Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:200

Zaaknummer

25-570/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Uit niets blijkt dat verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 oktober 2025 in de zaak 25-570/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 21 augustus 2025 met kenmerk A 2024/241 kh/edl, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 50.  

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager was tot 2 januari 2025 als advocaat werkzaam in het arrondissement Midden-Nederland.  1.2    Verweerster is deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland.  1.3    Verweerster heeft in haar hoedanigheid van deken tuchtrechtelijke procedures tegen klager gevoerd.  1.4    Op 20 september 2024 en op 20 december 2024 heeft verweerster verzoeken ex artikel 60ab Advocatenwet (hierna: Advw) tegen klager ingediend.  1.5    Op 22 november 2024 heeft verweerster een dekenbezwaar tegen klager ingediend.  1.6    Op 14 oktober 2024 heeft de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) het verzoek ex 60ab Advw toegewezen. Klager is met onmiddellijke ingang geschorst.  1.7    Klager is in beroep gegaan tegen de uitspraak van de raad.  1.8    Op 5 november 2024 heeft klager bij het Hof van Discipline (hierna: het Hof) een klacht ingediend over verweerster.  1.9    In een brief van 6 november 2024 heeft klager aan de voorzitter van het Hof verzocht om de klacht naar een andere deken te verwijzen voor onderzoek en behandeling. 1.10    Bij beslissing van 21 november 2024 heeft de voorzitter van het Hof de klacht van klager voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.  1.11    Op 2 januari 2025 heeft klager zich van het tableau laten uitschrijven als advocaat.  1.12    Op 17 januari 2025 heeft de raad klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om opheffing van de onmiddellijke schorsing.  1.13    Op 17 maart 2025 heeft de raad uitspraak gedaan op het dekenbezwaar. Aan klager is de maatregel van een schrapping opgelegd. Klager is in beroep gegaan tegen deze uitspraak. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij:  a)    de door haar ingediende tuchtrechtelijke klachten/procedures tegen klager in handen had moeten leggen van een andere deken, dan wel het college van toezicht op de advocatuur; b)    het kantoor van klager op 4 november 2024 niet had mogen bezoeken, nu zij wist dat klager “in een veranderende procespositie zat”; c)    in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld door essentiële zaken niet op te nemen in het door haar ingediende schorsingsverzoek.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 4.2    Als deken oefent verweerster - in beginsel - niet haar beroep van advocaat uit, maar houdt zij toezicht op de naleving van (onder meer) de Advocatenwet. Mede gelet hierop zijn er naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten met haar beroep van en praktijk als advocaat en zal getoetst worden of verweerster in haar functie van deken zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. 4.3    De voorzitter stelt ten aanzien van klachtonderdeel a) vast dat verweerster de verzoeken 60ab Advw heeft ingediend in haar hoedanigheid van deken van de orde waartoe klager behoorde. Ook het tegen klager ingediende dekenbezwaar heeft verweerster in die hoedanigheid ingediend. Gelet op de vestigingsplaats van (het kantoor van) klager valt niet in te zien dat deze procedures door een andere deken of een college van toezicht hadden moeten worden ingediend. Klager heeft dit klachtonderdeel ook niet nader onderbouwd.  4.4    Ten aanzien van klachtonderdeel b) overweegt de voorzitter dat door verweerster gemotiveerd is aangevoerd dat zij klager op 4 november 2024 op zijn kantoor heeft bezocht naar aanleiding van de uitspraak van de raad van 14 oktober 2024 waarbij klager met onmiddellijke ingang was geschorst. Het bezoek strekte ertoe om de schorsingsvoorwaarden met klager te bespreken. Verweerster bezocht klager in haar hoedanigheid van toezichthouder. Daarbij komt dat klager stelselmatig weigerde op het Bureau van de Orde te verschijnen, hetgeen de toezichthoudende taken van verweerster frustreerde. Het verwijt van klager dat verweerster dit niet had mogen doen omdat zij wist dat klager “in een veranderende procespositie zat”, is niet nader onderbouwd of toegelicht, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.   4.5    Ten aanzien van klachtonderdeel c) overweegt de voorzitter dat het aan klager is om voor hem van belang zijnde stukken in een procedure in te brengen en dat verweerster gemotiveerd heeft aangevoerd dat de genoemde stukken in ieder geval deels door haar in de procedures waren ingebracht. Dat verweerster bewust essentiële zaken niet zou hebben opgenomen in het daar haar ingediende schorsingsverzoek jegens klager, is de voorzitter in ieder geval niet gebleken en klager heeft ook dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd.  4.6    De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat uit niets blijkt dat verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocaat zou hebben geschaad. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. De voorzitter zal de klacht daarom in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. Van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 15 oktober 2025