Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:211
Zaaknummer
250268
Inhoudsindicatie
Tweede schorsing 60ab wordt door het hof met onmiddellijke ingang opgeheven. De raad heeft zich voor de toewijzing van het 60ab-verzoek primair gebaseerd op een nog in hoger beroep lopende schrappingsbeslissing van de raad van 28 oktober 2024, maar daarnaast ook op een door de deken ter zitting gegeven toelichting op het op handen zijnde coachingstraject van verweerder. Het coachingstraject is echter door de deken niet aan het 60ab-verzoek ten grondslag gelegd en de raad is bij zijn beslissing bovendien uitgegaan van onvolledige informatie. Bij beslissing van heden heeft het hof voorts de schrappingsbeslissing van 28 oktober 2024 vernietigd en de (door de deken in het algemeen belang voortgezette) klacht buiten behandeling gesteld.
Uitspraak
van 24 oktober 2025
in de zaak 250268
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. E.A.M. Mannheims, advocaat te Amsterdam
tegen:
deken
1 INLEIDING
1.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft verweerder – opnieuw – met onmiddellijke ingang geschorst op grond van artikel 60ab Advocatenwet. Verweerder heeft van deze beslissing hoger beroep ingesteld. Het hof overweegt dat de raad zich voor de toewijzing van het 60ab-verzoek primair heeft gebaseerd op een nog in hoger beroep lopende schrappingsbeslissing van de raad van 28 oktober 2024, maar daarnaast ook op een door de deken ter zitting gegeven toelichting op het op handen zijnde coachingstraject van verweerder. Het coachingstraject is echter door de deken niet aan het 60ab-verzoek ten grondslag gelegd en de raad is bij zijn beslissing bovendien uitgegaan van onvolledige informatie. Bij beslissing van heden heeft het hof voorts de schrappingsbeslissing van 28 oktober 2024 vernietigd en de (door de deken in het algemeen belang voortgezette) klacht buiten behandeling gesteld. Het hof heft de 60ab-schorsing met onmiddellijke ingang op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het verzoek en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in deze zaak op grond van artikel 60ab Advocatenwet (zaaknummer: 25-400/DB/LI/D) een beslissing genomen op 10 juli 2025. In deze beslissing is het verzoek van de deken om verweerder op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang te schorsen toegewezen en de termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 van de Advocatenwet op zes weken na dagtekening van zijn beslissing bepaald.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:108 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 1 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; de aanvulling op het beroepschrift van 2 augustus 2025; de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 14 augustus 2025; het verweerschrift van de deken; de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 19 september 2025.2.5 Het hof heeft de zaak, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak 240346D, mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 26 september 2025. Daar zijn verweerder met zijn gemachtigde en de deken met mevrouw mr. P. verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
Eerdere tuchtrechtelijke beslissingen
3.2 Op 7 maart 2024 heeft de (toenmalige) deken een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet bij de raad ingediend. Aan het verzoek is een dekenbezwaar over de financiële situatie van verweerder ten grondslag gelegd. Ook is de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder aan het verzoek ten grondslag gelegd. De deken heeft daarbij onder meer gewezen op bij de raad lopende klachtzaken van twee oud-cliënten (RS en R).
3.3 Op 2 april 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:49) heeft de raad het verzoek van de deken op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet toegewezen en verweerder met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van de praktijk als advocaat (hierna: de 60ab-schorsing). Ook heeft de raad voorlopige voorzieningen getroffen. Aan deze beslissing is onder meer de klachtzaak van RS tegen verweerder ten grondslag gelegd.
3.4 Nadat RS op 8 maart 2024 zijn klacht had ingetrokken, heeft de raad bij beslissing van 27 mei 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:74) besloten tot voortzetting van de klacht van RS tegen verweerder om redenen van algemeen belang, overeenkomstig artikel 47a van de Advocatenwet. Daarbij is bepaald dat de deken als klager zal worden aangemerkt.
3.5 Op 5 augustus 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:236) heeft het hof de 60ab-schorsing bekrachtigd, maar de door de raad getroffen voorlopige voorzieningen vernietigd. Het hof heeft onder meer overwogen:
“7.2 De deken heeft aan het verzoek tot onmiddellijke schorsing in de uitoefening van de praktijk ten grondslag gelegd het ‘tweede’ dekenbezwaar zoals ingediend op 20 februari 2024. Dat bezwaar ziet op niet of onvoldoende meewerken aan toezicht op de financiële houdbaarheid van de praktijkvoering door verweerder. Daarbij heeft de deken aangevoerd dat verweerder ondermaats presteert. De deken heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van dit hof van 15 maart 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:75)[1] en naar een aantal lopende klachtzaken tegen verweerder, waarvan in één op 24 juni 2024[2] uitspraak is gedaan door de raad en waarbij aan verweerder de maatregel van schrapping is opgelegd wegens wezenlijke tekortkomingen in de kwaliteit van de dienstverlening. Bij het opleggen van die maatregel heeft de raad de uitspraak van dit hof van 15 maart 2024 betrokken en het door de raad toegewezen verzoek tot onmiddellijke schorsing in de uitoefening van de praktijk van 2 april 2024 dat in deze procedure aan de orde is.
(…)
7.5 Ten aanzien van de financiële betrouwbaarheid van de praktijk is er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om onmiddellijk ingrijpen te rechtvaardigen. (…)
7.6 Ten aanzien van de kwaliteit van de dienstverlening deelt het hof de zorgen van de deken over de geleverde kwaliteit. (…)
7.7 Dit beeld wordt bevestigd in de recente uitspraak van de raad van 24 juni 2024 naar aanleiding van de klacht (van cliënt R) waarin de raad de maatregel van schrapping heeft opgelegd. Ook in die zaak is verweerder naar het oordeel van de raad ernstig tekort geschoten in zijn kerntaak als rechtsbijstandsverlener. Ook uit de nog lopende klachtzaak (van cliënt RS), die door de deken is overgenomen, ontstaat het beeld van tekortschieten in de kwaliteit van de dienstverlening (onder meer: ontbreken van een opdrachtbevestiging en analyse van de zaak, onvoldoende communicatie).”
3.6 Op 1 oktober 2024 heeft verzoeker bij de raad een verzoek gedaan tot opheffing van de 60ab-schorsing. Bij beslissing van 5 november 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:154) heeft de raad het verzoek tot opheffing afgewezen.
3.7 Bij beslissing van 28 oktober 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:143) heeft de raad beslist op de in het algemeen belang voortgezette klacht van RS en aan verweerder de maatregel van schrapping opgelegd. Het door verweerder ingestelde hoger beroep tegen deze beslissing is gelijktijdig met de onderhavige zaak behandeld en de uitspraak is bepaald op heden.
3.8 Bij beslissingen van 17 januari 2025 heeft het hof in hoger beroep beslist op het dekenbezwaar (ECLI:NL:TAHVD:2025:11) en op de klachtzaak van R (ECLI:NL:TAHVD:2025:12). In beide zaken heeft het hof een deels voorwaardelijke schorsing aan verweerder opgelegd. Als bijzondere voorwaarde heeft het hof hieraan een door verweerder te doorlopen coachingstraject verbonden, dat betrekking zal moeten hebben “op de financiële inrichting van de praktijk en de prioritering daarbij”. De door het hof geformuleerde voorwaarden van het coachingstraject luiden:
“1. Verweerder dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag nadat het onvoorwaardelijke deel van de schorsing eindigt;
2. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerder gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt; ook dient daarin te worden opgenomen op welke wijze verweerder de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.
3. Verweerder dient dit coachingstraject te volgen en te voltooien.”
3.9 Bij beslissing van 4 april 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:58) heeft het hof verweerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van 5 november 2024 over opheffing van de 60ab-schorsing. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen:
“ Op het dekenbezwaar op grond waarvan het ernstig vermoeden is gerezen, is bij beslissing van het hof van 17 januari 2025 onherroepelijk beslist. Aan verzoeker is een schorsing opgelegd voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk. Op grond van artikel 60ae Advocatenwet is daarmee de 60ab-schorsing van verzoeker van 2 april 2024 van rechtswege vervallen op 17 januari 2025, zodat verzoeker geen belang meer heeft bij onderhavig hoger beroep tegen de beslissing van de raad van 5 november 2024.”
Schorsingsvoorwaarden
3.10 Op 21 januari 2025 heeft de deken aan verweerder bericht dat hij van de rechtbank had vernomen dat voor drie zaken die op naam van verweerder aanhangig waren zich nog geen nieuwe advocaat had gemeld. De deken schreef verweerder verder:
“Voor de goede orde wijs ik u erop dat, ook wanneer uw schorsing op grond van artikel 60ab Advocatenwet vervalt, u nog steeds (onvoorwaardelijk) geschorst bent als advocaat. Op grond van de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 15 maart 2024 in de zaak 230092D is er sprake van een onvoorwaardelijke schorsing van 4 weken. Op grond van de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 17 januari 2025 met zaaknummer 240156 bent u vervolgens (onder andere) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken met ingang van 17 februari 2025. Ook volgt uit de uitspraak van het Hof van Discipline d.d. 17 januari 2025 met nummer 240207 dat u (onder andere) bent veroordeeld tot een onvoorwaardelijke schorsing van 8 weken met ingang van 17 februari 2025.
Graag ontvang ik binnen één week na heden uw reactie op dit bericht van de rechtbank en aan wie en op welke wijze u de drie hiervoor genoemde zaken heeft overgedragen aan een opvolgend advocaat en wat de stand van zaken daarin is. (…)”
3.11 Op 26 respectievelijk 27 januari 2025 heeft verweerder aan een opvolgend advocaat in twee van de drie zaken geschreven:
“Begreep dat jij [de cliënt] bijstaat in een arbeidskwestie. Bij mij liep nog een omgangskwestie. In die zaak zal zich een advocaat moeten stellen. De vraag is of jij dat wil doen. Wellicht is het handig om even contact te zoeken met [de cliënt] Ik heb hem gevraagd om dat zelf ook even te doen. (…) Ik heb met [de cliënt] besproken dat hij zal bepalen of deze zaak doorgang moet vinden. Voor vragen ben ik uiteraard bereikbaar.”
“[De cliënt] deelde mij mede dat hij de procedure omtrent de omgang in wilde trekken. Het lijkt mij goed om dat onderling ook nog even kort te sluiten, indien gewenst.”
3.12 Op 4 februari 2025 heeft verweerder aan de deken geschreven:
“Met [de cliënt] heb ik toen ik bekend raakte met mijn schorsing uitvoerig gesproken over de schorsing als ook is toen afgesproken dat hij zich zou melden bij [advocatenkantoor] alwaar hij al een zaak had lopen. Ook heb ik nog veelvuldig met hem gebeld.
Over de app heb ik hem bericht op zijn vraag wat hij nu moet doen, dat hij die advocaat moet benaderen (van [advocatenkantoor]). Vervolgens hebben wij gebeld. Daarnaast heb ik hem gevraagd of het griffierecht is betaald. Dat zou hij immers doen.
Over de kwestie van [de derde zaak] geldt in wezen hetzelfde. Er zijn gesprekken geweest, er is gebeld en ik heb een tussenpersoon [naam] gevraagd om een nieuwe advocaat voor ze te zoeken. Inmiddels heeft [naam] zich gesteld. Hiervan zend ik bewijs mee.
[De cliënt] heeft woensdag een gesprek met zijn nieuwe (/oude) advocaat.”
3.13 Op 6 februari 2025 heeft verweerder aan de opvolgend advocaat geschreven:
“(…) Voor mijn schorsing was er een omgangsdiscussie tussen [de cliënt] en zijn ex-partner. Er is toen nog een verzoekschrift omgang ingediend. De procedure loopt nog bij de rechtbank en er heeft zich nog geen nieuwe advocaat gesteld. Omdat jij reeds iets voor [de cliënt] doet was de gedachte dat jij je eventueel kunt stellen in die procedure en die zaak vervolgens dan ook eventueel te doen.
Van [de cliënt] heb ik begrepen dat hij de procedure (nu) niet door wenst te zetten. Dit zou betekenen dat het verzoek ingetrokken kan worden. Dit zou dus sec betekenen dat er alleen gesteld hoeft te worden en vervolgens het verzoekschrift ingetrokken. Ik kan dat zelf helaas nu niet doen. (…)”
3.14 Diezelfde dag heeft de opvolgend advocaat gevraagd om een kopie van de toevoeging, zodat hij die kon muteren en de zaak dan op zou kunnen pakken met de cliënt. Verweerder heeft op 24 april 2025 gereageerd en gevraagd:
“Had je het nog met [de cliënt] opgepakt?”
3.15 Op 28 mei 2025 heeft verweerder aan de cliënt van de twee zaken geschreven:
“Bevestig hierbij dat jij hebt aangegeven dat jouw kwestie omtrent omgang door [de opvolgend advocaat] wordt / werd overgenomen. Dit omdat jij ook al een andere zaak / andere zaken bij [de opvolgend advocaat] dan wel [advocatenkantoor] had lopen. lk heb je nog geprobeerd te bellen, maar kreeg geen gehoor. Mocht je wensen dat een andere advocaat de zaak afwikkelt dan moet je dat doorgeven dan kan ik daarin eventueel nog een rol spelen. Overigens begreep ik dat de zaak bij de rechtbank geen doorgang behoeft te vinden aangezien de omgang thans naar tevredenheid is geregeld. In wezen hoeft dus alleen aan de rechtbank gemeld te worden dat de zaak wordt ingetrokken dan wel dat de huidige omgangsregeling wordt vastgelegd. Maar dat is uiteraard aan jou. lk ga ervan uit een en ander zo correct te hebben weergegeven. Mocht dit anders zijn dan verneem ik graag.”
3.16 Op 3 juni 2025 heeft de deken desgevraagd van de rechtbank vernomen dat verweerder nog in twee zaken gesteld stond als advocaat. De deken heeft daarover aan verweerder geschreven:
“Een check bij de rechtbank leert dat de volgende zaken nog steeds op uw naam staan: (…) U ben sedert 2 april 2024 geschorst. Het is meer dan ernstig dat wij heden nog hierover moeten communiceren. U voldoet niet aan de schorsingsvoorwaarden. Deze overtreding kan niet zonder gevolgen blijven. Ik doe een dringend beroep op u om de registratie in voornoemde zaak te laten aanpassen zodat u niet meer als raadsman staat genoteerd. Ik verneem graag zo spoedig mogelijk van u doch uiterlijk binnen één week na heden.”
3.17 Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd onder verwijzing naar zijn e ‑ mailcorrespondentie met de opvolgend advocaat. Ook heeft verweerder aan de rechtbank geschreven:
“In zake opgemelde zaken (…) sta ik nog altijd als advocaat vermeld. lk ben thans geschorst, zoals u waarschijnlijk zult weten, zodat ik deze zaak thans niet meer behandel en ook niet kan behandelen. Kunt u mij als gemeld advocaat van de zaak afhalen? lk ben derhalve op dit moment niet meer de advocaat van [de cliënt] en ik treed niet meer op in deze zaak. Dit kan momenteel ook niet.”
3.18 Op 10 juni 2025 heeft de griffie van de rechtbank bevestigd dat verweerder in de administratie is verwijderd als advocaat van de cliënt.
Coachingstraject
3.19 Op 14 maart 2025 heeft mr. S, die door verweerder is aangezocht als coach, een coachingsplan opgesteld. Verweerder heeft het coachingsplan op 17 maart 2025 aan de deken voorgelegd.
3.20 Op 21 maart 2025 heeft de deken onder meer aan verweerder geschreven:
“Het hiervoor gememoreerd coaching-traject gaat in op de dag nadat de schorsingen zijn geëindigd. Dat betekent dus met ingang 13 juli 2025 en loopt door tot en met 13 juli 2027. De periode tot en met 12 juli a.s. kan geen coaching plaatsvinden aangezien u nog steeds bent geschorst en dus geen werkzaamheden mag verrichten.
De persoon van de coach
Wij hebben eerder gesproken over de persoon van de coach. Ik ben er van overtuigd dat mr. [S] een prima coach zal zijn. Uw expertise echter ligt, voor zover ik dat kan beoordelen, op het gebied van het personen- en familierecht. Het is dan ook geraden dat een coach op dat gebied geverseerd is. Voor zover ik kan beoordeling is mr. [S] niet in het bijzonder thuis op het rechtsgebied personen- en familierecht. Ik verzoek u dan ook een coach te zoeken met die expertise en die tevens werkzaam is binnen een kantoor met ten minste vijf advocaten.
De inhoud van coaching
Naar een inhoudelijke juridische coaching wens ik dat de coach bij elke nieuwe zaak die u aanneemt, de volgende zaken toetst of u zich aan de hierna samengevatte instructies houdt:
(…)
Ik stel voor dat u uw onderzoek naar een aan te stellen coach voortzet. Mocht u een geschikte coach hebben gevonden die voldoet aan de eisen en die bereid is op voormeld format u te coachen, wil ik graag kennis met hem maken om een aantal praktische zaken af te spreken, waaronder de frequentie van de verslaglegging.”
3.21 Mr. S heeft verweerder op 26 maart 2025 onder meer het volgende bericht:
“ Naar aanleiding van de reactie van de deken wil ik het navolgende kwijt.
In de uitspraken van het Hof van Discipline lees ik dat van jou wordt verwacht dat je je onderwerpt aan coaching. De deken stelt hieraan aanvullende voorwaarden, die ik op zichzelf begrijpelijk vind. Het is goed om te lezen dat de deken ervan overtuigd is dat ik een prima coach zal zijn.
Op een cruciaal onderdeel kan ik de mening van de deken niet goed volgen, namelijk waar hij schrijft: “Uw expertise echter ligt, voor zover ik dat kan beoordelen, op het gebied van het personen- en familierecht. Het is dan ook geraden dat een coach op dat gebied geverseerd is. Voor zover ik dat kan beoordelen is mr. [S] niet in het bijzonder thuis op het rechtsgebied personen- en familierecht.” Deze zinsnede bevat enkele duidelijk uitgesproken veronderstellingen en aannames die niet nader onderzocht of bevraagd zijn.
Van jou begrijp ik dat je je weliswaar bezighoudt met personen- en familierecht, maar ook voor een belangrijk deel met arbeidsrecht en burgerlijk recht. Daar komt de vraag bij of je je in de toekomst nog wel wil bezighouden met personen- en familierecht.
Zelf heb ik in het verleden veel ervaring opgedaan met personen- en familierecht. Mijn patroon heeft jurisprudentie gemaakt over omgangsregelingen bij het Europees Hof voor de Rechten van de mens. Ik heb in het verleden meerdere cursussen alimentatierekenen gedaan en daarin veelvuldig geprocedeerd en was daar zeer bedreven in en heb mij gedurende lange tijd met echtscheidingen beziggehouden, waarvan ook veel gemeenschappelijke echtscheidingen. Het is juist dat ik de laatste jaren heb besloten dit af te bouwen en dat ik deze zaken nu niet meer doe.
Ik voer naast een praktijk met arbeidsrecht en burgerlijk recht een algemene praktijk en als peer reviewer en intervisie gespreksleider is mijn aandachtsgebied naast arbeidsrecht de algemene praktijk.
(…)
Voor het overige kan ik de voorwaarden die de deken stelt volledig onderschrijven, (…). Ook ik hecht hieraan in mijn werk als advocaat sinds meer dan 20 jaren zeer grote waarde.”
3.22 De deken heeft verweerder bij e-mail van 31 maart 2025 onder meer het volgende bericht:
“ 1. Deskundigheid mr. [S]
Mr. [S] heeft zich niet geregistreerd in het rechtsgebiedenregister voor personen- en familierecht. Dat is voor mij de aanleiding om te twijfelen of hij in staat is u inhoudelijk te coachen nu u op dat rechtsgebied actief bent. Mr. [S] stelt dat hij wel op het betreffende rechtsgebied over voldoende deskundigheid zou beschikken om uw werk inhoudelijk te beoordelen. Met name in genoemd rechtsgebied is het in uw praktijk fout gegaan als ik naar de klachten kijk, U moet ook zelf overtuigd zijn dat mr. [S] u deskundig kan coachen. U betaalt immers zijn declaraties en u moet door zijn coaching ook kwalitatief beter worden. Dat is per slot van rekening het doel van coaching.
(…)
3. Hoe nu verder?
Ik geef ernstig in overweging om na te gaan of mr. [S] wel de beste keuze is gezien zijn registratie. Tegen het einde van de lopende schorsingen heb ik graag een fysiek overleg bij mij op kantoor met de door u gekozen coach en u om het traject in te vullen en tot nadere afspraken te komen.”
3.23 Op 26 mei 2025 hebben mr. S en verweerder een ‘aftrapbijeenkomst’ gehad voor het coachingstraject. Mr. S schrijft verweerder hierover op 6 juni 2025 onder meer:
“Het doel van deze aftrapbijeenkomst was om je coachingsdoelen nauwkeuring in kaart te brengen en met behulp van welke middelen en bronnen je die kunt bereiken.
Inleiding
Deze brief vormt de samenvatting van deze aftrapbijeenkomst en bevat het coachingsplan zoals wij die overeen zijn gekomen. Daarnaast behoeft deze de instemming van de Deken.
Dit coachingsplan borduurt voort op het coachingsvoorstel d.d. 14 maart 2025. (…) Daarnaast is inmiddels de peer review uitgevoerd (…)
(…)
Graag verneem ik van je of je je in dit coachingsplan herkent en je hierin kunt vinden. Aansluitend verneem ik graag of je ermee instemt om dit plan aan de deken ter goedkeuring voor te leggen. Na goedkeuring van de deken is dit plan definitief.”
In de brief is als primair coachingsdoel aangemerkt de communicatie met cliënten. Als onderliggende doelen zijn aangemerkt, kort samengevat, het in staat raken om te kunnen reflecteren op en verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere tuchtrechtelijke beslissingen en het bewust worden van de professionele standaarden en toepassing daarvan.
3.24 Verweerder heeft voor een bespreking met de deken in aanwezigheid van de coach een afspraak gemaakt voor 23 juni 2025 op het bureau van de orde.
3.25 Op 10 juni 2025 heeft de deken verweerder per e-mail bericht:
“Zoals ik u eerder heb bericht eindigen de schorsingen op 12 juli a.s.
Er loopt echter nog een hoger beroep van u tegen een schrapping (de tweede) uitgesproken door de Raad van Discipline. Op dit moment is dus niet duidelijk of de schrapping door het Hof van Discipline in stand zal worden gelaten. Om nu te voorkomen dat u vanaf 13 juli a.s. cliënten gaat werven die weer elders moeten worden ondergebracht op het moment het Hof de uitspraak van de Raad bevestigt, ben ik bezig met het voorbereiden van een verzoek ex art. 60ab van de Advocatenwet. Dat verzoek zal naar verwachting tot een tijdelijke schorsing leiden vanaf 12 juli a.s. tot het moment het Hof een beslissing heeft genomen omtrent de schrapping.
Op grond van het vorengaande is een oordeel van mij op het coaching plan prematuur. Ik wacht de uitspraak van het Hof inzake de schrapping af voordat ik eventueel mijn oordeel zal geven.”
3.26 Op een bericht van de gemachtigde van verweerder aan de deken van 23 juli 2025, waarin zij onder meer heeft verzocht om alsnog op korte termijn een gesprek tussen de deken, de coach en verweerder te laten plaatsvinden, heeft de deken diezelfde dag onder meer geantwoord:
“Ik heb tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig betoogd dat ik de door uw cliënt gekozen coach niet geschikt acht. Daarmee voldoet de keuze van de coach niet aan het oordeel van het Hof van Discipline van 17 januari jl. Het hof heeft immers o.a. het volgende overwogen: “Verweerder dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen (…)”
4 VERZOEK
De deken heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat verweerder tot en met 12 juli 2025 is geschorst in de praktijkuitoefening. Het is de deken gebleken dat verweerder de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden door sinds 2 april 2024 als advocaat gesteld te staan in twee procedures. De deken acht dit onbetamelijk. De deken acht het hoogstnoodzakelijk dat verweerder wordt geschorst in de periode vanaf 12 juli 2025 totdat het hof heeft beslist op het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van 28 oktober 2024. De deken wenst daarmee te voorkomen dat verweerder na ommekomst van de schorsingen per 13 juli 2025 wederom de praktijk opbouwt met de zeker niet denkbeeldige kans dat het hof de schrapping in stand zal laten, waardoor de aangeworven cliënten elders zouden moeten worden ondergebracht. De deken acht het in het bijzonder onverantwoord dat rechtzoekenden worden blootgesteld aan de wijze waarop verweerder praktijk voert. Dat betreft zowel het negeren van de schorsingsvoorwaarden als het patroon van het leveren van ondermaatse kwaliteit van de dienstverlening c.q. een patroon van onvoldoende professioneel acteren en functioneren van verweerder. Aldus de deken is daarmee een maatschappelijk kernbelang gemoeid, te weten dat een rechtszoekende die zich tot een advocaat wendt voor rechtsbijstand, erop moet kunnen vertrouwen dat er een minimum aan waarborg aanwezig is voor een financieel houdbare praktijkvoering en een minimum aan professionaliteit en continuïteit in de praktijkvoering.
5 BEOORDELING RAAD
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerder heeft een drietal ontvankelijkheidsverweren gevoerd, te weten: er is sprake van ne bis in idem, het verzoek is rauwelijks gedaan en het verzoek is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De raad heeft deze verweren afgewezen en daarover het volgende overwogen.
5.2 Het ne bis in idem-beginsel staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de deken. Het eerste verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is door de raad toegewezen op enerzijds de financiële situatie van verweerder (het dekenbezwaar) en anderzijds de kwaliteit van de dienstverlening (de drie klachtzaken, waaronder de klacht van de heer RS). Op 5 augustus 2024 heeft het hof geoordeeld dat de financiële situatie van verweerder geen onmiddellijk ingrijpen heeft kunnen rechtvaardigen Wel heeft het hof de zorgen van de deken over de kwaliteit van de dienstverlening gedeeld en de 60ab-schorsing in stand gelaten. De raad gaat ervan uit dat de op 2 april 2024 opgelegde 60ab-schorsing per 17 januari 2025 is geëindigd, ook al was nog niet onherroepelijk beslist in de zaak van de heer RS. Dit betekent voor de raad echter niet dat de voortgezette klacht van de heer RS niet (opnieuw) ten grondslag mag worden gelegd aan het huidige schorsingsverzoek. Het in artikel 47b van de Advocatenwet neergelegde ne bis in idem-beginsel is daarvoor geen belemmering. Het eerste lid van dit artikel is bedoeld voor reguliere klachtzaken en dekenbezwaren. Dat volgt ook uit lid twee van het artikel, waarin de ordemaatregelen uit artikel 60ab van de Advocatenwet worden uitgesloten, en de toelichting van de wetgever daarover dat de 60ab-procedure “een afzonderlijke procedure, gericht op het treffen van tijdelijke ordemaatregelen” (Kamerstukken II 2011/12, 32382, nr. 10, p. 84) is. Gelet daarop ziet de raad niet dat het in artikel 47b van de Advocatenwet neergelegde ne bis in idem-beginsel uitsluit dat tweemaal een ordemaatregel wordt opgelegd, ook al ziet dat op hetzelfde feitencomplex.
5.3 Ook de beide andere ontvankelijkheidsverweren falen. Uit artikel 60ab van de Advocatenwet volgt geen verplichting voor de deken om voorafgaand aan het indienen van een verzoek op grond van dat artikel, in gesprek te gaan met de betrokken advocaat. Dat zou zich bovendien ook slecht verhouden met het spoedeisende karakter van de procedure. De argumenten die verweerder aanvoert over de zorgvuldigheid van het verzoek van de deken horen thuis bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.4 De deken heeft aan zijn verzoek twee omstandigheden ten grondslag gelegd, te weten overtreding van de schorsingsvoorwaarden en een (nog steeds) bestaand patroon van het leveren van ondermaatse kwaliteit van de dienstverlening c.q. een patroon van onvoldoende professioneel acteren en functioneren van verweerder. De raad heeft het volgende overwogen.
5.5 De deken heeft verweerder in januari 2025 medegedeeld dat hij in drie zaken gesteld stond als advocaat. In twee van die zaken zou dit volgens de rechtbank ook in juni 2025 nog het geval zijn. Verweerder heeft niet aangetoond dat hij de rechtbank al eerder dan 3 juni 2025 heeft gevraagd om zijn naam van de zaken te halen, dus gaat de raad ervan uit dat hij daar toen pas voor het eerst om heeft verzocht. Daarmee heeft hij niet tijdig voldaan aan de schorsingsvoorwaarde. De raad acht deze overtreding echter niet zodanig urgent dat niet kan worden gewacht op de behandeling van een dekenbezwaar daarover. Wel weegt de raad deze omstandigheid mee in de beoordeling van het patroon van onvoldoende professioneel acteren en functioneren van verweerder.
5.6 De raad ziet die urgentie wel in de tweede door de deken gestelde omstandigheid. Ten opzichte van het eerdere 60ab-verzoek is het beeld van de raad over de kwaliteit van verweerders praktijkvoering nog verslechterd met de beslissing van 28 oktober 2024 (in de zaak RS). In die zaak heeft de raad meerdere wezenlijke tekortkomingen in de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder vastgesteld en aan verweerder de maatregel van schrapping opgelegd. De raad zag een beeld van een advocaat die blijk geeft zich onvoldoende bewust te zijn van voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving, die zich onvoldoende rekenschap geeft van de belangen die daarmee worden gediend en die zijn kerntaak als rechtsbijstandsverlener ernstig heeft veronachtzaamd. Deze raad sluit zich aan bij dat oordeel en heeft er geen vertrouwen in dat verweerder in de toekomst wel belangen van cliënten op een juiste manier zal kunnen behartigen. De raad acht het niet verantwoord dat potentiële nieuwe cliënten aan een advocaat worden blootgesteld die zich niet bewust is van de elementaire beginselen en kerntaken van de advocatuur. Het beeld wordt versterkt door de houding van verweerder rondom het naleven van de schorsingsvoorwaarden en het op tijd opzetten van een door de deken goedgekeurd coachingstraject. Verweerder heeft ook daarin tot op heden niet laten zien wel in staat te zijn om professioneel te handelen en functioneren.
5.7 Uit wat de deken naar voren heeft gebracht, volgt een beeld dat verweerder zich ook nu nog weinig laat sturen door de deken en de tuchtrechter. De deken heeft verweerder in januari 2025 aangesproken over de zaken die op zijn naam stonden tijdens zijn schorsing, maar verweerder heeft het overdragen daarvan op zijn beloop gelaten door ruim tweeëneenhalve maand niet te reageren op de opvolgende advocaat. Vervolgens heeft hij het laten aankomen op een tweede reprimande van de deken voordat hij de rechtbank heeft gevraagd om zijn naam van het dossier te halen. Niet gebleken is dat hij daarbij nog enigszins rekening heeft gehouden met de belangen van zijn (voormalige) cliënt. Verweerder heeft wederom niet adequaat gehandeld naar wat van hem wordt verwacht als advocaat.
5.8 Hetzelfde geldt voor het coachingstraject dat verweerder direct na zijn onvoorwaardelijke schorsing zal moeten doorlopen. Ook daarbij heeft verweerder het op zijn beloop gelaten en lijkt hij zich weinig gelegen te laten liggen aan de tuchtrechter. Al in maart 2025 heeft de deken verweerder medegedeeld dat mr. S onvoldoende geschikt is, omdat hij niet werkzaam is op het terrein van het personen- en familierecht. De raad acht dat geen onredelijke eis van de deken. Ondanks het ontbreken van goedkeuring aan mr. S als coach probeert verweerder dat traject toch door te zetten. Mr. S benoemt in zijn nieuwe coachingsplan nergens dat hij als coach ongeschikt wordt geacht door de deken. De raad vraagt zich daarom af of verweerder de afkeuring van de deken wel met mr. S heeft besproken en waarom hij dan toch denkt met mr. S als coach te kunnen voldoen aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Zonder een goedgekeurde coach en met het einde van de onvoorwaardelijke schorsing op zeer korte termijn in zicht dreigt hoe dan ook een ernstige schending van een door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang op handen te zijn.
5.9 De visie van verweerder dat sprake is van een drastische verandering in positieve zin, deelt de raad dan ook niet. Verweerder heeft weliswaar medewerking verleend aan een coachingstraject, maar lijkt zich geen rekenschap te geven van de voorwaarden die daaraan gesteld zijn. Met name vindt de raad het onverantwoord dat verweerder per 13 juli 2025 zijn praktijk weer kan gaan uitoefenen terwijl er nog geen goedgekeurde coach aanwezig is. De vrees is daarom dat verweerder direct nadat de onvoorwaardelijke schorsing ten einde is, opnieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar zal handelen en, erger nog, zonder de noodzakelijke begeleiding opnieuw cliënten zal bijstaan. Dat laatste is zorgelijk vanwege het in de beslissing van 28 oktober 2024 geconstateerde gebrek aan deskundigheid.
5.10 Niet doorslaggevend, maar wel tekenend acht de raad dat verweerder niet is verschenen bij de zitting van de raad. Zijn advocaat heeft hem meermaals geprobeerd telefonisch te bereiken, omdat zij een half uur voorafgaand aan de zitting met elkaar hadden afgesproken. Ook voor verweerders eigen advocaat was het een raadsel waarom verweerder niet aanwezig was. Ruim een uur na de zitting heeft de raad van de bode vernomen dat verweerder was gearriveerd en zich zou hebben vergist in het tijdstip. Verweerder heeft hiervoor via de bode zijn excuses aangeboden. Hoewel het menselijk is dat er fouten worden gemaakt en verweerder daarvoor ook zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, bevestigt dit het beeld dat verweerder ook nu kennelijk niet in staat is om zich aan gemaakte afspraken te houden. Als verweerder al tekortschiet in het opkomen voor zijn eigen belangen, dan vreest de raad het des te meer wanneer hij toekomstige cliënten bijstaat in een actieve praktijk.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1Verweerder heeft de volgende beroepsgronden aangevoerd tegen de beslissing van de raad:
De deken is niet-ontvankelijk in het verzoek, want het verzoek is- in strijd met het ne bis in idem-beginsel;
- in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijke procesorde;
- en er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden
Toelichting :
De deken dient in zijn hernieuwde verzoek op basis van de zaak RS niet-ontvankelijk te worden verklaard. Art. 47b lid 2 onder a en b Advocatenwet bepaalt niet dat het ne bis in idem-beginsel ook niet geldt bij herhaalde toepassing van art. 60ab lid 1 op basis van dezelfde feiten.
Daarnaast is het handelen van de deken, in het bijzonder ten aanzien van het coachingstraject, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en met het beginsel van behoorlijk bestuur/behoorlijke procesorde. De deken heeft het coachingstraject niet aan zijn verzoek ten grondslag gelegd en de gevoerde correspondentie ook niet overgelegd, maar ter zitting bij de raad wel opeens aangegeven dat hij de coach niet geschikt acht. Dit is onder andere in strijd met de inhoud van zijn brief aan verweerder van 31 maart 2025. De deken heeft de raad daarmee een verkeerd beeld gegeven.
Onzorgvuldig acht verweerder ook dat de deken het kennelijk nooit nodig heeft gevonden een gesprek met hem aan te gaan. Niet over het coachingstraject, niet over het niet laten doorgaan van de bespreking daarover en niet over het nieuwe verzoek 60ab. Ook heeft de deken niet eerst informatie bij verweerder opgevraagd over de zaken, die nog op naam van verweerder stonden, voordat hij zijn verzoek om oplegging van de meest vergaande ordemaatregel bij de raad neerlegde. Hij geeft slechts aan een 60ab verzoek voor te bereiden, omdat hij wil voorkomen dat verweerder vanaf einde schorsing weer praktijk kan voeren. Maar daarvoor is art. 60ab niet bedoeld.
Ook is geen oog geweest voor de tijdelijke problematische persoonlijke omstandigheden van verweerder vanaf 2020, noch voor de manier waarop verweerder doende is geweest gedurende zijn schorsing weer zichzelf te worden en de problemen die geleid hebben tot die tuchtklachten (met name dankzij therapeutische behandeling door een psycholoog) heeft aangepakt. Anders dan de deken en de raad vinden, heeft verweerder wel degelijk gewerkt aan zichzelf.
Ten onrechte is de overtreding van een schorsingsvoorwaarde door zich niet tijd uit te schrijven bij de griffie als advocaat van een cliënt aan het 60ab verzoek ten grondslag gelegd.Toelichting :
Verweerder heeft de betreffende cliënt meteen over de schorsing geïnformeerd. De cliënt had nog een andere advocaat en die zou hij benaderen. Verweerder ging er verder vanuit dat hij zelf de rechtbank niet meer mocht benaderen. Het ging bovendien om een slapende zaak, waarin inhoudelijk niets meer hoefde te gebeuren en waarin verweerder ook niet meer als advocaat is opgetreden. Alle lopende zaken zijn overgedragen. Deze zaak is blijven hangen, omdat de cliënt de zaak zelf bij zijn andere advocaat zou onderbrengen. Er is geen klacht ingediend en de belangen van de cliënt zijn niet geschaad.
De raad ziet hierin geen overtreding die een spoedmaatregel rechtvaardigt, maar laat het wel meewegen in de beoordeling van onvoldoende professioneel functioneren en acteren van verweerder. Welk onvoldoende professioneel functioneren en acteren? Verweerder is al sinds april 2024 geschorst, mocht niet werken als advocaat en heeft dit ook niet gedaan. Feitelijk kan de raad zich slechts baseren op de maatregel schrapping die de raad in de zaak RS op 28 oktober 2024 heeft opgelegd en op het coachingstraject als gronden voor de raad om het verzoek van de deken in te willigen.
3. Kennelijk – en ten onrechte – steunt de beslissing van de raad over het professioneel (dis)functioneren en acteren van verweerder met name op het coachingstraject.
Toelichting :
De raad heeft zonder de volledige gang van zaken te kennen vergaande negatieve conclusies getrokken uit een brief die slechts werd ingebracht door de deken in verband met de datum einde schorsing. Verweerder heeft logischerwijze geen stukken over het coachingstraject overgelegd, nu het 60ab-verzoek terecht geen woord vuil maakt aan dit traject. Dat de raad dit traject en de vermeende kwalijke rol van verweerder als belangrijkste pijler voor de toewijzing ziet, kwam als een totale verrassing. Verweerder en de coach hebben uit de brief van de deken van 31 maart 2025 niet begrepen of moeten begrijpen dat de coach een ‘no go’ zou zijn voor de deken. Dat staat er ook niet in. Zij zijn na dat bericht volledig te goeder trouw verder aan de slag gegaan. De opmerking van de deken dat de coach naar zijn mening niet voldoet, kwam voor beiden als een donderslag bij heldere hemel. De coach is een ervaren advocaat, mediator en coach, die zich in staat acht een goede coach voor verweerder te zijn en verweerder vertrouwt hem daarin. De deken had hierover in gesprek moeten gaan met verweerder en de coach.
4. Ten onrechte heeft de raad het niet verschijnen ter zitting door verweerder meegewogen.
Toelichting :
De gemachtigde van verweerder heeft niet gezegd dat zij met verweerder een half uur voor de zitting had afgesproken, maar dat zij verweerder niet kon bereiken en had verwacht dat hij op dat tijdstip aanwezig zou zijn. Achteraf blijkt dat zij aan verweerder een verkeerd tijdstip heeft doorgegeven.
5. Ten onrechte is de beslissing van 28 oktober 2024 aan de beslissing van de raad ten grondslag gelegd.
Toelichting :
De beslissing van de raad in de zaak ten gronde van 28 oktober 2024 is niet in kracht van gewijsde. Een hoger beroep heeft schorsende werking, ook wanneer in eerste aanleg schrapping als maatregel is uitgesproken. Dat de raad stelt geen vertrouwen meer in appellant te hebben en achter de beslissing van 28 oktober 2024 te staan doet daaraan niet af. RS heeft de klacht ingetrokken, maar op verzoek van de deken en met toestemming van de raad is de klacht overgenomen door de deken met een beroep op het algemeen belang. In de zaak ten gronde in hoger beroep wordt verweer gevoerd. Het hof moet daarover nog oordelen. Het verzoek moet worden afgewezen, omdat de beslissing van de raad niet een nieuw feit is dat een ordemaatregel rechtvaardigt.
6. Art 60ab Advocatenwet geldt slechts in uitzonderlijke gevallen en is niet voor een situatie als in deze casus bedoeld.
Verweer deken
6.2 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De procedure van artikel 60ab Advocatenwet is bedoeld als spoedvoorziening. Toepassing van deze spoedvoorziening vereist dat een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten door een advocaat, waardoor enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad. Het moet daarbij blijkens de wetsgeschiedenis gaan om gevallen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig of in de kwaliteit van de advocatuur ernstig in gedrang is. Te denken valt aan de situatie dat een advocaat banden onderhoudt met criminele organisaties of misbruik maakt van zijn wettelijke privileges, maar ook aan het niet goed behartigen van de belangen van cliënten of het niet naleven van verordeningen of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De (dreigende) schending van de door artikel 46 beschermde belangen moet zodanig zijn dat deze onmiddellijk ingrijpen vergt. Dit houdt in dat de situatie zodanig is dat deze belangen onevenredig worden benadeeld wanneer pas later, na het doorlopen van de gewone tuchtprocedure (en eventueel hoger beroep bij het hof van discipline), de betrokken advocaat onherroepelijk tuchtrechtelijk wordt veroordeeld en tegen hem maatregelen of voorzieningen worden getroffen. De situatie moet dus om direct ingrijpen vragen. Bij de behandeling in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris in de nadere memorie daarover opgemerkt: “De nieuwe voorziening is uitsluitend bedoeld voor zeer uitzonderlijke gevallen, waarin sprake is van een zodanig ernstig vermoeden van een ernstige misdraging, dat het treffen van maatregelen niet kan worden afgewacht”.
Overwegingen hof
7.2 De deken heeft – kort weergegeven – de schrappingsbeslissing van de raad van 28 oktober 2024 ten grondslag gelegd aan het 60ab-verzoek, aangevuld met de overtreding van de schorsingsvoorwaarden doordat verweerder ten onrechte bij de rechtbank nog drie (inactieve) zaken op zijn naam had staan. Naar het oordeel van het hof heeft de raad terecht de overtreding van de schorsingsvoorwaarden niet maatgevend geacht. De raad heeft zich voor de toewijzing van het 60ab-verzoek dan ook primair gebaseerd op de raadsbeslissing van 28 oktober 2024 in de zaak RS, maar daarnaast ook op een door de deken ter zitting gegeven toelichting op het verloop van (de voorbereiding van) het coachingstraject van verweerder.
7.3 Het coachingstraject is door de deken niet ten grondslag gelegd aan zijn 60ab-verzoek, maar was blijkens de uitspraak van de raad wel een belangrijke pijler bij de toewijzing van dat verzoek. Voor zover de raad heeft beoogd het 60ab-verzoek ambtshalve aan te vullen en de gang van zaken rondom het coachingstraject ook aan dat verzoek ten grondslag te leggen, is de raad daarmee buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden. Niet alleen dat, maar de raad heeft ook vergaande conclusies getrokken uit de beperkte informatie die ter zitting ter beschikking was. In ieder geval de mail van de deken van 31 maart 2025 (zie 3.22 hierboven) is blijkens de uitspraak niet in de beoordeling betrokken. Aldus heeft de raad zijn conclusies blijkbaar mede gebaseerd op een onvolledig dossier. Verweerder hoefde er ook geen rekening mee te houden dat aan deze onvolledige informatie vergaande conclusies zouden worden verbonden, terwijl hem onvoldoende gelegenheid is geboden op dit onderwerp te reageren en aanvullende stukken daarover in het geding te brengen.
7.4 Resteert de beslissing van de raad van 28 oktober 2024 in de zaak RS, waarin verweerder is geschrapt. Vandaag heeft het hof eveneens beslist op het hoger beroep in die zaak (zaaknummer 250268). In die zaak heeft het hof overwogen dat niet is gebleken van redenen, aan het algemeen belang ontleend, om de klacht voort te zetten, onder meer omdat de betreffende klacht uitsluitend ziet op de (al dan niet) deskundigheid van verweerder, terwijl verweerder juist kort voordien tuchtrechtelijk was terechtgewezen voor gelijksoortige tekortkomingen in dezelfde periode. Het hof heeft verder bepaald dat de klacht geen verdere behandeling behoeft.
7.5 Conclusie uit het voorgaande is dat de beroepsgronden van verweerder in zoverre slagen dat de beslissing van de raad om verweerder op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang te schorsen niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en de 60ab-schorsing met onmiddellijke ingang opheffen. De beroepsgronden van verweerder behoeven om die reden geen verdere bespreking meer.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
vernietigt de beslissing van 10 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-400/DB/LI/D;
en doet opnieuw recht:
heft met onmiddellijke ingang op de schorsing op grond van artikel 60ab lid 1 en 2 Advocatenwet van verweerder in de uitoefening van de praktijk als advocaat.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, A.R. Creutzberg, H.H. Tan en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 oktober 2025 .
[1] Deze zaak betrof een eerder (het eerste) dekenbezwaar
[2] Beslissing van de raad op de klacht van R tegen verweerder
