Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:208
Zaaknummer
250049
Inhoudsindicatie
Klager verwijt verweerder hij in strijd met gedragsegel 25 rechtstreeks contact heeft gehad met een cliënte van klager. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder een berisping opgelegd. Bekrachtiging.
Uitspraak
van 24 oktober 2025
in de zaak 250049
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Klager verwijt verweerder hij in strijd met Regel 25 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (hierna: gedragsregel 25) rechtstreeks contact heeft gehad met een cliënte van klager. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder is van die beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-471/DB/L]) een beslissing gegeven op 13 januari 2025. De raad heeft de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een onvoorwaardelijks schorsing voor de duur van twee weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:1 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 9 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 29 augustus 2025. Daar is klager verschenen. Verweerder was zonder bericht afwezig.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder heeft mevrouw L (hierna: de cliënte) bijgestaan van 27 maart 2020 tot oktober 2021 in een geschil tussen haar en haar broer. Vanaf oktober 2021 is klager de cliënte gaan bijstaan.
3.3 Tussen de cliënte en verweerders kantoor is een geschil ontstaan over door verweerder bij de cliënte in rekening gebracht honorarium. Klager heeft de cliënte in dit geschil bijgestaan. Verweerder heeft ten laste van de cliënte conservatoir beslag gelegd en ter incasso van zijn vordering jegens de cliënte een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt. Verweerder heeft tegen het afwijzend vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
3.4 Op 29 september 2022 hebben de cliënte, bijgestaan door klager, en verweerder in aanwezigheid van verweerders toenmalige kantoorgenoot een bespreking gehouden om tot een oplossing te komen. Een regeling is niet tot stand gekomen. Bij e-mail van 7 oktober 2022 heeft klager verweerder gesommeerd om geen rechtstreeks contact meer op te nemen met de cliënte.
3.5 Op 17 april 2023 heeft de cliënte een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. De klachtzaak was bij de deken bekend onder zaaknummer K-039. Klager heeft de cliënte in deze klachtprocedure bijgestaan.
3.6 Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft klager onder meer het volgende aan verweerder medegedeeld:
“Tot mijn verbazing heb ik moeten constateren dat u -ondanks mijn waarschuwende e ‑ mails aan u d.d. 22 september jl., 30 september jl. en 7 oktober jl.- wederom rechtstreeks met mijn cliënte communiceert over de kwestie zónder ook maar bij naar een toestemming daarvoor te vragen. Ik beraad mij met cliënte op de gevolgen van deze (wederom) schending van de gedragsregels.
Naar ik begrijp zou u wellicht tot een regeling willen komen met cliënte (en dat geldt ook voor cliënte), zij het dat u onverkort aanspraak maakt op een factuurbedrag én aanvullende kosten en naar ik begrijp zou u van de beslagen gelden (€23.458,10) slechts € 3.750 aan cliënte willen laten toekomen. Met andere woorden: u wenst € 19.708,10 te ontvangen […]. Ik zal u derhalve al/nogmaals uitleggen waarom dit niet aan de orde is. […] Cliënte staat open voor een redelijke oplossing, maar dat is dus zeker niet dat zij méér dan het factuurbedrag zou moeten betalen maar een -alles overziende- lager bedrag. Een redelijk voorstel kunt u mij laten toekomen, dan bespreek ik dat met cliënte.”
3.7 Op 27 juni 2023 heeft op verweerders kantoor een gesprek plaatsgevonden tussen de cliënte en verweerder.
3.8 Op 30 juni 2023 heeft klager in de klachtzaak K-039 namens de cliënte aan de deken een e-mailbericht gestuurd met verweerder in de cc.
3.9 Op 3 juli 2023 hebben de cliënte en verweerder - namens het advocatenkantoor - een vaststellingsovereenkomst ondertekend, zonder dat klager daarbij betrokken was. Afgesproken is dat € 19.708,10 van het beslagen bedrag werd vrijgegeven aan het advocatenkantoor. Ook is afgesproken dat de cliënte alle lopende klachtzaken zou intrekken. Het advocatenkantoor zou alle lopende procedures tegen de cliënte intrekken, waaronder die bij het gerechtshof.
3.10 Op 5 september 2023 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3.11 De op 17 april 2023 door de cliënte tegen verweerder ingediende klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 januari 2024. Klager heeft de cliënte ter zitting bijgestaan. Bij beslissing van 26 februari 2024 (23-856/DB/LI) heeft de raad deels gegrond en deels ongegrond verklaard en aan verweerder een schorsing van vier weken opgelegd, waarvan twee weken voorwaardelijk. Het hof heeft bij beslissing van 13 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:5, de beslissing van de raad deels vernietigd en deels bekrachtigd. De schorsing is gehandhaafd, maar geheel voorwaardelijk opgelegd.
3.12 Op 28 november 2024 heeft verweerders voormalig kantoorgenoot schriftelijk verklaard dat de cliënte op 3 juli 2023 tegen hem heeft gezegd dat zij niet langer door klager werd bijgestaan en dat zij hem berichten op haar telefoon heeft getoond waaruit de juistheid van haar mededeling bleek.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 25.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 Verweerder heeft aangevoerd dat hij na 1 juni 2023 niets meer van klager had vernomen en dat de cliënte hem op 27 juni 2023 heeft medegedeeld dat zij niet langer door klager werd bijgestaan. Verweerder meent daarom dat hij erop mocht vertrouwen dat klager de cliënte niet meer bijstond, zodat het hem vrij stond om zonder tussenkomst van klager op 27 juni 2023 met de cliënte te spreken en op 3 juli 2023 een regeling met haar te treffen. De raad heeft dit verweer gepasseerd en overwogen als volgt. Verweerder heeft gesteld dat de cliënte hem berichten op haar telefoon heeft getoond die bevestigden dat klager haar niet meer bijstond, maar klager heeft uitdrukkelijk betwist dat er eind juni/begin juli 2023 berichten van die strekking waren verzonden. Verweerder heeft de beweerdelijk door de cliënte aan hem getoonde berichten niet overgelegd en uit de overgelegde stukken blijkt ook niet van berichten met de door verweerder gestelde inhoud of strekking. Verweerder had de cliënte op 27 juni 2023 niet te woord mogen staanzonder vooraf van klager verkregen toestemming. Verweerder had eerst contact moeten zoeken met klager om te verifiëren of het juist was dat de cliënte niet langer door klager werd bijgestaan, maar heeft dat niet gedaan. Op 3 juli 2023 stond het verweerder niet vrij om zonder tussenkomst van klager een regeling met de cliënte te treffen. Op grond van klagers e-mailbericht aan de deken van 30 juni 2023 in de klachtzaak K-039 wist hij, althans behoorde hij te weten dat de cliënte nog altijd door klager werd bijgestaan.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder heeft aangevoerd dat het oordeel van de raad onjuist is en hij gedragsregel 25 niet heeft geschonden. Verweerder heeft dit toegelicht als volgt.
6.2 Verweerder hoefde klager niet te bellen om te vragen of hij de cliënte nog bijstond, omdat uit een sms-wisseling tussen de cliënte en klager bleek dat het niet zo was. De raad is voorbij gegaan aan de verklaring van verweerders oud-kantoorgenoot die de bewuste berichten ook heeft gezien en de cliënte ook heeft gesproken. De kantoorgenoot is bereid deze verklaring onder ede te herhalen. Ten onrechte meent de raad dat verweerder contact had moeten opnemen met klager, omdat klager de cliënte in de klachtzaak nog bijstond. Klager stond haar alleen in de klachtzaak nog bij, maar had vanwege een conflict over de betaling van eigen bijdragen de bijstand in de inhoudelijke zaak neergelegd. De raad heeft klager ongemotiveerd gelijk gegeven. De juistheid van verweerders standpunt blijkt uit de verklaring van de kantoorgenoot. De betwisting van klager dat er berichten over de bijstand waren, is een blote betwisting omdat klager weigert de berichten over te leggen. Dat hij dat niet doet, bevestigt de juistheid van verweerders standpunt. Zowel op 27 juni 2023 als op 3 juli 2023 was helder dat de cliënte in de inhoudelijke zaak niet werd bijgestaan door klager.
6.3 Daarnaast begrijpt verweerder de strafmotivering niet en meent hij dat de maatregel onvoldoende is gemotiveerd. Ten tijde van de beslissing door de raad was verweerder niet onherroepelijk veroordeeld in de andere klachtzaak. De raad heeft ook niet overwogen waarom twee weken schorsing is opgelegd.
Verweer klager
6.4 Klager heeft geen schriftelijk verweer gevoerd in beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Gedragsregel 25 lid 1 bepaalt dat de advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt. In het tweede lid van gedragsregel 25 is bepaald dat een aanzegging met rechtsgevolg wel rechtstreeks aan de wederpartij mag worden gedaan, op de voorwaarde dat die aanzegging gelijktijdig aan de advocaat van die partij wordt gestuurd.
Overwegingen hof
7.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over.
7.4 Met betrekking tot de door de raad aan verweerder opgelegde maatregel voegt het hof daar nog het volgende aan toe. Juist is dat de beslissing in de hiervoor onder 3.11 genoemde klachtzaak nog niet definitief was ten tijde van de uitspraak van de raad. Naar het oordeel van het hof heeft de raad die veroordeling ook niet meegewogen bij het vaststellen van de maatregel in de onderhavige zaak. Aan verweerder is immers eerder (in 2020) in een andere klachtzaak een berisping opgelegd. Het hof is met de raad van oordeel dat de aan verweerder opgelegde maatregel van twee weken onvoorwaardelijke schorsing passend is. Dat verweerder buiten klager om en zonder bij klager te verifiëren of hij daadwerkelijk niet meer voor de cliënte optrad, met de cliënte een regeling heeft getroffen, is op zich al ernstig verwijtbaar. Het hof rekent het verweerder daarbij te meer aan dat het een regeling betrof voor zijn eigen declaratie, waarvan klager hem namens de cliënte nog geen maand voordien expliciet had bericht dat juist déze regeling “niet aan de orde” was. Het hof acht de handelwijze van verweerder laakbaar en hij heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur beschadigd.
7.5 Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 PROCESKOSTEN
8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-471/DB/L;
9.2 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op de datum waarop verweerder opnieuw als advocaat op het tableau wordt ingeschreven, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd;
9.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, V. Wolting, G.J.K. Elsen en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 oktober 2025 .
