Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:198
Zaaknummer
25-198/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klacht deels niet-ontvankelijk, omdat klaagster geen belang heeft bij haar klacht over tegenstrijdig belang. Klacht voor het overige ongegrond. De rechtbank heeft een bericht over een machtiging tot binnentreden per ongeluk niet naar de curator gestuurd, maar naar het advocatenkantoor van verweerder. De brief was niet gericht aan een specifiek geadresseerde. Begrijpelijk dat medewerkers van kantoor het bericht onder de aandacht van verweerder hebben gebracht. Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder daarvan kennis heeft genomen en het bericht en naar zijn cliënt heeft doorgestuurd.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 oktober 2025 in de zaak 25-198/DH/DH naar aanleiding van de door:
klaagster gemachtigde: [NW]
ingediende klacht over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 2 september 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 5 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K179 2024 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 07 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 14. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klaagster op 4 juli en 18 augustus 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klaagster is schuldeiser van [RWP] (hierna: RWP). RWP is statutair gevestigd te [plaats 1] maar houdt kantoor aan het adres [adres 1]. Op dat adres is ook [M] B.V. gevestigd. 2.3 Verweerder was destijds advocaat van de Stichting Participaties [RWP]. (hierna: STAK) en staat thans onder andere het bestuur/bestuursleden van RWP en [M] bij. Verweerder treedt tevens op als advocaat van [V] Holding B.V. (hierna: [V]). [V] is aandeelhouder respectievelijk certificaathouder en bestuurder van RWP en STAK. [V] is tevens 50% aandeelhouder van [M]. 2.4 In februari 2023 heeft verweerder namens [V] en STAK aan de advocaat van klaagster een voorstel gedaan over onder andere de overdracht van de ondernemingen [RWP] Holding en [RWP]. 2.5 RWP is op 4 april 2023 failliet verklaard en er is een curator benoemd. 2.6 Op 16 juli 2024 heeft de faillissementsgriffie van de rechtbank Den Haag per e-mail een brief van de waarnemend rechter-commissaris verzonden aan het secretariaat van het kantoor van verweerder. Deze e-mail is in cc verzonden aan mr. S., kantoorgenote van verweerder. Mr. S. heeft deze e-mail doorgestuurd naar verweerder. 2.7 De inhoud van de hiervoor bedoelde brief is de volgende: “Aan ieder die dit aangaat,
Op 4 april 23 is door de rechtbank failliet verklaard: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [RWP], (…) met benoeming van (…) tot curator. Sinds de datum van faillietverklaring is de curator onder meer doende met het verzamelen van benodigde informatie en het inventariseren van activa in het kader van de afwikkeling van de faillissementen. In het kader van zijn onderzoek is de curator tot de slotsom gekomen dat er concrete aanwijzingen zijn dat nog niet alle benodigde informatie beschikbaar is (gesteld). De curator heeft aanleiding te vermoeden dat op de locatie [adres 1] ([M] B.V.) verdere informatie, in de vorm van bescheiden en/of bestanden, aanwezig is. Op grond van artikel 93a van de Faillissementswet (Fw) heeft de curator toegang tot de bedrijfsruimte aan de [adres 1]. Artikel 93a Fw luidt: De curator heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. De rechter-commissaris is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden betreft het binnentreden van een woning en is derhalve in dit geval niet van toepassing. Naar het oordeel van ondergetekende heeft de curator voldoende aannemelijk gemaakt dat het binnentreden bij de bedrijfsruimte aan de [adres 1] redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak. Tevens wordt hier gewezen op artikel 92 Fw, waaruit onder meer volgt dat de curator de aan te treffen bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangstbewijs onmiddellijk onder zich neemt. Hierbij verzoek ik alle bevoegde instanties die medewerking c.q. assistentie aan de curator te verlenen die hij in verband met het binnentreden van de bedrijfsruimte verlangt, in het bijzonder assistentie van de politie voorafgaande en tijdens de binnentreding van de bedrijfsruimte. “ 2.8 Verweerder heeft na ontvangst van deze brief contact gezocht met de curator. De curator is vervolgens naar het adres [adres 1] gegaan. Ook verweerder en de directie van RWP zijn daarheen gegaan. De curator is niet binnengetreden. 2.9 Op 27 augustus 2024 heeft de rechtbank Den Haag aan de gemachtigde van klaagster geschreven: “(…) Het is juist dat onze faillissementsgriffie op 16 juli 2024 een door de waarnemend rechter-commissaris afgegeven machtiging tot binnentreden per ongeluk niet naar de curator (…) maar naar mr. S. van het advocatenkantoor [naam kantoor] heeft verzonden. Mr. S. heeft op haar beurt [verweerder], tevens zijnde advocaat van [M] B.V., op de hoogte gesteld. Wij vinden het heel spijtig dat deze fout aan onze kant is gemaakt. Dit had nooit mogen gebeuren. Wat de gevolgen van deze fout zijn is achteraf niet vast te stellen. De curator heeft u in dit verband ook verteld dat niet kan worden vastgesteld dat bewijsmateriaal verloren is gegaan dan wel dat andere schade is ontstaan. Door het raam heeft hij het gehuurde bekeken en daarbij geconstateerd dat deze ogenschijnlijk niets bevatte waarnaar hij op zoek was. De curator heeft u dit op 12 augustus jl. ook uitgelegd. Hoewel de hele gang van zaken zeer kwalijk is, kan dit helaas niet ongedaan worden gemaakt. Iets anders dan onze excuses aanbieden, is dan ook niet mogelijk. (…)” 2.10 Op 2 september 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij a) na ontvangst van de brief van 16 juli 2024 de rechter-commissaris niet heeft gebeld; b) zijn cliënt op de hoogte heeft gebracht van het feit dat aan de curator een machtiging tot binnentreden was verleend; c) optreedt voor verschillende partijen die potentieel een tegenstrijdig belang hebben; d) zijn verantwoordelijkheid als managing partner binnen zijn kantoor niet heeft genomen.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. 5.2 De onderhavige klacht betreft het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij. De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.3 Voor de beoordeling van de klacht wordt bij bovenstaande aansluiting gezocht. Klachtonderdelen a), b) en d) 5.4 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 5.5 De brief die verweerder van zijn kantoorgenote mr. S. ontving was niet gericht aan een specifieke geadresseerde maar aan “eenieder die het aangaat”. Gelet daarop is het naar het oordeel van de raad begrijpelijk dat deze door de medewerker(s) van het kantoor van verweerder onder de aandacht van verweerder als advocaat van het bestuur van de gefailleerde en [M] is gebracht en dat verweerder naar aanleiding daarvan contact heeft opgenomen met de curator. De inhoud van de brief zag immers op een aan die curator toegekende bevoegdheid bij zijn cliënt binnen te treden. Het is bovendien ook niet gebruikelijk om als advocaat van het bestuur van een failliet verklaarde cliënt contact op te nemen met de rechter-commissaris. De contacten met de rechter-commissaris verlopen immers via de curator. 5.6 Anders dan klaagster stelt was de brief in kwestie niet een beslissing / beschikking van de rechter-commissaris maar slechts een algemene kennisgeving aan “een ieder die het aangaat” dat de curator tot binnentreden bij [M] bevoegd was en dat daaraan medewerking moest worden verleend. Uit de brief blijkt ook niet dat hij niet voor de cliënt(en) van verweerder bestemd was. Dat verweerder deze brief aan zijn cliënt(en) heeft doorgestuurd is dan ook niet tuchtrechtelijke verwijtbaar. Sterker nog, gelet op het bepaalde in gedragsregel 16 zou juist het niet informeren van zijn cliënt over de brief tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest zijn. 5.7 De raad merkt in dit verband nog wel op, dat hetgeen verweerder over het moment en de wijze van doorsturen van de brief aan zijn client heeft verklaard tijdens het dekenonderzoek (‘de secretaresse heeft de e-mail aan hem én de client(en) doorgestuurd’) afwijkt van hetgeen hij daarover ter zitting ook naar voren heeft gebracht (‘verweerder heeft e-mail na het telefoongesprek zelf aan de client(en) doorgestuurd’) en verweerder vragen daarover van de raad ook niet adequaat kon beantwoorden. De raad begrijpt dat dit bij klaagster vragen oproept over de gang van zaken en tot wantrouwen bij klaagster leidt. Echter de raad komt tot de conclusie dat het één het ander niet hoeft uit te sluiten, terwijl het moment van doorsturen op zichzelf genomen ook niet van belang is voor de beoordeling van de klacht. 5.8 Deze klachtonderdelen zijn naar het oordeel van de raad dan ook ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.9 Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Op basis van hetgeen klaagster heeft gesteld ter onderbouwing van dit klachtonderdeel, kan de raad niet vaststellen dat daarvan sprake is. De regels omtrent de onafhankelijkheid van de advocaat en het voorkomen van belangenverstrengeling hebben bovendien niet de bescherming van de belangen van de wederpartij maar die van de eigen client tot doel. 5.10 Dit klachtonderdeel zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klachtonderdelen a), b) en d) ongegrond; - verklaart klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. H. Warendorp Torringa en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 oktober 2025
