Rechtspraak
Uitspraakdatum
30-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:212
Zaaknummer
250350
Inhoudsindicatie
Klacht over (voormalig) deken niet verwezen. De aanstaande behandeling van de onderliggende klacht bij de Raad van Discipline is de geëigende plek om ook gerezen bezwaren tegen het dekenonderzoek naar die klacht naar voren te brengen en zonodig aan te voeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Die procedure moet eerst worden doorlopen
Uitspraak
van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 30 oktober 2025
in de zaak 250350
naar aanleiding van het verzoek van:
klager
tegen:
verweerster
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 15 oktober 2025 van klager aan verweerster, waarin klager een klacht over verweerster heeft geformuleerd en klager verweerster verzoekt de klacht in te dienen bij het Hof van Discipline, zodat het hof de klacht kan onderzoeken. Het hof heeft de klacht op 16 oktober 2025 per e-mail van een stafmedewerker van de deken ontvangen.
1.2 De klacht houdt in dat verweerster slecht onderzoek heeft gedaan naar een klacht van klager over advocaat mr. Van der P en daarover in de dekenvisie van 26 juni 2025 ook een slecht standpunt heeft ingenomen, waardoor verweerster de Raad van Discipline onjuist en onvolledig over het naar klager stelt onjuiste en onrechtmatig handelen van mr. Van der P heeft geïnformeerd. Klager vindt dat verweerster daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Klager voert verder aan dat er sprake is van een patroon bij de klachtbehandeling door dekens, dat bestaat uit het doorschuiven van klachten naar de tuchtrechter, zonder adequaat dekenbezwaar/dekenstandpunt, en klager verzoekt het hof ook dat te onderzoeken.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een (voormalig) deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter beschouwt het verzoek van klager daarom als een verzoek tot verwijzing. Daarbij merkt de voorzitter op dat het hof alleen concrete klachten die betrekking hebben op het handelen dan wel nalaten van een specifieke deken kan verwijzen. Een algemeen onderzoek naar de klachtbehandeling door dekens zoals klager wenst, valt buiten deze procedure. Het hof beschouwt het verzoek van klager daarom als een verzoek tot verwijzing van de klacht van klager over verweerster naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit toe als volgt.
2.2 De voorzitter constateert dat de klacht van klager betrekking heeft op het onderzoek naar en het dekenstandpunt van de deken over de klacht van klager over mr. Van der P. Deze klacht bevindt zich op dit moment in het stadium van doorgeleiding naar de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam. Uit de stukken blijkt dat de deken het door klager betaalde griffierecht heeft ontvangen en uit navraag door het hof bij het bureau van de Amsterdamse orde is gebleken dat de klacht op korte termijn aan de raad zal worden doorgezonden.
2.3 De aanstaande behandeling van de klacht over mr. Van der P bij de Amsterdamse Raad van Discipline is de geëigende plek om ook gerezen bezwaren tegen het dekenonderzoek naar die klacht naar voren te brengen en zonodig aan te voeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Die procedure moet eerst worden doorlopen en daarom zal de voorzitter de klacht over verweerster in dit stadium niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 30 oktober 2025 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 30 oktober 2025.
